Beschouwing 3

      Mysteriën van geboorte leven en dood, week 3

Beschouwing : Kringlopen doorzien (hoofdstuk 3 van het bijbehorende boek)

 

Je bent geroepen tot vrijheid. Ervaar je die vrijheid al? Of voel je jezelf misschien slaaf in een moderne wereld waarin de slavernij al lang geleden officieel is afgeschaft? In de maatschappij zijn allerlei krachten actief die je willen doen geloven dat je vrij bent, dat recht hebt op een heerlijk leven in overvloed en dat jij zelf bepaalt wat je in je leven manifesteert en wat niet. Tegelijkertijd zijn die krachten erop uit om de levensenergie van hun slachtoffers op te zuigen zodat ze onbewust slaaf blijven en de grote illusies en begoochelingen in stand houden zodat het niet in hen opkomt om te gaan zoeken naar de zin van hun bestaan.

Er was eens een wijze koning te Jeruzalem die een fantastisch leven wilde leiden. Hij deed allerlei dingen waarvan hij dacht dat deze hem gelukkig zouden maken. Zo liet hij mooie huizen bouwen en schitterende tuinen en parken aanleggen. Dat was veel werk, maar dat deerde niet. Hij verzamelde kostbaarheden, at de lekkerste spijzen, ontzegde zich niets en liet de beste artiesten voor hem optreden. Deze vorst leidde inderdaad een fantastisch leven, maar er was één probleem: het schonk hem geen voldoening. Alle mooie dingen in zijn leven gaven hem tijdelijk wel even wat plezier, maar hij ervoer ze als uiterst vluchtig – zoals alles in deze wereld – en ze schonken hem geen duurzaam geluk.

De koning werd zich pijnlijk bewust van zijn sterfelijkheid en besefte dat hij al zijn werken na zijn dood niet kon meenemen, maar moest nalaten aan degenen die na hem kwamen. Die kregen alles dan na zijn dood zo in hun schoot geworpen en het was zeer de vraag of zij daar verstandig mee zouden omgaan. Hij kreeg daarom een afkeer van het leven en ging ernstig op zoek naar het waarom van alles.

Het bovenstaande verhaal is een korte samenvatting van het tweede hoofdstuk van het bijbelboek dat bekend staat onder de naam Prediker. Dat is een wat merkwaardige naam voor de auteur omdat hij niet preekt, maar aan ongeveer alles twijfelt. Zijn Hebreeuwse naam luidt ‘Kohelet’ en wordt wel vertaald als ‘voorganger’ of ‘vergaarder’. Hij ging ons voor in het vergaren van alles wat begerenswaardig is – bezit, kennis en roem – en leert ons uit eigen ondervinding dat dit alles vluchtig is, te vergelijken is met het najagen van wind, en geen voordeel biedt onder de zon.

Later onderwijst Jezus dat ook aan zijn leerlingen, en hij voegt er direct een hoopvolle opdracht aan toe. In zijn beroemde Bergrede zegt hij bijvoorbeeld: ‘Verzamel geen schatten voor u op de aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamel schatten voor u in de hemel, waar geen mot of roest ze verderft, en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’ (Mattheüs 6:19-21)

Universeel karakter

Je hoeft geen koning te zijn om de gedachten en gevoelens van de koning uit het verhaal te begrijpen. Zijn ervaringen hebben namelijk een universeel karakter. Ieder mens is van nature op zoek naar zingeving en naarmate hij groeit, verandert – als het goed is – de manier waarop hij zin geeft aan zijn leven.

Prediker omschrijft zichzelf als een wijze koning in Jeruzalem die er zich met heel zijn hart op toelegde wijsheid te kennen, en die door alles wat hij vindt teleurgesteld wordt. De kans is groot dat deze wijsheidsleraar helemaal geen koning was – velen denken dat hij koning Salomo was – maar zich als zodanig presenteert om zijn geschrift meer gezag te geven. Dat is hem gelukt, want hoewel zijn boek, dat waarschijnlijk in de derde of vierde eeuw voor Christus is geschreven, indruist tegen vele opvattingen binnen het jodendom, is het ondanks aarzelingen van Israëls schriftgeleerden wel in de Bijbel opgenomen.

Prediker was dan misschien geen koning voor een volk, maar wel voor zijn innerlijke koninkrijk. Jeruzalem is de hoofdstad en ook de heilige stad. Dit centrum van waaruit het land wordt bestuurd, kunnen we zien als symbool voor het bewustzijn of de ziel. Prediker is zich van zichzelf gewaar en heeft mede daarom de moed om lastige vragen te stellen en conclusies te trekken die pijnlijk zijn. Heel terecht stelt hij vast dat er niets blijvends is in deze wereld omdat alles voortdurend verandert en de dood aan alles en iedereen een einde maakt. Niemand kan deze conclusie ontkennen. Alles wat ontstaat, zal ook weer verdwijnen. We zijn allemaal vertrouwd met de eindeloze cyclus van opgaan, blinken en verzinken, maar vinden het niet altijd gemakkelijk om die te accepteren.

Volgens Prediker is het een misvatting te menen dat de mens voor het goede wordt beloond en voor het kwade wordt bestraft. Het heeft dan ook geen zin om het goede te doen met het oog op een mooi plaatsje in de hemel of een leuke volgende incarnatie. Dat zou de ego-gerichtheid alleen maar versterken, terwijl die nu juist dient te worden overwonnen.

Prediker ontkent dat de mens na zijn dood in een hiernamaals komt. Hij ziet dat er veel leed is onder de mensen en komt aanvankelijk tot de verontrustende slotsom dat het eigenlijk beter is om dood te zijn en dat niet geboren worden nog het beste is. Die ontkenning van de waarde van het leven is een hele sombere visie.

Misschien is het wel een didactische methode van Prediker om zijn lezers aan te sporen om te onderzoeken wat voor hen innerlijk klopt. Is het leven dan op geen enkele wijze de moeite waard? Prediker meent van niet, want later in zijn betoog schrijft hij:

‘Ga uw weg, eet uw brood met blijdschap, drink uw wijn met een vrolijk hart, want God schept behagen in uw werken. Laat uw kleding te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Geniet het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon. Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat naar uw vermogen, want er is geen werk, geen kennis of wijsheid in het graf waar u naartoe gaat.’ (Prediker 9:7-10)

Is dit niet een erg oppervlakkig en hedonistisch advies? Nee! Alle mensen kunnen iets met de genoemde aanbevelingen waarin wordt verwezen naar de eigen verantwoordelijkheid en niet naar regels die door autoriteiten zijn opgesteld. Prediker spoort zijn lezers aan om het leven te gebruiken waarvoor het bedoeld is: om het te leven! Goede verstaanders, leerlingen van de ziel, kunnen in de raadgevingen van Prediker een diepere, spirituele betekenis herkennen. Met een blij hart de weg gaan, brood eten, wijn drinken, witte kleding dragen, olie op je hoofd hebben, je vrouw liefhebben en zwoegen onder de zon kunnen ook in overdrachtelijke zin spiritueel worden begrepen.

Over het Al heersen

In logion 2 van het ‘Evangelie van Thomas’ zegt Jezus tot zijn discipelen: ‘Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken totdat hij vindt en als hij vindt zal hij verontrust worden en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en hij zal over het Al heersen.’ Deze uitspraak van Jezus lijkt tot en met het verontrust worden overeen te stemmen met de opvatting van Prediker, maar daarna lopen de beide visies sterk uiteen. Prediker heeft het over de mens die sterft, in het graf komt en daar niets meer kan doen, terwijl Jezus spreekt over de mens die zal heersen over het Al. Is dat wel te rijmen?

Jazeker! Het grote probleem in onze samenleving is dat men verzuimt onderscheid te maken tussen de diverse dimensies en niveaus van de mens. Dit euvel speelt niet alleen bij de gemiddelde mens, maar vooral ook bij professionals die zich intensief bezighouden met de mens en dus eigenlijk beter zouden moeten weten, zoals theologen, filosofen, psychologen, pedagogen, antropologen en artsen. Zij hebben zich bijna allemaal laten begoochelen door het materialistische en reductionistische mensbeeld dat ontleend is aan de natuurwetenschappen. Dat is een verouderd paradigma dat in een bepaalde context zeker waardevol kan zijn, maar in wezen uiterst beperkt is.

Prediker legt in het begin van zijn betoog uit dat alles wat wij uiterlijk waarnemen, uitermate vluchtig is. Hij verwijst naar de vier elementen en noemt het komen en gaan van de geslachten op aarde (aarde), het opkomen en ondergaan van de zon (vuur), het draaien van de wind (lucht) en het alsmaar stromen van de rivieren naar de zee (water). Hij merkt op dat het hier om kringlopen gaat en dat hij ze onuitsprekelijk vermoeiend vindt. Hij geeft zijn zintuigen goed de kost en ervaart dat die voortdurend aandacht trekken: ‘Het oog wordt niet verzadigd van zien, het oor wordt niet vol van horen.’

Prediker maakt ons duidelijk dat een hogere vorm van ervaren onmogelijk is wanneer we ons bewustzijn uitsluitend laten bepalen door alles wat we zintuiglijk waarnemen. Een zonsopgang en een waterval kwalificeren we dan misschien als ‘onuitsprekelijk vermoeiend’, terwijl we deze natuurverschijnselen vanuit een ander perspectief ook kunnen ervaren als een verschijning van het goddelijke, als een theofanie.

Prediker nodigt mensen met ervaringsvolheid uit om gehechtheden aan de wereld los te laten. In het Evangelie van Thomas formuleert Jezus dat als: ‘Wie de wereld heeft gevonden en rijk is geworden, laat hij de wereld loochenen.’ (Het Evangelie van Thomas, logion 110)

Als mens zijn we onderhevig aan vele kringlopen. In ons lichaam kennen we natuurlijk de ademhaling, de bloedsomloop en de stofwisseling. Het ritme van dag en nacht heeft een enorme invloed op ons functioneren en de omloop van de maan om de aarde heeft een aantoonbare invloed op ons leven. Volgens de astrologie is er een duidelijk verband tussen de beweging van hemellichamen als sterren en planeten en de krachten die in ons leven werkzaam zijn. Daarbij gaat het niet om een oorzaak-gevolg relatie, een causaal verband, maar om een relatie op basis van gelijktijdigheid, een synchroon verband, een correlatie.

Intuïtief meebewegen

De sleutel tot ontwikkeling van de innerlijke mens is het besef dat deze wordt beïnvloed door allerlei cycli. Nu is het beslist niet nodig om al die kringlopen te kennen, bijvoorbeeld door horoscopen te trekken en te duiden, dat kan zelfs averechts werken. Het gaat erom dat de mens leert om vanuit een nieuw levensperspectief te luisteren naar de harmonie van de sferen en intuïtief mee te bewegen met de ritmen in de kosmos. Daarom laat de auteur Antoine de Saint Exupéry de vos in zijn boekje De kleine prins zeggen: ‘Alleen met het hart kijkt men zuiver. Voor de ogen blijft het wezenlijke onzichtbaar.’

Prediker ervaart dat er niets nieuws is onder de zon. Vanuit een beperkte blik van slechts enkele generaties in een primitieve agrarische samenleving kon dat inderdaad worden vastgesteld. Vanuit het perspectief van de innerlijke en uiterlijke geschiedenis van de aarde en de mensheid toont zich echter een heel ander beeld, omdat er vanuit hemelse regionen voortdurend aan de aarde en de mensheid wordt gewerkt.

Waarschijnlijk wist Prediker dat heel goed, en wilde hij met zijn poëtische tekst verwijzen naar iets wat we ervaringsvolheid kunnen noemen. Misschien wil hij zijn lezers op deze wijze aansporen om zich niet uitsluitend te richten op de zintuiglijke wereld, maar aandacht te schenken aan dat wat er echt toe doet en onvergankelijk is. Gelukkig is er in onze wereld van ruimte en tijd sprake van progressie op allerlei gebieden. Die voltrekt zich zeker niet volautomatisch. Dat zou in strijd zijn met de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die stelt dat ieder gesloten systeem streeft naar maximale entropie of wanorde. De aarde en de mensheid kunnen zich ontwikkelen omdat zij voortdurend van buitenaf energie ontvangen in de vorm van met name bewustzijn, aandacht en lichtkracht.

Bekende auteurs op het gebied van esoterie, zoals Helena Blavatsky, Rudolf Steiner en Max Heindel, beschrijven in hun boeken hoe de wording van de kosmos en van de mens (de kosmogenese en antropogenese) plaatsvindt in zeven rondten over zeven bollen van de zeven wereldtijdperken. De zeven wereldtijdperken maken volgens Heindel deel uit van het zogeheten zevende kosmische gebied en worden daarin aangeduid met de namen van planeten uit het zonnestelsel. Achtereenvolgens gaat het om het Saturnus-tijdperk, Het Zonne-tijdperk, het Maan-tijdperk, het Aarde-tijdperk, waarin we nu leven (dat verdeeld is in een Marshelft en een Mercurius-helft), het Jupiter-tijdperk, het Venus tijdperk en het Vulcanus-tijdperk.

Het gevaar van deze benadering is dat de ontwikkelingen uitsluitend op de tijd worden geprojecteerd, terwijl het gaat om bewustzijnsniveaus die in principe altijd op ieder moment kunnen worden ervaren. De drie genoemde auteurs zijn beïnvloed door het darwinistische vooruitgangsgeloof uit de negentiende eeuw, dat ten onrechte een automatische evolutie veronderstelt.

Momenteel leven we als mensheid in het vijfde tijdvak van het Aarde-tijdperk, het Arische. Dit tijdvak is vooraf gegaan door achtereenvolgens het Polaire tijdvak, het Hyperborese tijdvak, het Lemurische tijdvak en het Atlantische tijdvak. Rudolf Steiner onderscheidt in het huidige Arische tijdvak zeven grote cultuurperioden van 2160 jaar, de tijdsduur van één ronde van de precessie van de equinox, dat is de tollende beweging van de aardas.

Cultuurvernieuwing

Steiner benoemt die zeven perioden in het na-Atlantische tijdvak als achtereenvolgens: de Oer-Indische cultuurperiode, de Oer-Perzische cultuurperiode, de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse cultuurperiode, de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode, de Slavische cultuurperiode en de Chinese cultuurperiode. Die benamingen geven aan vanuit welke geografische gebieden de cultuurvernieuwing vooral werd en zal worden vormgegeven.

Afbeelding 3 toont de zeven genoemde cultuurperioden en de bijbehorende jaartallen volgens de structuur van schepping en herschepping van afbeelding 1. Ook daar wordt een verband gelegd met het grote beeld uit de droom van koning Nebukadnezar die door de joodse profeet Daniël wordt uitgelegd (Daniël 2) en duidelijk maakt dat alles in ruimte en tijd vluchtig is. De vier niveaus corresponderen ook met de gouden, de zilveren, de bronzen en de gemengde koning in de onderaardse tempel in het diepzinnige sprookje van de groene slang en de schone lelie van Goethe.

Uit afbeelding 3 is af te leiden dat de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode waarin we nu leven een soort spiegelbeeld is van de Egyptisch-Babylonische cultuurperiode. In het oude Egypte was er veel aandacht voor de materie: er werden grote beelden en bouwwerken gerealiseerd en men was erop gericht om dode lichamen te bewaren door deze te balsemen en te mummificeren. In de Germaans-Angelsaksische cultuurperiode kwam vanaf ongeveer de vijftiende eeuw de materialistische wetenschap tot ontwikkeling.

Als mensheid staan we nu voor de opdracht om de materialistische ontwikkeling die al in het oude Egypte begon te vergeestelijken op basis van de Christus-impuls, die werkzaam werd in de Grieks-Romeinse cultuurperiode vanaf ongeveer het begin van de jaartelling.

‘En wat is nu de bedoeling van mijn kortstondige leventje in dit gigantische en onvoorstelbare ontwikkelingsproces?’ zo vraag je je misschien af. Die vraag is natuurlijk niet zomaar in zijn algemeenheid te beantwoorden. Maar je kunt er zeker van zijn dat het jouw opdracht is om op basis van jouw uniciteit een essentieel radertje te worden in het grote goddelijke ontwikkelingsplan. Dit gaat veel verder dan je lichaam en je persoonlijkheid, want die zijn gebonden aan ruimte en tijd en kunnen niet over het Al heersen.

Volgens de kosmologie van Max Heindel komt jouw diepste wezen voort uit het zesde kosmische gebied. Het heeft zich echter verbonden met het zevende kosmische gebied waar het talloze wielwentelingen heeft meegemaakt. Jouw diepste wezen, dat is de microkosmos die jij nu bewoont met een sluimerende geestvonk als kern, is geroepen om terug te keren naar het zesde kosmische gebied.

De existentie die je van jezelf kent, is aan verval en dood onderhevig. Als je lichaam sterft en enige tijd later wordt gecremeerd, wordt het grotendeels omgezet in waterdamp en kooldioxide. De waterdamp wordt onderdeel van de waterkringloop en gaat misschien deel uitmaken van een wolk waaruit regen valt die in een rivier komt en zo naar de zee stroomt. De kooldioxide die zich verdunt in de lucht, wordt opgenomen in de koolstofkringloop en wordt mogelijk door meerdere bomen opgenomen en via de fotosynthese omgezet in plantaardig materiaal dat zich vastzet in bijvoorbeeld boomstammen.

De as van je lichaam die over de aarde wordt uitgestrooid, draagt wellicht bij aan de groei van grassen en aardwormen, levensvormen die absoluut noodzakelijk zijn voor het biologische leven zoals we dat nu op aarde kennen. Je maakt deel uit van de kringloop van het leven op aarde, die in de tekenfilm ‘De Leeuwenkoning’ van Walt Disney als volgt wordt bezongen.

‘Het is de kringloop die ons allen voortbeweegt.
In ons kort bestaan zijn wij op zoek
totdat wij onze plek hebben kunnen vinden
in de kringloop van het leven op aard.’

Na je dood worden de elementen van je gedesintegreerde stoffelijke, lichamelijke structuur dus teruggeven aan een groter geheel: ‘Stof bent u en u zult tot stof terugkeren.’ (Genesis 3:19)  Iets soortgelijks geldt ook voor je psychische structuur, je zielesubstantie. In de loop van je leven bouw je een persoonlijkheidsziel op uit etherische, astrale en mentale substanties, die sterk tot uitdrukking komen in je bloed. Daarom wordt er ook wel gesproken over de bloedsziel. Die bloedsziel maakt deel uit van de ons bekende natuur, waarin alles zich beweegt tussen polariteiten, en is dus sterfelijk.

Bloedsziel

Wanneer het lichaam van een mens sterft, wordt ook de bloedsziel ontbonden in afzonderlijke elementen. In het boeddhisme wordt in dit verband gesproken over skanda’s. Wanneer de gestorvene een bewuste mens was met een sterke individualiteit, dan kan de bloedsziel als erfenis worden overgedragen aan op aarde levende mensen die daar affiniteit mee hebben. En als de gestorvene een leerling van de ziel was, kan er een helpende kracht uitgaan van de bloedsziel die vrijkomt.

‘Blijft er dan na mijn dood verder helemaal niets van mij over?’ zo zou je kunnen vragen. Het antwoord op die vraag wordt bepaald door wat je onder jezelf verstaat. Als je jezelf identificeert met je stoffelijke lichaam, is het inderdaad helemaal met je afgelopen als je bent gestorven. In de natuurwetenschappen en in de medische wereld wordt er ten onrechte van uitgegaan dat het bewustzijn dan ook verdwenen is. Daarom vinden er in die domeinen vele onderzoeken en ontwikkelingen plaats die vanuit een universeel spiritueel perspectief uiterst bedenkelijk zijn.

Authentieke spirituele tradities leren dat het bewustzijn na de dood van het lichaam nog geruime tijd actief kan zijn, en ook dat er in de mens iets is dat onsterfelijk is. Lao Zi schrijft in vers 4 van zijn Daodejing: ‘De geest van de vallei sterft niet’. In het boek ‘Pymander’ of ‘Poimandres’ van de legendarische Egyptische wijze Hermes Trismegistus lezen we: ‘Van alle schepselen in de natuur is alleen de mens tweevoudig, namelijk sterfelijk naar het lichaam en onsterfelijk naar de wezenlijke mens.’ Ook Prediker erkent dat er een geest is in de mens die na de dood van het lichaam terugkeert tot God nadat het zilveren koord – dat is de verbinding tussen het etherlichaam en het bewustzijn – is verwijderd.

‘De mens gaat naar zijn eeuwig huis: rouwklagers doen de ronde in de straat voordat het zilveren koord verwijderd wordt en de gouden oliehouder verbrijzeld, de kruik bij de bron stukgebroken wordt en het rad bij de waterput verbrijzeld, het stof terugkeert naar de aarde zoals het was, en de geest terugkeert tot God, die hem gegeven heeft.’ (Prediker 12:5-7)

Jezus verwijst naar het onsterfelijke in de mens als hij zegt: ‘Het koninkrijk van God is binnen in u.’ (Lucas 17:20). Dat innerlijke koninkrijk is echter in verval geraakt. Jesaja spreekt over een paleis dat verlaten is (Jesaja 32:14). Dat is het microkomische menselijke stelsel dat een zuivere weerspiegeling zou moeten zijn van de macrokosmos, maar het niet meer is. Het is vervallen tot een ruïne en dient opnieuw te worden opgebouwd vanuit de kracht van de geestvonk, zodat de mens kan heersen over zijn microkosmische Al.

We besluiten deze beschouwing met een verhaal uit het boek Sleutels tot het hart van Erich Kaniok.

Een man ging op reis om een wijze te raadplegen. Toen hij in de stad van de wijze was aangekomen en vroeg waar hij woonde, bracht men hem naar een armoedige hut aan de rand van de stad. In de hut bevonden zich slechts een gammel bed en een tafel vol boeken, waaraan een oude man zat te studeren. De reiziger keek verbaasd om zich heen. ‘Waar is de wijze?’ vroeg hij de oude man.

‘Ik ben degene waarover je spreekt,’ zei de oude man. ‘Waarom ben je zo verbaasd?’

‘Ik begrijp het niet. U bent een beroemde wijze, met vele leerlingen, zegt men. Uw naam is in het hele land bekend. Het lijkt mij niet juist dat u in zo’n armoedige hut woont. U zou in een paleis moeten wonen.’

‘En waar woon jij?’ vroeg de oude man.

‘Ik woon op een landgoed, in een prachtig huis met kostbare meubelen.’

‘En waar leef jij van?’

De man legde uit dat hij in zaken deed en twee keer per jaar naar een grote stad reisde, waar hij grondstoffen kocht, die hij naar zijn woonplaats liet brengen om ze daar aan de plaatselijke handelaars door te verkopen. De wijze luisterde aandachtig en vroeg de zakenman waar hij logeerde als hij in de stad was.

‘Dan huur ik een kamer in een kleine herberg,’ was het antwoord van de man.

‘En als iemand je in die kamer zou zien, zou hij dan niet zeggen:  “Wat doet u, welvarende zakenman, in zo’n eenvoudige kamer?”’ sprak de wijze. ‘En dan zou jij waarschijnlijk zeggen: “Ik ben maar korte tijd onderweg, dus meer heb ik niet nodig. Bezoek mij maar eens in mijn echte huis, dan krijgt u heel iets anders te zien.”

‘Wel, mijn vriend, hetzelfde geldt voor mij’, vervolgde de wijze. ‘Ik ben ook maar onderweg. De wereld is niet meer dan een tijdelijk verblijf. In mijn echte huis zou jij ook iets heel anders te zien krijgen. Bezoek mij eens in mijn geestelijk huis, dan zul je zien dat ik inderdaad in een paleis woon.’

2 gedachten over “Beschouwing 3

  1. Jes Jespers

    Het koninkrijk Gods is binnen in u, zo stelt Jezus. Het koninkrijk Gods is in allen van ons, doch omdat we niet ons Zelf zijn maar egoīstisch, verblijven we niet meer in die hemelse staat. Kleine kinderen doen dat nog wel, zijn ontvankelijk, blij en spontaan creatief en accepteren het leven zoals dat zich aandient. Ze identificeren zich zelfs nog niet met hun naam en zeggen als ze honger hebben dat ‘Pietje’ honger heeft. Hun geest is nog niet bevolkt met valse identiteiten maar nog het zuivere creatieve instrument.

    ‘Wie ben ik’ is de vraag die we moeten ontdekken en beantwoorden om weer ons Zelf te kunnen worden door ons te bevrijden van dat volk dat onze geest is gaan bewonen. We zullen onszelf moeten leren bevrijden uit de gevangenis van ons ego waarin we onsZelf gevangen hebben gezet. Al die identiteiten in ons maken gebruik van de denkfunctie en veroorzaken emoties zodat de geest maakt dat een zee aan gedachtes gevoelens en ervaringen aan ons voorbij trekt.

    Vanuit een heldere en stille staat van (bewust)zijn kunnen we die identiteiten ontmaskeren en als ijs oplossen in water. We worden hierdoor armer van geest, zijn steeds meer in staat in een heldere bewuste en stille staat (mede)waarnemer te zijn, ontvankelijker te zijn voor inzichten die vanuit het niets tot ons komen en vanuit acceptatie wat is vanuit een onbevooroordeelde geest creatief te handelen. Weer worden zoals de kinderen zogezegd.

    Reageren
  2. Jos Teunissen

    De kern staat in Spreuken 4:23 : “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens” (statenvertaling) . Korter: Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Nog korter: Het hart is de bron van je leven.

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *