3 van 10 Christianopolis – het onderzoek naar de levensopvatting en het zedelijk gedrag van de neofiet

 

BESTEL CHRISTIANOPOLIS

Via de bovenstaande audiospeler is het derde hoofdstuk van het boek Christianopolis van Johann Valentin Andreae (fakkeldrager van het Rozenkruis 8) uit 1619 te beluisteren. Het is één van de utopische boeken uit de Renaissance. Hieronder volgen de tekst van hoofdstuk 3 en de beschouwing daarover van J. van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) .

SPIRITUELE TEKST 3

Het onderzoek naar de levensopvatting en het zedelijk gedrag van de neofiet

Toen wij de oostelijke poort genaderd waren, stelde mijn metgezel mij voor aan het hoofd van de dagwacht. Deze begroette mij hoffelijk en vroeg wat ik wenste. ‘Zeer veel’, zei ik, ‘daar ik, zoals ge ziet, schipbreuk geleden heb. Maar nu ik hier God zelf schijn ontmoet te hebben, waarom zou ik dan niet ruimschoots naar datgene gaan zoeken, waaraan het mij mijn gehele leven ontbroken heeft?’

Het hoofd van de wacht glimlachte en vriendelijk gaf hij mij de raad, aangezien dit eiland niets onwelvoeglijks had, niet te beproeven een dergenen te zijn die de inwoners niet bij zich zouden dulden, maar terug zouden zenden naar de plaats vanwaar ze gekomen waren, als daar zijn: bedelaars, kwakzalvers, toneelspelers, die te veel vrije tijd hebben, bemoeizieke mensen, die zich nodeloos druk maken over allerlei buitenissigheden, dwepers, die het ware begrip van vroomheid missen, gifmengers, die de wetenschap der chemie te gronde richten, bedriegers, die zichzelf valselijk Broeders van het Rozenkruis noemen en anderen, die wetenschap en ware beschaving bezoedelen, wie deze stad nooit opgehouden heeft te wantrouwen.

Nadat ik mijzelf gezuiverd had door een getuigenis van mijn diepste weten en met vele woorden mij plechtig verbonden had al mijn krachten in dienst van waarheid en gerechtigheid te zullen stellen, zei hij: ‘Er is nu geen reden meer, waarom gij niet van onze bezittingen zoudt mogen genieten en, wat van veel groter belang is, van ons zelf.’

Zo sprekende greep hij mijn hand, bracht mij in het huis van een der wachters, dat niet ver af was en verfriste mij met smakelijke spijzen en dranken.

BESCHOUWING 3

 

Het onderzoek naar de levensopvatting en het zedelijk gedrag van de neofiet

De neofiet die de stad der mysteriën, Christianopolis, wil binnengaan, kan haar slechts naderen door de oostelijke poort, en, alvorens met gejuich en met open armen te worden ontvangen, dient hij zich te onderwerpen aan een drievoudig onderzoek. Mocht het resultaat van dat onderzoek onbevredigend zijn, dan wordt hij onvermijdelijk teruggewezen.

U wilt er wel nota van nemen, dat, hoewel de correctheid en de hoffelijkheid waarmede iedereen in de Mysterieschool behandeld wordt, een hoge toets van beschaving kunnen weerstaan, zonder enig pardon jegens iedere kandidaat een grote reserve in acht wordt genomen.

In de loop der eeuwen met schade en schande, met lijden en verdriet, wijs geworden, nemen de hiërofanten der mysteriën geen enkel risico. Het grote zelfoffer in dienst van de Christus door de Broeders van het Rozenkruis gebracht, hun liefdedaad en hun onpersoonlijk streven worden niet gedemonstreerd volgens de methode van de blinde godin Fortuna, doch zeer intelligent en efficiënt wordt ieder lichtstraaltje op de juiste wijze aangewend.

Denk niet dat men zich in de Mysterieschool laat bedriegen door mystieke gezichten, met of zonder tranen, door gevouwen handen, hartstochtelijk gesproken beloften en vrome taal. Men is in de Mysterieschool in de aanvang als een rots, als een staalharde hoge muur, begrijpt u, niet in het minst opgevrolijkt met bijbelteksten.

Ge kunt deze muur slechts stuk slaan, als ge de Mozaïsche staf bezit. Dan kunt ge de rotsen splijten, zodat het levende water er uit te voorschijn breekt. Mogelijk zult ge in eigen ogen volstrekt aanvaardbaar zijn, maar de praktijk is soms geheel anders. Veel verdriet en veel moeilijkheden, veel verspilde energie en ook veel beproevingen zouden voorkomen kunnen worden, indien ieder zich op de hoogte wilde stellen van de wetten der mysteriën.

Over deze wetten gaan wij schrijven. Laat ons u allereerst eens inlichten over een der werkmethoden van het Rozenkruis. Door de Mysterieschool worden naar alle delen van de wereld werkers uitgezonden, die, te midden der versterving, hun roepstemmen doen weerklinken, hun acties ontplooien, met meer of minder succes. Dat is geen gemakkelijk werk want deze werkers hebben vele concurrenten die doen als zij, doch met geheel andere oogmerken.

Men zou zeer goed de ware van de onware arbeiders kunnen onderscheiden, doch wie heeft voldoende onderscheidingsvermogen? En wie wil daar de tijd voor nemen? Men is over het algemeen geneigd naar degenen te luisteren die een weg wijzen in overeenstemming met de primitieve levenswaarden van onze tijd. Daarom is de arbeid der voorposten van het Rozenkruis een werk dat zich veel gemakkelijker laat theoretiseren dan concretiseren. Het is een arbeid die veel verdriet kost.

De bedoeling van dit werk is echter overduidelijk. Wanneer de werkers erin slagen enige belangstelling op te wekken, enige belangstellenden om zich heen weten te trekken, dan is hun werk niet voleind, doch dan begint het pas. Deze belangstellenden zijn namelijk niet allen van dezelfde kwaliteit en zij zijn niet allen met dezelfde motieven bezield.

De werker moet het nu ondernemen, zijn neofieten te stuwen tot de oostelijke poort der Mysterieschool. Op reis daarheen maakt hij hen bekend met de drievoudige voorwaarde, die in een vorig hoofdstuk uiteengezet is, namelijk het bezit van een onpartijdig oog, een beheerste tong en een gepaste houding.

Wanneer de leraar deze drievoudige voorwaarde bekend maakt, dan klinkt als antwoord: ‘Wel, natuurlijk!’ Doch u liegt. U liegt òf bewust, òf vanwege uw enthousiasme, want u hébt geen onpartijdig oog. Uit uw oog straalt de kwaliteit van uw begeertenatuur. En u hébt geen beheerste tong; uw tong getuigt van uw zelfhandhaving en derhalve is uw houding hoogst ongepast.

Als we het bewust liegen voorlopig buiten beschouwing laten, moet het ons toch duidelijk zijn, dat we met een hoerastemming niet ver komen in het leven, en geen millimeter in de Mysterieschool. En het moet ons duidelijk zijn, dat de reiniging van onze persoonlijkheid, stoffelijk, moreel en geestelijk, een proces is dat men niet in veertien dagen tot stand brengt, en dat het welslagen daarvan zeer afhankelijk is van de wijze waarop wij het proces aanvangen.

Wanneer we, met hoop op welslagen, een onpartijdig oog, een beheerste tong en een gepaste houding willen bezitten, dan moeten wij uitgaan van een juiste levensopvatting en een juist zedelijk gedrag. Wat daarmee in de Rozenkruisers-wijsbegeerte wordt bedoeld, willen wij u trachten te verklaren.

Ge moet er dan op letten, dat het binnenkomen door de oostelijke poort betrekking heeft op een nieuwe geboorte, en naar de zin van iedere geboorte weten wij, dat deze wording het resultaat is van een vóórontwikkeling.

Het proces vangt aan als Johann Valentijn Andreae in een schip stapt, dat het teken Cancer als vlag voert, het symbool van de voet van het kruis. Alleen door het aanvaarden van het kruis, met alle consequenties daaraan verbonden, is het mogelijk de oostelijke poort, de ascendant der geboorte, binnen te gaan.

De kwaliteit van ons kruis aanvaarden, de mate van het innerlijk weten wat Christus Jezus in ons leven betekent, bepaalt, of wij door de poortwachter met blijdschap worden ontvangen, dan wel terug zullen worden gezonden. Wij behoeven niet te beproeven een dergenen te zijn die de Broeders van het Rozenkruis niet bij zich zouden dulden. Lastige zin, ik begrijp niet wat er bedoeld wordt. Klopt het woord ‘beproeven’ hier wel? Ons succes zou nihil zijn.

Tallozen zijn er die, zonder het teken Cancer in hun bloed, de oostelijke poort trachten te passeren. Johann Valentijn Andreae noemt hen bij name; het zijn:

‘de bedelaars, kwakzalvers, toneelspelers, die te veel vrije tijd hebben, bemoeizieke mensen, die zich nodeloos druk maken over allerlei buitenissigheden, dwepers die het ware begrip van vroomheid missen, gifmengers, die de wetenschap der chemie te gronde richten, bedriegers, die zichzelf valselijk Broeders van het Rozenkruis noemen, en anderen die de wetenschap en ware beschaving bezoedelen.’

Bij het lezen van dit lijstje zult u maar al te zeer geneigd zijn te denken: ja, die mensen ken ik. Wij kennen hen ook en wij zullen hun eigenschappen voor u beschrijven.

Daar zijn dan de bedelaars. Het zijn de mensen, die, in morele en geestelijke lompen gehuld, stinkend van smerigheid, zich bij de oostelijke poort aanmelden. Het zijn de mensen die nog nimmer maar enige moeite hebben genomen, zich moreel en geestelijk te regenereren en die nu om hulp komen vragen. Wij bedoelen hier niet de paupers van onze samenleving, die door onze cultuurverhoudingen uitgestoten zijn, maar allen die de wet van hun menszijn vertrappen en die, zonder enige zielekwaliteit, zonder enige offerbereidheid, zonder enige mensenliefde, steun vragen voor de instandhouding van hun verwording.

Het zijn de bloedzuigers, die in eigen zielearmoede komen parasiteren op het zielebloed van anderen. Wanneer ze hun slachtoffers, die in medelijdende offerbereidheid zich laten gebruiken, hebben leeggezogen, tonen ze enige tijd met hun gestolen goed een schijn van blijheid, een schijn van evenwicht, een schijn van christelijke geloofsverzekerdheid.

Maar als het gestolen goed verteerd is en de grote honger zich weer gelden doet, komen ze terug: ‘Ik gevoel me toch weer zo beroerd, zo helemaal leeg. Mag ik weer even bij u komen praten en mijn zuignappen op uw geestelijke hart zetten? Ik had zo gedacht, u kunt me wel helpen!’

Kent u deze bedelaars? Die, krachtens een natuurwet, steeds groter honger krijgen, steeds gevaarlijk worden? Kent u deze vampiers? De Mysterieschool wijst hen terug van de oostelijke poort. Met een stralende, maar onbegrepen liefde worden ze weggejaagd, steeds weer opnieuw, om door het werkelijke leven met zijn onafwendbare eisen te worden doodgeslagen, opdat ze in Christus’ kracht het gouden graan in eigen wezen zullen zaaien tot een rantsoen voor velen.

De Broeders van het Rozenkruis zijn wel bereid tot een zelfoffer, volkomen en volstrekt. Maar ze zijn niet dwaas. Hun gaven aan deze bedelaars maakt van deze parasieten geen mensen. Een bedelaar blijft bedelaar, totdat hij met een gil ondergaat in zijn lompengraf. Dat is de wet van het christendom.

En daar zijn de kwakzalvers. Ge weet, een kwakzalver is een pseudo-genezer. Naar de bedoeling van Johann Valentijn Andreae worden hier de mensen aangeduid die met pseudo-geneesmethoden onze arme en zieke wereld willen helpen. Het zijn mensen die alle wegen willen bewandelen, die bereid zijn in alle schepen te stappen, behalve in die, welke het teken Cancer als vlag voeren. Het zijn de mensen der eigenwillige godsdienstigheid, der eigenwillige methodiek, die het kruis een dwaasheid vinden. Het zijn de mensen die bruggen willen bouwen over de verwording, zonder de verwording zelf aan te tasten; de mensen die genezen willen zonder het ene en volstrekte geneesmiddel, zonder hét panacee voor der mensheid diepste smart.

Dergelijke kwakzalvers kunnen zeer humaan zijn, zeer bewogen met het lot hunner medemensen, en ook zeer ijverig doende met allerlei humanitaire praktijken, doch zulk een mens kan nimmer een magiër zijn. Een magiër loutert de mens met de in deze wereld elkaar vijandige elementen vuur en water, het vuur van de Heilige Geest en het levende water van Christus. Daarom wordt de kwakzalver aan de oostelijke poort afgewezen.

En zie, daar komen de toneelspelers met groot vertoon zich melden. Waren ze maar bedelaars, die de honger van hun ‘niets’ voelen knagen aan de kameren van hun wezen! Waren ze maar kwakzalvers, die dan toch maar op enige wijze arbeid produceren! Maar ze zijn noch bedelaar, noch kwakzalver. Ze zijn niets. Ze zijn alleen maar vertoning, schimmen van mensen, hopeloze onbenulligheid! Waren ze maar verraders en strijders van de zwarte horde, ze zouden dan althans enige positiviteit tonen! Doch hier betreft het degenen, van wie de Ziener van Patmos zei: ‘Omdat ge lauw zijt en noch heet, noch koud, zal ik u uitspuwen uit mijn mond!’ (Openbaring 3:16).

Het zijn de mensen die er op de een of andere wijze in geslaagd zijn, anderen te laten deelnemen aan het grote productieproces en de arbeid in deze wereld, en die nu op deze arbeid parasiteren. Het zijn de vrouwen die, gebontjast, met koek en bonbons, met roddel, mooie meubeltjes, bridge en een echtgenoot met duiten, huwelijksprostitutie bedrijven in hun villa’s en die ook wat aan occultisme willen doen. Het gaat er maar om, u te doen inzien wat met dit toneelspelen bedoeld wordt. En waarom dezulken niet de oostelijke poort binnen kunnen gaan!

En daar zijn de bemoeizieken, die zich nodeloos druk maken over allerlei buitenissigheden; over dingen en waarden die niet essentieel zijn, niet van primair belang. De mensen, die ontwikkelingsprocessen verstoren door hun speciale hobby en die, door gebrek aan kennis terzake van het ene nodige, al hun energie aanwenden voor wat zij belangrijk vinden. Het zijn zij, die zich met alles bemoeien behalve met zichzelf; zij, wier energie wordt geactiveerd als zij ontdekken dat anderen in enig opzicht falen. De splinter in het oog van de ander staat echter in geen verhouding tot de balk in het eigen oog! Aan de rij van gestalten die zich verdringen voor de oostelijke poort komt schier geen eind.

Daar zijn de dwepers, die het ware begrip van vroomheid missen. Kent u de mensen die met verdraaide gloeiende ogen dwepen met de Rozenkruisers-filosofie, die steeds maar praten over die heerlijke leringen, zonder enig begrip van vroomheid, van ware devotie? Kent u hen, die mensen tot voorwerp van hun dweepzucht maken? Kent u de mensen die in de heiligste stilte hun krakende stemmen verheffen, en die de serene sfeer verscheuren met hun huilende dweperijen? Hoeveel mannen en vrouwen zijn door dweepzucht verminkt?

Ware vroomheid weet van stil zijn, ware vroomheid weet van bescheidenheid, ware vroomheid kent zichzelf, terwijl dweepzucht seksualiteit is, onbevredigd liefdesverlangen. We dienen te weten, dat vroomheid liefdesbeléven is en aan zichzelf genoeg heeft.

Als we de troosteloze groep overzien die Andreae ons schetst, dan weten we, dat er ook gifmengers moeten zijn, die de ware alchemie, dat is: het vrij en bewust maken van alle latente vermogens, te gronde richten,

Dan weten wij, dat er natuurlijk ook andere bedriegers zijn, die zich valselijk als Rozenkruisers bekend maken. Dan weten wij, dat er een onafzienbare drom is van mensen, die de wetenschap en de beschaving bezoedelen met hun perfide praktijken. En dan weten wij, zo zeker als wij ons bewust zijn te leven, dat geen dezer mensen een nieuwe geboorte kan beleven in de geheel veranderde status der Mysterieschool, de heilige stad Christianopolis.

Alleen zij, die zich van al deze negaties gezuiverd hebben, door een klaar bewijs terzake van levensopvatting en zedelijk gedrag, zij kunnen uit de geboortegrot van de oostelijke poort oprijzen, als een kind der regeneratie. Als een kind, nog niet volkomen, nog zeer zwak, maar dan toch als een nieuw geesteswezen, waarin alle voorwaarden tot groei aanwezig zijn.

Wanneer de neofiet zich zo zal weten voor te bereiden, dan wordt hij ontvangen door de Bewaker van het Heiligdom, die met blijdschap spreekt: ‘Er is geen reden meer, waarom gij niet van de weldaad onzer bezittingen zoudt mogen genieten.’

Zo sprekende neemt hij de neofiet bij de hand, brengt hem in het huis van een der wachters, en verfrist hem met spijzen en dranken, die een eeuwige zalige vrede in zijn hart doen neerdalen.

 

BESTEL CHRISTIANOPOLIS

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

  1. Het eiland Caphar Salama
  2. Het ontstaan van Christianopolis
  3. Het onderzoek naar de levensopvatting en het zedelijk gedrag van de neofiet
  4. Het onderzoek naar de persoonlijkheid van de neofiet
  5. Het onderzoek naar de persoonlijke beschaving van de neofiet
  6. Beschrijving van de stad der magiërs
  7. De stad der mysteriën (I) 
  8. De stad der mysteriën (II)
  9. Magische architectuur
  10. Nadere inlichtingen over de stad der mysteriën

Bron: Christianopolis, J. van Rijckenborgh

BESTEL CHRISTIANOPOLIS

LEES OVER DE BOVENSTAANDE UTOPIEËN UIT DE RENAISSANCE