Het grote heimwee is als een nevel, gedeelte uit het boek van Mirdad, hoofdstuk 31

Het grote heimwee is als een nevel. Uitgaande van het hart sluit het het hart buiten zoals een nevel, uitgaande van land en zee, zowel de zee als het land uitwist. En zoals de nevel het oog berooft van de zichtbare werkelijkheid en zicht tot de enige werkelijkheid maakt, onderwerpt dit heimwee de gevoelens van het hart en maakt zich tot een alles overheersend gevoel. En hoewel schijnbaar even vormloos, blind en doelloos als de nevel, is het toch evenals de nevel, vervuld van ongeboren vormen, daarbij helder van gezicht en heeft het een zeer bepaald doel.

Het grote heimwee is ook als een koorts. Zoals koorts, door het lichaam te verhitten, de vitaliteit ervan verzwakt maar tevens de gifstoffen in het lichaam doet verbranden, zo verzwakt dit heimwee, dat uit een innerlijk conflict in het hart wordt geboren, het hart, maar tevens verteert het de droesem ervan en alles wat overbodig is.

De mens met het grote heimwee heeft geen lievelingswiel om te rollen. Te midden van een wereld die gespannen en jachtig bezig is, is hij alleen zonder bezigheid en zonder haast. Bij een mensheid zo keurig van kledij, van taal en van manieren, voelt hij zich als naakt, onbeholpen en een hakkelaar.

Hij kan niet lachen met de lachers, niet wenen met de wenenden. De mensen eten en drinken en hebben plezier in het eten en drinken. Hij eet zonder dat zijn tong gestreeld wordt en zijn drinken smaakt hem flauw.

Anderen leven in paren of proberen zich in paren te verenigen. Hij  loopt alleen, slaapt alleen en droomt zijn dromen alleen. Anderen zijn rijk aan werelds vernuft en wereldse wijsheid; hij alleen is dom en onwijs. Anderen hebben gezellige hoekjes die zij hun tehuis noemen; hij alleen is zonder tehuis. Anderen hebben bepaalde plaatsen op aarde die zij vaderland noemen en waarvan zij met luide stem de roem verkondigen; hij alleen heeft geen plaats om te bezingen en haar zijn vaderland te noemen. Want het oog van zijn hart is op de andere oever gericht…”

Bron: Het Boek van Mirdad van Mikhail Naimy, hoofdstuk 31

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *