De vier pijlers van de Fama, voordracht op het symposion ‘De klank van de idee – Het beeld van de inspiratie’

BESTEL SYMPOSIONREEKS 33

Toen de broeders van het rozenkruis in het begin van de zeventiende eeuw hun eerste manifest schreven, hadden zij geen gebouwen, geen plaatsen waar ze samenkwamen maar zij hadden wel een gemeenschappelijke geestelijke sfeer, waaruit zij putten. Het was een sfeer die was opgebouwd, die zorgvuldig was voorbereid en toebereid. Zij voelden zich gedragen, staand op de schouders van illustere voorgangers. En hun eigen enthousiasme, de toegewijde studie van die wijsheidsbronnen die aan hen vooraf gingen en hun onderlinge vriendschap, maakten dat de volheid van een inspiratie over hen heen golfde. En zoals dat gaat met inspiratie: Vanaf dat moment is het gedaan met je vrijheid.

Echte inspiratie houdt een opdracht in: vanaf dat moment ben je gehouden in alles wat je verder doet, trouw te zijn aan je nieuwe weten, je nieuwe inzicht, de nieuwe matrix die je hebt gevonden.

Iedereen die hier niet is vanochtend heeft zich misschien afgevraagd: wat heeft dat met nu te maken, met mijn leven van vandaag de dag? En iedereen die hier wel is, zal zich mogelijk hetzelfde afvragen: wat zegt mij dat vandaag, wat is het belang daarvan?

Van belang is dat dezelfde pijlers die zij in die dagen vonden, en het weten waarover zij beschikten, juist die eigenschappen zijn die in onze tijd heel erg nodig zijn en ook al weer meer en meer gevonden worden. Zij hebben een abstracte dimensie én ze staan met het fundament hecht in de realiteit, in de werkelijkheid van het aardse bestaan.

Dat is het mooie, dat is het wonder: dat het in onze werkelijkheid kan worden waargenomen. Dat wij mensen, in onze stoffelijke persoonlijkheid, zowel de hardste werkelijkheid kunnen kennen als de meest subtiele en verfijnde trillingen van de Ene Onkenbare, die alles in allen is. Verheven taal, denkt u, en dat is misschien zo maar ze behoort tot de werkelijkheid van de mens. Hij kan met zijn meest innerlijke bewustzijn verglijden in de Ene, en tegelijk de rotsharde werkelijkheid van ons bestaan ervaren en doorgronden. En wat meer is: er richting aan geven, bepalend optreden in de samenleving waarin hij zich bevindt. Je hoeft geen Obama of Merkel te zijn om een weldadige factor te zijn in het leven van jezelf, van je omgeving, van anderen.

Het gaat om het weten dat dit kan en dat je het doet. Ziedaar, dezelfde overtuiging die deze vrienden uit de zeventiende eeuw omarmden. Zij ontstaken een vlam, doordat zij de kwintessens van eerdere denkrichtingen wisten samen te brengen. Dat zijn: de vier pijlers van de Fama Fraternitatis. Men heeft de oorsprong bij het ware christendom gezocht en bij de katharen, in Arabia Felix, bij de pantheïsten, in de renaissance, bij de humanisten, bij Paracelsus en bij Hermes, maar geen van hen legde de vinger op de juiste plaats.

Jan van Rijckenborgh wijst erop dat de idee achter dit zuivere mysterieverhaal universeel is en van alle tijden. Het grijpt terug tot in het verste verleden, tot aan de eerste dagen dat de geschiedenis van de mensheid in ons aardeveld zich begint af te tekenen. Steeds heeft het legendarische verhaal van een symbolische figuur als Christiaan Rozenkruis de mensheid vergezeld, als een verheven deel van de eeuwige wijsheid die God aan Adam gaf bij zijn val, zoals de Fama Fraternitatis zegt. En de figuren in Tübingen rond Tobias Hess hebben in hun tijd, reagerend op de actuele stralingswaarden van de universele broederschap voor hun tijd, de publicatie van deze eeuwige waarheid op hun unieke, eigen wijze verzorgd.

Dat eerste manifest van de rozenkruisers is een samengebalde tekst, de vrucht van begeesterde studie en een grote innerlijke drive, gekoppeld aan de drang om iets werkelijk goeds te doen voor de mensheid. Het stoelt op vier pijlers:

  1. de lijn van het oorspronkelijke christendom, 
  2. de Arabische lijn,
  3. de lijn van Paracelsus,
  4. de hermetische lijn.

De eerst pijler: het oorspronkelijk christendom

De eerste voorname bron kunnen wij zoeken in het universele christendom en dus kunnen zij geen ongelijk hebben, die beweren dat de oorsprong terug te vinden is in het allereerste christendom en de stroming die via de middeleeuwen uit het zuiden Duitsland bereikte. Dat christelijke beleven vindt zijn weg in het Rijnland, bij de Gottesfreunde. Het transformeert en wordt tot praktisch mystiek beleven bij Eckhart en Tauler. Jan van Ruusbroeck schrijft in diezelfde jaren Het sieraad van de geestelijke bruiloft.

Via Ruusbroeck komt het vrome leven en denken van de Gottesfreunde bij de broeders van de Moderne Devotie en zij hebben gedurende meer dan een eeuw dezelfde toorts in de samenleving geheven. De Theologia Deutsch is nog zo’n pijler van hermetisch-christelijk denken die de schrijvers in Tübingen verheugt, zoals deze aanvankelijk Luther heeft verkwikt. En de Vier Boeken van het Ware Christendom van Johannes Arndt brachten bij hun verschijning in de jaren 1605-1610 ten slotte dit weten tot op loopafstand van Tobias Hess en de bijzondere vrienden die aan zijn kring hebben deelgenomen.

De tweede pijler: de Arabische lijn

Maar op dezelfde wijze dienen we hen tegemoet te treden, die erop wijzen dat Arabië en Christiaan Rozenkruis niet zover uiteen liggen als wellicht lijkt. Want was het niet op zijn pelgrimstocht dat de stichter van onze broederschap Fez in Marokko aandeed, en er diep van onder de indruk raakte? Fez herbergt de oudste universiteit ter wereld, die in 859 werd gesticht.

In de Fama Fraternitatis lezen we over deze samenkomsten: ‘Het is voor ons werkelijk beschamend te ervaren dat deze wijze mannen, hoewel ver van elkaar verwijderd levend, niet alleen eensgezind zijn en wars van alle twistgeschrijf, maar ook bereid elkaar in vertrouwen hun geheimen te onthullen.’ 

De tekst spreekt hier over de uitgangspunten die in besloten kring werden bewaard. Daar maakte de leergierige jongeman, Christiaan Rozenkruis – een Duitser ‘uit een verarmd adellijk geslacht’, kennis met de geheimen van de Broederschap van Reinen, neoplatonische filosofen, maar ook vaardige ambachtslieden die de Koran wijsgerig interpreteerden. Hun zuiverheid had betrekking op leven en denken, op zijn en op handelen. Zij bestudeerden de wijsheid van het getal, waarbij ze alles numeriek trachtten te doorgronden, zij verdiepten zich in Plato en de oude Griekse filosofen, hun denken streefde naar de helderheid van Pythagoras, waarin niets werd aangenomen en niets werd buitengesloten.

Ook de vervolmaking van de zielen door vele geboortes nam in de onderwijzingen van de Broederschap van Reinen een belangrijke plaats in. Zij schrijven: ‘God heeft niet direct de wereld gecreëerd, maar uit hem komt wel voort de eerste oorzaak, de pure intelligentie die zichzelf als de mogelijk- heid erkent en God, de immer onkenbare, als noodzakelijk.’ Daaruit komen de veelheid en de vele schepselen voort en in ieder van hen zal uiteindelijk het zuivere denken, de zuivere intelligentie, de verlichter van de zielen zijn. Van sfeer tot sfeer, door de tien sferen heen gaat de ontwikkeling, in- en uitademend. Eeuwige creatie: God – kosmos – mens! – het is zuiver hermetisme binnen de islam.

De derde pijler: de lijn van Paracelsus

Maar ook degenen die op het belang van Paracelsus (1493- 1541) wijzen, hebben hier recht van spreken, en wel een bijzonder recht, want de Hohenheimer is de enige die in de Fama Fraternitatis – en wel op twee plaatsen! – met name wordt genoemd: ‘Theophrastus is weliswaar geen lid geworden van onze broederschap maar heeft het liber M (het Boek van de Wereld) zorgvuldig bestudeerd en zijn scherpe geest eraan ontstoken.’

Elders is wel eens gezegd dat Theophrastus – zijn naam be- tekent: ‘hij die God verklaart’ – geen lid van de broederschap was, enkel vanwege het feit dat hij de hele broederschap in zijn wezen droeg. Wanneer de graftempel van CRC geopend is, vinden de broeders naast andere geschriften zijn vocabularium, een verklarend woordenboek. En hoe hij het Woord verklaart!

‘Wat kijkt u naar de stenen tempels en zo, alsof ze God moesten voorstellen. Kijk naar hem in zijn creatuur, en zijn werken! Of als u hem rechtstreeks wilt zien in de geschapen natuur, kijk dan naar de letters van zijn Woord. Draag deze letters in uw hart, dan ziet u ook God in de tempel, dat wil zeggen, in het hart van de mens.Want we zien God alleen in die tempel. Maar we kunnen alleen een tempel zijn als Christus in ons is. Hij komt zelf door onze gehoorzaamheid en liefde tot God. Het hoofd [van de mensheid] heeft dus niet geboden stenen tempels te bouwen. Dat Salomo een tempel bouwde, was omdat het hem als mens van de aarde was bevolen, tot een lust voor het aardse oog. Maar wij zijn van een nieuwe geboorte en zien alleen wat geestelijk en hemels is.’

Paracelsus verkondigt een geestelijke visie op de functie en de waarde van het verstand. Hij zegt: ‘Iemand die slechts met woorden argumenteert en zich niet baseert op eigen werken en ervaring, heeft het dispuut reeds verloren, zowel in de theologie als in de geneeskunde.

Dat is het denken van de Fama. En het komt nog dichterbij, als we Paracelsus’ motto lezen, dat hij meegeeft aan een van zijn eigen geschriften. Elke letter daarvan is één op één waar voor de Fama Fraternitatis: ‘Laat eenieder zodanig lezen dat hij er meer uithaalt dan wat er staat. Een zaad wordt in een akker gelegd; een ander doet het groeien. Ik leg het zaad neer waaruit in de hooimaand kruiden en grassen groeien en het koren rijpt. Dit zaad leg ik ook voor u neer zodat u kunt plukken van de beste wijnstok. En bij dezen zij het aan God toevertrouwd!’

De vierde pijler: de lijn van Hermes

En zo dienen we ook die onderzoekers hun aandeel toe te staan, die zeggen dat de rozenkruisers van de Fama hermetici waren, volgers van de leer van Hermes de driemaal grote. Zij hebben de grootste rechten – zo ergens, dan heeft het vaak verguisde hermetische wereldbeeld en de hermetische wetenschap onderdak gevonden in het tehuis van de heilige geest, het geestelijke gebouw dat de kring van de eerste rozenkruisers wisten op te trekken. Waarbij we van meet af aan aantekenen dat zij geen volgers, maar werkelijke adepten waren, mensen die de hoogste regels van die wetenschap beheersten. Want hoever strekte hun wetenschap, hun kennis, hun oordeel en hun liefde zich niet uit in de natuur? 

Zij kenden het geheim van het individuele bestaan, het samenstel van wondere krachten en mogelijkheden die, als een getrouwe afspiegeling van de macrokosmos, tezamen de microkosmos vormen. Zij goten hun wereldbeeld en de summa scientia van hun weten als een ideatie, een sprankelende idee – in het beeld van een compendium. En deze ‘samenvatting’ krijgt een graf, waarin het wordt begraven, waarin het sterven moet en waaruit het, schoner dan ooit tevoren en onvergankelijk, zal oprijzen. De hermetische leer van de Rozenkruisers Broederschap ontsluiert de geheimen van de microkosmos; zij toont ons het beeld en de gelijkenis, als een prototype van de hogere mens. En laten we opnieuw vaststellen dat deze wetenschap niet nieuw is – zelfs het verhaal niet! Hermes is de bron en het is een bron die in de vijftiende eeuw opnieuw ontdekt werd.

De mensen die de auteurs met de Fama Fraternitatis wilden bereiken (aanvankelijk was deze immers voor een select gezelschap bedoeld), zouden geen enkele moeite gehad hebben om de talrijke verwijzingen en metaforen in deze mythen te begrijpen. In het zeventiende-eeuwse pansofische milieu zeiden de hermetisch geschoolden:

‘Een mens begrijpt niets van de schepping als zijn gemoed niet wedergeboren is, als zijn motieven niet puur en zuiver zijn, als zijn denken niet vol eenvoud is en vrij van sofisterij en praalzucht en als zijn verstand niet de hoge rede leerde weerspiegelen waarmee God ‘het karakter van de natuur’ heeft neergeschreven. Een karakter dat boven, op en onder de aarde hetzelfde is, dat heerst in de macrokosmos zowel als in de microkosmos en dat de mens onmiddellijk herkent en leert te lezen, wanneer de geest het hem leert. De geest die er is als er aspiratie is, en vriendschap, en altruïstische mensenliefde. Deze mensen, zij zijn de ‘zeer verlichte ingenia die de ontaarde, onvolmaakte kunst ten dele in ere hersteld hebben (…)’ (Fama)

Van die geest sprak de rozenkruisersbroederschap en zij was er de concentratie van; zij vormde een helder nieuw brandpunt van dit weten en zij zond de waarden van deze hermetische beleving van God – kosmos – mens uit in de samenleving. En met welke gevolgen: zij heeft vele, vele denkers aangezet om tegen de vermaterialisering een geestelijk geluid, een geestelijke impuls te laten klinken. Haar stroom ging verder, in de vrijmetselarij, in de antroposofische en theosofische bewegingen, in de vele loges die zich naar Christiaan Rozenkruis richtten en de honderden bewegingen die zich sindsdien met die naam hebben verbonden, omdat ze zich met hun gedachtegoed verwant voelen.

Het is die geest, die u vandaag hier aantreft, de geest die herkent en erkent dat in iedere mens hetzelfde levensvuur brandt, die hem aanzet tot zoeken, tot vinden, tot realiseren en weer uitdragen: Ontvangen, dragen, verdragen, verder dragen en ten slotte overdragen.

Bron: De klank van de idee, het beeld van de inspiratie, Symposionreeks 33

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *