De verborgen rozentuin, afsluiting van het boek van Mahmoed Shabistari en een uitgebreid woord vooraf

BESTEL DE VERBORGEN ROZENTUIN

Bedwelmd door pure dienstbaarheid, die ik ontving uit de droesem, viel ik in het blootgelegde stof. Sedertdien weet ik niet meer of ik wel besta, maar ben ik geenszins nuchter, en ook ben ik niet ziek of dronken.

Soms ben ik net als zijn oog, vol van blijdschap. Of net als zijn haarlok wuif ik heen en weer.

Soms – helaas – naar aard of gewoonte, lig ik alleen maar op de stofhoop. Soms echter strijkt zijn glans over me heen, dan ben ik weer terug in de rozentuin.

Dit boeket geurige bloemen heb ik uit die tuin geplukt en ik heb het genoemd ‘De verborgen rozentuin’.

Daarbinnen bloeien de rozen van de verborgenheden van het hart die je nog niet eerder hebt gehoord.

De ogen van de lelies zingen alle daarbinnen en de ogen der narcissen aanschouwen alles, ver en dichtbij.

Kijk stil naar hen alle, met de ogen van je hart, tot al je twijfels wegsmelten.

Je zult overlevering zien, wereldse en mystieke waarheden, alle duidelijk gerangschikt naar kennis en detail.

Zoek niet met koude ogen om fouten te vinden, want de rozen zullen veranderen in doornen, terwijl je naar ze kijkt.

Ondankbaarheid is een teken van onwetendheid, want zij die de waarheid kennen zijn dankbaar.

Bron: De Verborgen Rozentuin van Mahmoed Shabistari

WOORD VOORAF DOOR PETER HUIJS

Het leven van Shabistari

Sa’d Ud Din Mahmoed, zoon van Abd Al-Karim uit Shabistari, is de volledige naam van de begenadigde dichter die zevenhonderd jaar geleden, in 1318 ‘De verborgen rozentuin’ of, misschien doeltreffender vertaling, ‘De rozentuin van de mysteriën’ schreef. Een loflied op de liefde, een vurige hymne gericht aan de Geliefde, een meeslepende beschrijving van de eenwording en de weg daar naartoe – en er weer vandaan.

Het leven van Mahmoed bin Abd Al-Karim, zoals hij in zijn omgeving werd genoemd, is vergeten; afgezien van de naam van een leraar, een geleerde en een geliefde leerling zijn er maar weinig levensfeiten van hem bekend. Shabistari is een klein plaatsje dat ligt in de uiterste noordwestelijke punt van Iran, toen nog Perzië, dicht bij de stad Tabriz of Tavrez, de stad die tijdens het leven van de dichter de hoofdstad van Perzië was. Een lieflijke stad op een belangrijke handelsroute, waarvan de dichter Molana zei: ‘O Sarban, ontdoe de kamelen van hun vracht, want Tabriz is in de nabijheid van de Geliefde!’

Zijn leraar is de grote Ibn Arabi, zijn geliefde leerling is niet meer dan een naam die overbleef: Shaik Ibrahim. Ook is bekend dat de soefigeleerde Hawari aan de soefimeesters van Tabriz zeventien vragen stelde over de leer die zij onderwezen: de universele leer van de bevrijding van de geest. Mahmoed kwam met het geniaalste antwoord: zijn Gulshan-i raz, ‘De rozentuin van de mysteriën’, duizend versregels op rijm voor elk van de zeventien vragen.

Het is met de zielen van grote dichters die het universele bezingen altijd hetzelfde. Wat weten we van Lao Zi die de Daodejing schreef, wat weten we van de welbespraakte Egyptische schrijvers van liefdesliederen, of van de dichter van het even extatische Hooglied? Hun levens hebben vrucht gedragen, en hun ziel is opgegaan in hun diepste wens:

‘Zou ik niet geheel en al in u verglijden, als nieteling?’

Deze versregel uit een gedicht van het moderne rozenkruis zou zo een versregel uit een zawiya, een soefigemeenschap, kunnen zijn. Elke waarachtige leerling van de wijsheid, en iedere soefi verliest zijn persoon in de aanblik, het begrijpen en omvatten van de Ene. Mahmoed zal dus tevreden zijn: zijn persoonlijk leven verzonk; in de kronieken van het verleden komt hij slechts sporadisch voor. Zelfs de stad Tabriz telt hem niet onder haar ‘bekende persoonlijkheden’. Wat overbleef is de vrucht, het eeuwige relaas van de mens op zoek, de weg van het verlangen, de vervoering en de eenwording – een mysterie, en een weg van mysteriën.

Wat is er zo bijzonder aan deze innige persoonlijk-onpersoonlijke ontboezeming? Zij is persoonlijk omdat ze het innigste levensgevoel uitdrukt van een mens, die ‘bedwelmd, dronken’ is van vervoering, die oververzadigd is van de wijn van de geestelijke liefde en die bovendien van deze dronk alleen maar meer dorst krijgt – en die toch zijn persoonlijke talent heeft ingezet om dit onuitsprekelijke gebeuren onder woorden te brengen. Zij is onpersoonlijk in die zin, dat ze innerlijke ervaringen omschrijft die iedere waarachtig strevende mens ondergaat. Ervaringen waarnaar zijn hart uitgaat, en die hij steeds opnieuw wil ondergaan – omdat het de sterfelijke mens nu eenmaal niet gegeven is, onafgebroken en alleen maar in de nabijheid van de Ene te verkeren.

De voorbeelden die de soefi-lyriek kent om dit verlangen uit te beelden zijn legio. Het bekendste is wel de rietfluit uit de eerste regels van de Masnavi van Roemi, die klagend zingt over haar heimwee naar het wuivende riet, waarvan zij werd afgesneden. Maar ook zijn er de tortelduif, die treurt om haar verloren maatje, de mot die om de kaarsvlam cirkelt, de sneeuw die in de woestijn smelt om als damp terug te keren naar de wolken of de nachtegaal die smacht naar de roos, waarop zij verliefd is.

In elk van die strofen van De verborgen rozentuin komen eveneens het innerlijke tekort, het grote gemis en het heimwee naar een verloren eenheid aan de orde, die nu eenmaal het lot zijn van de ziel, die met een sterfelijke persoonlijkheid is verbonden. En in ieder hoofdstuk toont de zoon van Abd Al-Karim het onvergelijkelijke geluk dat er tenminste een paar hogere delen van zijn ziel zijn, die kunnen en mogen delen in datgene, wat uit de Ene voortkomt, en ermee één kunnen worden. Want de dichter weet, dat zijn verschijning als die van een bedelaar is, dat zijn levensgang die van een zwerver is en verstoken van geluk, indien hij het gelaat van de Geliefde niet bij voortduring voor zich ziet, en in contemplatie kan verzinken bij elk van de volmaakte facetten – de lip, het oog, de wang, de moedervlek…

Het smachten van de ziel

Het is een geliefd oosters genre, en al zo oud als het Hooglied van Salomo, een lyrische tekst die Mahmoed als diepzinnige soefi zeker spiritueel begrepen zal hebben. En waar Henry Corbin al in zijn L’Imagination Creatrice dans le Soufisme d’Ibn ‘Arabi heeft aangetoond dat het soefisme zekere enkele stevige wortels heeft in de gnosis van Mani – waarvan de belijders na de stormachtige opkomst van Mohammed en zijn vurige volgelingen ondergronds moesten gaan – zou het niet verbazen dat bijvoorbeeld een gnostieke hymne als het Bruiloftskleed van de Wijsheid (in: Hermes Zegenzangen, deel II, verschenen bij Rozekruis Pers, 2012) onze soefischrijver zelfs tot inspiratie heeft gediend. 

In diens streek en trouwens in heel Perzië wist men bruiloft te vieren. Nog diep in de twintigste eeuw vierden zij hun bruiloften in het voorjaar, waarbij de geliefden eeuwenoude tradities volgden die stammen uit de tijden van Zoroaster, van de Groot-Iraanse godsdienst die meer dan tweeëneenhalf duizend jaar geleden begon. En de uiterlijke feesten van nu tonen niettemin voor wie het zien kan duidelijk de sporen van hun spirituele oorsprong. Wervelende feestelijkheden met vrijwel onafgebroken zang en dans duren zeker zeven dagen (soms ook weken), zoals ook het hieros gamos of heilig huwelijk zeven fasen kent. 

Bloedverwanten en vrienden geven nog weken later feesten, paghosah, hetgeen betekent: de weg bereiden. In de mysteriën eertijds betekende dat de paden rechtmaken naar het geestelijk tehuis, tegenwoordig ‘naar de nieuwe woning’. Het is gewoonte om de bruid te overladen met nieuwe kleren, zodat zij geheel nieuw voor de bruidegom zal verschijnen. Zo draagt de ziel een nieuw gewaad, ‘het bruiloftskleed van de wijsheid’, wanneer zij de geest, de bruidegom van het alchemische huwelijk, ontmoet.

Voor het huwelijk zingt de bruidegom, soms samen met de bruiloftsgasten, ter ere van de bruid een lied: een lovende beschrijving van de eigenschappen van de bruid. En zoals de troubadours in het westerse Occitanië de verheven, welhaast goddelijke eigenschappen van hun dame bezongen om het verlangen van de ziel naar de geest uit te kunnen drukken, zo ‘vangt’ Mahmoed de eeuwenoude mystieke leer in een prachtige hymne, waarin net zo goed de hemelse bruid (de ziel) smacht naar de hemelse bruidegom (de geest), als andersom.

De reis van de tekst

De Gulshan-i raz, De verborgen rozentuin, kwam in 1688 naar het Westen met François Bernier, een arts en reiziger die uit de Oriënt terugkeerde. De Duitse geleerde August Tholuck (1799-1877) publiceerde in 1821 eerst enkele fragmenten in zijn Sufismus, maar al in 1825 verscheen een eerste integrale vertaling in zijn boek Blütensammlung aus der morgenlandischen Mystik. In 1880 volgde een Engelse vertaling. De verborgen rozentuin werd evenwel vooral populair door de poëtische vertaling die Florence Lederer met The Secret Rose Garden of Sa’d Ud Din Mahmud Shabistari in 1920 bezorgde. Het is deze vertaling die als basis dient voor onze tekst. Florence Lederer schreef een heldere inleiding, die wij in dit ‘Woord vooraf’ graag, maar niet al te letterlijk, volgen.

‘Als we de in vervoering geschreven poëzie van de soefidichters lezen, is het goed om ons te realiseren dat de aardse symbolen van vurige liefde en schoonheid die zo veelvuldig worden gebruikt er juist toe dienen om de werkelijke bedoeling te verhullen. Zonder twijfel gebeurde dit aanvankelijk om hun mystieke liefde geheim te houden, zodat de platvloerse wereld deze niet zou bespotten, of, wat erger was, hen om hun vurige geloof zouden vervolgen. Maar naarmate de tijd verder ging, kregen sommige begrippen een vaste mystieke betekenis.’

De woorden zijn de woorden niet…

Omhelzingen en kussen zijn de vervoeringen, die de liefde voor de Ene teweegbrengt. Slaap is overdenking en contemplatie. Geuren en parfums verzinnebeelden het verlangen naar verheven gunsten, naar genade. Aanbidders, vereerders of verafgoders zijn de mensen van het ware geloof, niet de afvalligen.

De wijn – door de Profeet verboden voor zijn volgelingen – stond voor spirituele wijsheid en kennis, of voor de leer, en de wijnhandelaar voor de geestelijke leider, de sheik. De herberg of de taveerne is de plaats van ontmoeting, waar de geest de dorst van de pelgrim lest en hij ‘beschonken’ raakt. En als hij opgewekt en vrolijk is, staat dat voor de grote vreugde, zich te verheugen in de liefde van de godheid.

En dan de schoonheid… er zijn geen woorden voor om de glorie, de stralende tegenwoordigheid van de Geliefde te beschrijven. Haarkrullen en lokken verhullen het gelaat, uit mededogen voor de minnaar die bij de aanblik ervan zou verzengen. De kleine moedervlek, een van de zeven schoonheden, ze stelt de absoluut ondeelbare eenheid voor. Met de toorts van liefde, ontstoken in het hart, bezingt de soefidichter haar tot in detail, maar er is geen uiterlijke voorstelling meer, alles is transcendent bedoeld, alles verliest zich in Licht, in morgenrood, in lentedauw, in zachtaardige welgezindheid – in nimmer eindigende, immer transformerende liefde. Wederzijdse liefde wel te verstaan, in Gnosis, wetende liefde, waarin gekend wordt en gekend is, waar God en schepsel niet meer weten – of hoeven te weten – wie de een en wie de ander is. 

Hemelse vervoering, hemelse verbondenheid; God, de schepper zelf is in iedere cel waarin de schepper leven uitstort…De hunkering van de ziel is van alle tijden – en er loopt een rode draad door de wereldliteratuur, die ervan getuigt. Mahmoed Shabistari beschrijft het lyrisch en in vervoering. Vijftienhonderd jaar eerder leert Socrates het in het Symposion van Plato van de wijze vrouw uit Mantineia, net zo geniaal, zij het met wat rustige afstand:

‘Wanneer men door inwijding in de geheimen van Eros – liefde – eenmaal op dit punt is gekomen en verder stijgt tot een steeds juister en helderder beeld en begrip van schoonheid, dan zal men uiteindelijk belanden op een punt waar het mysterie van de ware schoonheid ineens ervaren en doorgrond wordt. En dat inzicht, Socrates, is het uiteindelijke doel van alle inspanning. Daar is alleen het eeuwige zijn; er is geen beweging van geboorte naar dood; nooit wordt iets groter of kleiner; het is niet mooi of lelijk, ook kan het niet vanuit een bepaald standpunt mooi lijken en vanuit een ander lelijk. 

Aan iemand die dat punt van inzicht heeft bereikt zal de ware schoonheid zich niet voordoen als dat gezicht of die paar handen of enig ander lichaamsdeel. Ook niet als de schoonheid van een woord of een gedachte, of als de schoonheid van een bepaalde vorm van kennis, en ook niet als de schoonheid van een ander soort wezen, zoals van een bepaald zoogdier of een vogel of in nog weer een andere gedaante. Nee, op dat punt is de schoonheid eenvormig, eeuwig, en altijd op zichzelf en in zichzelf bestaand. Op dat punt omvat de universele schoonheid alle andere vormen van schoonheid, zodat, terwijl alle andere vormen komen en gaan, zijzelf niet groter of kleiner wordt noch op enigerlei wijze afhankelijk is. 

Wie deze weg gaat en zo door juiste omgang met jonge mensen verfijnt en een glimp begint te ontwaren van die universele schoonheid, is dan dicht genaderd tot de uiteindelijke volmaaktheid. Dit is het juiste pad waarlangs de mens in de geheimen van de liefde kan doordringen of er door een ander naartoe kan worden geleid. Beginnend bij de meest voor de hand liggende vormen van schoonheid zal hij steeds verder moeten stijgen alsof hij een ladder beklimt, stap voor stap, tot hij het geheel van lichamelijke schoonheid overziet. Daarna stapt hij over op de subtiele schoonheid van regelmatige studie. Vandaar voert de weg hem naar de schoonheid van kennis en dan komt hij uiteindelijk terecht bij het zuivere inzicht van schoonheid zelf. Pas dan weet hij wat schoonheid is. Werkelijk waardevol wordt het leven pas voor wie zo leeft!’

En Plotinus verklaarde daarover: ‘We hoeven ons niet te verbazen over het feit dat hetgeen het hoogste verlangen weet te wekken zonder vorm is, en zelfs geen geestelijke vorm meer kent, aangezien de ziel zelf iedere eerdere vorm achter zich laat, wanneer ze door dit liefdevuur getroffen is, tot zelfs de vormen die tot de geestelijke wereld behoren.’

De verborgen rozentuin

Bijzonder proza, rituele teksten of gedichten die uit de inspiratie van verheffing zijn ontstaan, kunnen bij een lezer of toehoorder vaak diezelfde verheffing teweegbrengen, zoals muziek steeds opnieuw kan ontroeren. De klank, de kleur van de taal is dan zo puur en krachtig dat er een intieme, persoonlijke band met de dichter ontstaat. Florence Lederer schrijft: ‘Het is nu meer dan zevenhonderd jaar geleden dat Mahmoed zijn rozen van de mysteriën plantte in zijn verborgen tuin, zijn rozenboeket van liefde, aspiratie, van rede en verlichting. En sindsdien hebben velen zijn tuin bewonderd, de geheime paden bewandeld en de geuren opgesnoven die het hart verheffen en verlichten. Zij plukten de geurende rozen en namen ze mee terug naar de wereld van de schaduwen en de waan. Waar komen toch de onverwelkbare kleuren van deze rozen vandaan? Hoe komen zij aan hun blijvende gracieuze vorm, en hoe kan hun welriekende essence de eeuwen overbruggen?’

Het dichtepos opent met de declaratie van het unieke bestaan van de Ene, het werkelijk zijnde, en aan de andere kant de illusie, de fata morgana die onze wereld nu eenmaal is. Hoe kan de mens tot het levende weten van God komen, dat als een weldadige gloed zijn innerlijk tot aan de rand vervult? Want dat is immers gnosis!

Door het zuivere denken, want: ‘Het denken gaat van vals naar waar.’ Maar het denken, noch de rede kunnen de schijnbare werkelijkheid van de wereld der verschijnselen teniet doen. Wie met zijn rede in het Licht der Lichten kijkt, wordt verblind als Paulus voor Damascus of als een vleermuis door de zon. Zo vormt ervaring op ervaring uiteindelijk een bewustzijn van de eigen nietswaardigheid. En vanuit dat paradoxaal wonderheerlijke punt, waarop ook alle last en zwaarte van onze schouders vallen, kan de minnaar iets van het Licht van de geest ontwaren. Allereerst met het hart, dat door die loutering alle besef van gescheidenheid heeft losgelaten. En vervolgens zal het eertijds zo kille verstand zich neigen naar het mild, rein en welwillend geworden hart, en opent zich een innerlijke eigenschap, een waarnemen van het gebied van de geest. En wat zich daarin weerspiegelt… Ontelbaar, en onbeschrijflijk schoon zijn de myriaden attributen die het Zijnde weerspiegelen. Zegt Roemi niet in zijn Masnavi: ‘Toen de Profeet de rook had doen ophouden, die opstijgt van de vuren van de menselijke passie, zag hij, waarheen hij zich ook wendde, het gelaat van Allah.’

Ja, ieder atoom zal in zijn niet-meer-zijn altijd het een of andere goddelijke attribuut onthullen:

‘Ieder atoom verhult achter zijn sluier de zielsverrukkende schoonheid van het gelaat van de Geliefde.’ [De verborgen rozentuin, p. 73] En elk van deze atomen hunkert ernaar zich weer met de bron te verenigen.

De reis naar de Geliefde kent slechts twee etappes: sterven naar het eigen zelf en opgaan in de waarheid. Wanneer het lager zelf naar zijn dwingende heerschappij sterft, verrijst de ware mens en doet hij de overheersing van de wet teniet. De twee etappes – de reis naar God en de reis in God – vormen een volmaakte cirkel en wie die cirkel weet te sluiten, is de volmaakte mens.

De mens komt in deze wereld en is van meet af aan afhankelijk van zijn begeerte-aard, en wordt erdoor bepaald. Zover hij daaraan toegeeft, is zijn ziel verloren. Maar in iedere ziel is ook een neigen naar God en een verlangen naar zuiverheid, naar heiliging. Als hij zich wegschenkt aan deze neiging gaat er een verheven Licht in en over hem op; hij zal als de verloren zoon omkeren en zich op weg begeven naar de Ene. Op die weg verliest hij zijn lager zelf en zal hij geest en waarheid ontmoeten, en daarin verglijden. Ziedaar de bewustzijnsstaat van de geheiligden en de profeten.

Maar het is de mens niet gegeven in die verheven toestand van gelukzalige eenheid te blijven. Hij is gehouden terug te keren naar de wereld van de onwerkelijkheid, en op die weg terug dient hij zich te houden aan de gewone wetten en bepalingen van de mensen. En alles wat hij, onder dat juk, voor het nieuwe leven onderneemt, zal in de komende wereld, de wereld van de geest, verkeren in vergeestelijkte eigenschappen en in een vergeestelijkt lichaam, waarin het streven van het voorbije leven geheel juist zal zijn weergegeven. Op die weg gaat niets verloren! Het platte materiële idee van een paradijs en dienende houris of maagden zal loze praat blijken te zijn; voor de zuivere wil zijn alle beperkingen of onderscheidingen ‘te eng, te benauwd’. In die gezindheid drinken de soefi’s de beker van de vereniging met de Ene. Daarin ligt de hoop van de soefi, maar de zoete verrukking van deze dronk wordt in onze wereld steeds betaald met de hoofdpijn van het gescheiden zijn.

De rozenboom van schoonheid in het midden van de tuin

Overal in zijn tuin heeft Mahmoed zijn rozen van rede, schoonheid, geloof, kennis en Gnosis geplant; zij bloeien alom, stralend van schoonheid in hun levende kleuren van waarheid en zuiverheid. Maar het is in het midden van de tuin dat we de rozenboom van onvergelijkbare schoonheid vinden, wiegend en tintelend met de prille bloesems van toewijding en liefde. Dit is de boom die Mahmoed eerde met al de aspiratie van zijn hart – de beschrijving van het volmaakte gelaat van de Geliefde. Daar, op die plaats, staan we als in vervoering, en in de mystieke stilte horen we de stem van hem, die eens, lang geleden, deze boom vol rozen plantte:

‘Zie slechts de Ene, spreek slechts het Ene, ken slechts de Ene.’

Haarlem, maart 2012 Peter Huijs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *