4 van 10 Christianopolis – het onderzoek naar de persoonlijkheid van de neofiet

 

BESTEL CHRISTIANOPOLIS, TIJDELIJK VAN € 13,50 VOOR € 7,00

Via de bovenstaande audiospeler is het vierde hoofdstuk van het boek Christianopolis van Johann Valentin Andreae (fakkeldrager van het Rozenkruis 8) uit 1619 te beluisteren. Het is één van de utopische boeken uit de Renaissance. Hieronder volgen de tekst van hoofdstuk 4 en de beschouwing daarover van J. van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) .

SPIRITUELE TEKST 4

Het onderzoek naar de persoonlijkheid van de neofiet

Nadat ik andere, in het geheel niet opvallende, maar gemakkelijk en prettig zittende kleding had aangetrokken, gaf hij mij over aan enkele begeleiders, die mij meenamen naar de tweede ondervrager. Deze man scheen geboren te zijn om iemand zijn meest innerlijke en intieme gedachten te doen uitspreken. Zeer vriendelijk beantwoordde hij mijn groet en stelde mij verschillende belangstellende vragen, terwijl hij nauwkeurig mijn houding en gelaatstrekken gadesloeg. Meer glimlachend dan ernstig informeerde hij als terloops naar mijn geboorteland, leeftijd, ouderdom en leefwijze.

Nadat enige beleefdheden gewisseld waren, zei hij: ‘Mijn vriend, ge zijt zonder twijfel door Gods leiding hier gekomen, opdat ge zoudt leren of het noodzakelijk is kwaad te doen en te leven naar de zeden der barbaren. Dat dit niet het geval is, zullen we u nog deze dag bewijzen, zoals we het eenmaal aan alle mensen zullen laten zien. Met des te meer vreugde zullen we dit doen, daar uw aard en uw lot zich hiertoe uitstekend lenen en ge een hart bezit dat voor beide invloeden openstaat. Als God u inderdaad leidt, zodat ge vrij zijt van de lagere begeerten, dan twijfelen wij er niet aan, dat ge reeds tot de onzen behoort en ook voor altijd zult blijven.’

Zo sprekende, bestudeerde hij, naar het scheen, zo grondig de kalmte van mijn wezen, de uitdrukking van mijn gelaat, de nauwgezetheid van mijn betoog, de rustige blik van mijn ogen, ja mijn gehele houding, dat het mij voorkwam alsof hij mijn diepste gedachten kon peilen. Maar hij deed dit op zo minzame wijze, dat ik hem niets kon verbergen, en met zulk een hoogachting, dat ik het gevoel had hem alles te kunnen toevertrouwen.

Toen mijn ziel aldus geheel bloot gelegd was en hij op het laatst iets over de wetenschap had opgemerkt, zei hij: ‘Mijn vriend, ge zult het wel willen verontschuldigen, dat ik mij op zulk een onwetenschappelijke wijze met u heb onderhouden. Weest niet ontmoedigd want in onze gemeenschap zult ge in ruime mate mensen vinden die terdege in wetenschap en cultuur onderlegd zijn.’ Terzelfder tijd gaf hij aan een ondergeschikte de opdracht mij naar een derde examinator te begeleiden.

Toen gaf hij mij de hand ten afscheid, mij op het hart drukkende, vol vertrouwen te zijn. Maar ik dacht bij mijzelf ‘De hemel sta mij bij! Als zij dit nog maar een onwetenschappelijk onderhoud noemen, wat staat er mij dan nog te wachten?’

BESCHOUWING 4

 

Het onderzoek naar de persoonlijkheid van de neofiet

Er is reeds meermalen voor de leerlingen van het Rozenkruis betoogd, dat de Mysterieschool zich te midden van een krachtveld bevindt. Het krachtveld is zo groot als de Mysterieschool sterk is en de actieradius van het Rozenkruis neemt dus toe, naarmate meerdere geschikte werkers tot de kern der mysteriën kunnen worden toegelaten.

Wanneer een mens geen bevrediging vindt in de wielingen van het wereldse leven, en de exoterische godsdienstigheid, wetenschap en kunst geen bekoring meer voor hem bezitten, hem geen troost meer kunnen verlenen te midden van de wrede teisteringen zijner aardse gebondenheid; wanneer hij zóver komt, dat hij als verteerd wordt door een schier wanhopig verlangen, een intens heimwee naar werkelijk leven, dat hij werkelijk gaat zoeken met al de kracht die in hem is, dan is het zeker, dat hij in aanraking komt met het krachtveld der Mysterieschool.

Deze mens wordt zich bewust, zij het wellicht dróómbewust, van een geheel nieuw milieu van levenswerkelijkheid. Een fijn straaltje licht boort zich door de inktzwarte nacht van zijn bestaan en treft zijn hart, verbindt zich met zijn wezen en trekt hem voort tot een nog ongekend doel. Zijn gang is sedert dat moment zeer wonderlijk, zijn weg schijnbaar bijzonder grillig, het licht dat hem getroffen heeft sleurt hem door de heftig bewogen golven der levenszee.

Verdrinken daarin is zeer wel mogelijk, doch wanneer hij het teken Cancer in de top van de mast voert, dat wil zeggen wanneer hij zich aan de voet van het kruis plaatst en zich verbindt met het hartebloed van Christus Jezus, onze Heer, bereid is zijn bevel op te volgen: ‘Ga heen, verkoop al wat ge hebt en volg Mij,’ dan is het zeker dat hij aankomt op Caphar Salama; dat hij doordringt tot de kernrand der Mysterieschool.

Daar wordt hij ontvangen door de Bewaker van het Heiligdom en vangt een meervoudig onderzoek aan naar zijn geschiktheid, want alleen volwaardigen kunnen toegelaten worden, gezien het doel der mysteriën. Op weg naar de oostelijke poort van Christianopolis ­ een oostelijke poort, een ascendant, omdat de binnenkomst in de Heilige Stad dient te worden gezien als een nieuwe geboorte in de lichtende klaarte ener nieuwe Godsrealiteit ­ verklaart de hiërofant hem dat niemand binnen kan gaan zonder een onpartijdig oog, een beheerste tong en een gepaste houding, en we hebben reeds in een vorig hoofdstuk overwogen, wat daarmede bedoeld wordt.

Bij de oostelijke poort aangekomen zijnde, wordt hij ontvangen door de poortwachter, die een onderzoek instelt naar zijn levensopvatting en zijn zedelijk gedrag alvorens hem binnen te laten. Ook hierover hebben we geschreven, en gezien dat hier sprake was van een zeer ernstige toets, die iedere neofiet met grote onrust dient te vervullen.

Johann Valentijn Andreae ontwikkelt hier dezelfde idee als in De Alchemische Bruiloft. Als Christiaan Rozenkruis de uitnodiging ontvangt op de bruiloft te verschijnen, een uitnodiging waarop hij zo lang en zo vurig had gewacht en gehoopt, komt hij tot de ontdekking, wanneer hij van de aard der uitnodiging kennis neemt, dat het hier geen vrolijke en blijde gang betreft, doch dat hij ten oordeel wordt geroepen.

Nadat het eerste onderzoek bevredigend is gebleken, wordt de neofiet de poort binnengelaten en gevoerd naar een huis, waar men hem verfrist en spijzigt. Iets van zijn levenshonger wordt gestild en men verschaft hem nieuwe, niet opvallende, maar gemakkelijke en prettig zittende kleding.

Waarschijnlijk zult ge deze gesluierde taal verstaan. Onze voertuigen vormen het gewaad van de geest. Voor het merendeel is dit gewaad, door ons overtreden der levenswetten, zeer onvolkomen, zeer onesthetisch, zeer geschonden. Doch als de oostelijke poort van het krachtveld-centrum geopend wordt, zal ons andere kleding worden verschaft, geheel in overeenstemming met de mogelijkheden die we in ons zelf tot ontwikkeling hebben gebracht. Deze kleding zal ons niet knellen als een dwangbuis, doch ons in staat stellen tot een grotere vrijheid. En let er op, deze nieuwe kleding is niet in het minst opvallend, niet het resultaat van een esoterisch schoonheidsinstituut.

Zover gekomen zijnde vangt een tweede onderzoek aan. De neofiet wordt geleid naar een volgende ondervrager. Andreae zegt van hem:

‘Deze man scheen geboren te zijn om iemand zijn meest innerlijke en intiemste gedachten te doen uitspreken. Zeer vriendelijk beantwoordde hij mijn groet en stelde mij verschillende belangstellende vragen, terwijl hij nauwkeurig mijn houding en gelaatstrekken gadesloeg. Hij informeerde als terloops naar mijn geboorteland, leeftijd, ouderdom en leefwijze.’

Vrij simpel, vindt u niet? Zoiets van: ‘Mag ik uw pas even zien?’ Deze vragen zijn evenwel zo eenvoudig niet als ze op het oog schijnen. Wat is uw geboorteland? Denk u in dat deze vraag aan u gesteld zou worden op de drempel van Christianopolis. Dan zoudt ge begrijpen dat u gevraagd werd te verklaren de grond waarop u aanving met uw tocht naar het krachtveldcentrum der Mysterieschool. Men zou op deze vraag dan bijvoorbeeld als volgt kunnen antwoorden: ‘Een vriend kwam bij me en zei, je moet toch eens meegaan naar het Rozenkruisers Genootschap. ’t Is er zo interessant, zo heel anders. Je hebt er heus wel wat aan. Nu, toen ben ik gegaan en ben er gebleven, zoals u ziet. Het was wel niet helemaal zo als mijn vriend had gezegd, maar ja, je moet ook wat kunnen verdragen.’

Een ander zou zeggen: ‘Ik heb gereageerd op een advertentie en verder onderzoekende heb ik ontdekt, dat de westerse wijsheidsleringen van superieur gehalte zijn.’ Maar zeer weinigen zouden hun geboorteland verklaren als een intens, hartstochtelijk verlangen naar licht, als een smartelijke bede om kracht, teneinde geslagen mensenzielen te kunnen bijstaan in hun diepe nood.

Wat is uw leeftijd? Hoelang hebt u geleefd in de dingen die des Vaders zijn? Hoeveel tijd hebt u afgestaan voor het bevestigen van het Koninkrijk Gods in deze wereld? Want, let er op, uw eigenlijke leven als kind van Gods geslacht begint eerst dan, wanneer ge uw ineigen roeping gaat verstaan en beleven in deze wereld. Hoeveel tijd geeft u aan dat wat eeuwig is? Hebt ge reeds in deze zin enige leeftijd? Als we géén leeftijd hebben in deze nieuwe orde, wat zouden wij dan moeten doen in Christianopolis?

Wat is uw leefwijze? Uw leefwijze naar de oude en de nieuwe vorm? Begrijpt u dat deze vraag een zeer diepe grond heeft? Dat uw antwoord daarop van groot belang is? Dat de onderzoeker derhalve met grote nauwkeurigheid uw houding en gelaatstrekken zal bestuderen bij het beantwoorden dezer vragen? Daarom spreekt de hiërofant tot de neofiet:

‘Mijn vriend, ge zijt zonder twijfel door Gods leiding hier gekomen, opdat ge zoudt leren of het noodzakelijk is kwaad te doen en te leven naar de zeden der barbaren. Dat dit niet het geval is, zullen wij u nog deze dag bewijzen, zoals we het eenmaal alle mensen zullen laten zien. Met des te meer vreugde zullen wij dit doen, daar uw aard en uw lot zich hiertoe uitstekend lenen en ge een hart bezit, dat voor beide invloeden openstaat. Als God u inderdaad leidt, zodat ge vrij zijt van de lagere begeerten, dan twijfelen wij er niet aan, dat ge reeds tot de onze behoort en ook voor altijd zult blijven.’

Velen die het Rozenkruis naderen met waarachtige openheid van geest en hart, zijn zeer ongerust. Zij gevoelen en kennen de gespletenheid in hun leven, zij weten dat hun leeftijd in magische zin nog maar zéér, zéér gering is, terwijl zij, naar de wereld begrepen, zéér, zéér oud zijn. Als geroepenen des Heren liggen ze terneer in hun kribben, onsamenhangende klanken voortbrengend. Naar de maatstaven der barbaren zijn zij zeer geraffineerd en wel ter tale.

Kent u die gespletenheid en de grote droefheid daaraan verbonden? Wordt u niet dagelijks verplicht twee heren te dienen, God en het zwarte gevloekte? De ware leerling van het Rozenkruis weet, dat hij dagelijks kwaad doet en leeft naar de zeden der barbaren in het loden wambuis der gewenning. Gaat er niet dagelijks een zwaard door uw ziel, als ge de vreselijkheden en monsterachtige daden dezer wereld mede ondergaat, in het zekere weten dat ge mede verantwoordelijk zijt? Is er daarom bij u ook niet die zielekreet om verlossing? Dat wanhopige zoeken in deze inktzwarte nacht?

En is het daarom geen verrukking, als een balsem van hulp en troost, wanneer de hiërofant tot u spreekt: ‘Vriend, vriendin, wij zullen u bewijzen ­ hoort u het: bewijzen ­ dat het niet noodzakelijk is kwaad te doen en te leven naar de zeden der barbaren, zoals we dat later in een theocratische ordening aan alle mensen zullen laten zien.’

Ongetwijfeld liggen wij, naar onze nieuwe geboorte, nog in doeken gewonden in de staltroggen der duistere geboortegrot. Hoewel onze ‘leeftijd’ nog nauwelijks aangevangen is, hoewel we nog onbeheerst liggen te gebaren in onze prille jeugd, zijn wij, onder Gods leiding, gekomen tot een nieuwe geboorte in onze ouderdom.

De hiërofanten der mysteriën, die buiten in de velden de nachtwake houden over hun kudden, komen tot ons en spreken: ‘Wees gegroet, jonggeborene, wij twijfelen er niet aan dat gij reeds tot de onzen behoort en ook voor altijd zult blijven.’

Terwijl zij dat spreken, beschouwen zij zó grondig de kalmte van ons wezen, de uitdrukking van ons gelaat, de rustige blik van onze ogen, de nauwgezetheid van ons betoog, ja onze gehele houding, dat zij tot onze diepste gedachten doordringen. Het gaat erom te ontdekken, wat we bij onze nieuwe geboorte hebben meegebracht van de oude Adam, van onze gespletenheid, van de zeden der barbaren. Het is namelijk noodzakelijk, dat de neofiet bij zijn nieuwe geboorte opwaakt in een volstrekte bloedvernieuwing.

Ons bloed is de basis van ons bewustzijn. Al onze levensverrichtingen komen door middel van het bloed tot stand, en een nieuwe status die wij binnengaan, moet dan ook door een bloedreiniging, een bloedvernieuwing gedragen worden. Ons bloed heeft zeven krachten en zeven eigenschappen en deze vertegenwoordigen en bewijzen de kwaliteiten van de zeven voertuigen van de mens. Ons bloedzegel is dus een getrouwe afspiegeling van ons gehele zijn en niemand kan de Mysterieschool binnengaan, zonder met zijn bloedzegel zijn good standing te hebben bewezen. De kalmte van ons wezen, de uitdrukking van ons gelaat, de rustige blik van onze ogen, de nauwgezetheid van ons betoog, ja onze gehele houding moeten dan ook, bij onze nieuwe geboorte in onze ouderdom, hun opstanding vieren met een nieuwe bloedzekerheid.

Hoe is het mogelijk uit de zeden der barbaren, en uit het kwaad van ons oude leven, zulk een zevenvoudige bloedvernieuwing te doen opwaken? Daarvoor bestaat maar één middel, hier is maar één mogelijkheid, namelijk de kracht van de Christus, die Zijn bloedskracht, Zijn zevenvoudig krachtveld in onze versterving neerzendt, opdat wij dóór Hem, in Hem en tòt Hem alle dingen nieuw zouden maken.

‘Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enige Zoon gezonden heeft, te midden der barbaren, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het ware nieuwe leven hebbe.’

En Hij, de drinkbeker genomen hebbende na het avondmaal, sprak:

‘Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament, de nieuwe orde in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. Drinkt allen daaruit.’

‘Zet mij als een zegel op uw hart,
als een zegel op uw arm,
want deze liefde is sterk als de dood,
haar kolen zijn vurige kolen,
vlammen des Heren.
Vele wateren zouden haar niet kunnen uitblussen,
de rivieren zouden haar niet kunnen verdrinken.
Keer weder, keer weder, o Sulammith,
dat wij u mogen aanzien!’

En Jezus zeide: Consummatum Est. En, het hoofd buigende, gaf Hij de geest.

 

BESTEL CHRISTIANOPOLIS, TIJDELIJK VAN € 13,50 VOOR € 7,00

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

  1. Het eiland Caphar Salama
  2. Het ontstaan van Christianopolis
  3. Het onderzoek naar de levensopvatting en het zedelijk gedrag van de neofiet
  4. Het onderzoek naar de persoonlijkheid van de neofiet
  5. Het onderzoek naar de persoonlijke beschaving van de neofiet
  6. Beschrijving van de stad der magiërs
  7. De stad der mysteriën (I) 
  8. De stad der mysteriën (II)
  9. Magische architectuur
  10. Nadere inlichtingen over de stad der mysteriën

Bron: Christianopolis, J. van Rijckenborgh

BESTEL CHRISTIANOPOLIS, TIJDELIJK VAN € 13,50 VOOR € 7,00

LEES OVER DE BOVENSTAANDE UTOPIEËN UIT DE RENAISSANCE