Beknopte levensbeschrijving van Tobias Hess – belangrijke inspirator achter de manifesten van de rozenkruisers


BESTEL FAMA FRATERNITATIS

Tobias Hess (1558-1614) is een belangrijke inspirator achter de drie klassieke manifesten van de klassieke rozenkruisers, die in druk verschenen in 1614, 1615 en 1616. 

Het zou uiteraard volstrekt onjuist zijn de gecompliceerde persoonlijkheid van Tobias Hess te willen beperken tot het chiliastische aspect daarvan (gericht op de eindtijd) . Door de enorme stralingskracht die van deze diep religieuze en veelzijdig begaafde mens moet zijn uitgegaan, werden doorlopend de schranderste studenten en enkele van de vermaardste professoren van de universiteit van Tübingen aangetrokken. Ook nadat laatstgenoemden reeds lang afstand hadden genomen van zijn ‘naometrische’ opvattingen en ‘vreemde ideeën over een tertio seculo’ deed dit geen afbreuk aan haar uitwerking. 

Vooral Johann Valentin Andreae bleef Tobias Hess trouw, ook nadat deze op 24 november 1614 overleden was. Hess was voor hem, zoals hijzelf meegedeeld heeft, ‘tegelijkertijd
een vader, broer, leraar, vriend en kameraad’ geworden. Voor Andreae belichaamde hij het ideaal van een christelijke Herkules, die – zoals eertijds Luther door zijn hervorming de zuiverheid van de leer wederom tot stand had gebracht – nu de zuiverheid van het leven wilde verwezenlijken. Het was de figuur van Hess aan wie Andreae in gesluierde vorm gestalte gaf toen hij in1615 de geschriften Herculis Christiani Luctae xxiv (de vierentwintig gevechten van de christelijke Herkules) en De christiani cosmoxeni genitura Iudicium (Lotsbestemming uit de sterrenstand bij de geboorte van een wereldvreemde christen) anoniem uitgaf. Ook in de Mythologia Christiana van 1619 – die in 1665 onder de titel 15 Wahrheits-Mund in het Duits vertaald werd – heeft Andreae een van de aangrijpendste hoofdstukken (Anatomia oder Leibesöffnung eines verstorbenen frommen Menschen) aan de nagedachtenis van zijn leermeester gewijd. 

Zonder enig voorbehoud heeft hij echter over hem getuigd in zijn nog in 1614 ontstane geschrift Immortalitas, dat echter pas in 1619 gedrukt werd. Daarin noemt hij ‘de goede jurist’ Tobias Hess niet alleen een ‘uitblinkende theoloog’, ‘vriend van God’, ‘dienaar van Christus’, ‘broeder van zijn naaste’, ‘doctor van het ware’ en ‘bewerker van het goede’, maar prees hij hem bovendien als ‘uitstekend arts’, ‘begaafd uitvinder’, ‘voortreffelijk mechanicus’, ‘sieraad der literatuur’, ‘ster van Tübingen’ en ‘schatbewaarder van de natuur’. 

Geheel in overeenstemming daarmee waren ook de woorden die Andreae en
diens vrienden in het grafmonument van de overleden Tobias Hess lieten beitelen: ‘Memoriae Tobiae Hessi Iuris utriusque Doctoris, Theologi insignis, Medici clarissimi,Viri optimi, piissimi, patientissimi. Amici’ (Ter herinnering aan Tobias Hess, doctor in de beide rechten, uitstekend theoloog, vooraanstaand arts, de beste, vroomste en geduldigste man. De vrienden). Maar vooral een zinsnede over Hess in de Immortalitas: ‘eens een goede jurist, vervolgens een voortreffelijke arts en een nog betere theoloog’ doet ons denken aan een passage die door Andreae in diens Theca gladii spiritus (1616), door Christoph Besold in zijn De complexu omnium disciplinarum (1621) en zelfs door Comenius in zijn Pansophiae Praeludium (1639) als een allesomvattende samenvatting der filosofie opgevat werd: ‘die zeer veel uit de theologie bevat, veel uit de geneeskunde, maar weinig uit de rechtswetenschap’. In feite ging het echter om een zinsnede uit het tweede hoofdstuk van de Confessio Fraternitatis: ‘Er bestaat voor ons geen andere wijsbegeerte dan die welke de bekroning is van alle faculteiten, wetenschappen en kunsten. Zij omvat, voor wat onze eeuw betreft, vooral theologie en geneeskunde en het minst de rechtswetenschap’ (‘Theologiae ac Medicinae plurimum, Jurisprudentiae minimum habeat’). Tobias Hess, de ‘olim bonus Jurisperitus, post bonus Medicus, nunc optimus Theologus’ (eens een goede jurist, daarna een goede dokter, en nu de beste theoloog) was dus, met andere woorden, voor Andreae niet alleen een onsterfelijk voorbeeld voor het nageslacht, maar tegelijkertijd het levende voorbeeld voor de door hem geschapen gestalte van Christian Rosenkreutz, de stichter van de Broederschap. 

Tobias Hess werd op 31 januari 1568 te Nürnberg geboren. Zijn grootvader Johann, die stadsfysicus van Nürnberg geweest was, stierf in 1564; zijn vader,
lid van de gemeenteraad van Nürnberg, heette eveneens Johann (en niet Fried-
rich, zoals Andreae hem in de Immortalitas noemt); hij stierf in 1591. De moeder van Tobias heette Magdalena, zoals blijkt uit de huwelijksakte van 10 oktober 1588 van Tobias Hess met Agnes, dochter van de voormalige gerechts- dienaar van Bebenhausen, Conrad Kienlin.  

Op wens van zijn vader studeerde Tobias rechten, aanvankelijk in Altdorf (1583), vervolgens in Erfurt (1586) en van 1588 af in Tübingen, alwaar hij op 10 mei 1592 de titel van doctor in de beide rechten behaalde. Over zijn academische studie placht Hess zich echter enigszins geringschattend uit te laten, daar de universiteit hem slechts datgene geboden had wat hem het minst interesseerde. En daar hij graag musiceerde, raakte hij al te vaak in gezelschap van nietsnutten. ‘Desondanks wist Hess,’ zoals Andreae meegedeeld heeft, ‘zich in weinig jaren een buitengewone beheersing van het Latijn, Grieks en Hebreeuws te verwerven’. Ook de gehele filosofie had hij niet, zoals gebruikelijk was, slechts vluchtig doorgenomen, maar er zich volledig in verdiept. Op dezelfde wijze ging hij te werk bij poëzie en geschiedenis. Bovendien had hij dikwijls bij ambachtslieden gewerkt en zich in de mechanica een zodanige bedrevenheid verworven dat slechts weinigen hem konden evenaren en hij tallozen overtrof. Of het nu ging om vragen over wiskunde, natuurkunde of geschiedenis, de antwoorden had hij paraat: ze stroomden letterlijk uit zijn mond.  

Toch vond Hess in dit alles geen bevrediging, zoals hij eens tegen Andreae zei,
‘daar ik er geen voedsel voor geest en ziel in vind’. Nadat hij enige tijd in Speyer en Tübingen praktijk had uitgeoefend, zo vertelt Andreae, hing hij de juridische doctorstitel aan de wilgen en wijdde zich van toen af geheel aan de geneeskunde en de botanica. Het grote boek der natuur, ‘Librum Dei magnum’, bestudeerde hij door en door en weldra bood zijn huis een andere aanblik: de juridische boeken van ‘Bartolus en Baldus verdwenen, Hippokrates en Galenus namen hun plaats in’, echter onder voorwaarde ‘dat ze hem geen bevelen zouden gaan geven en zijn hoge geest niet tot slaaf zouden maken’. ‘Maar al spoedig kreeg Hess een afkeer van de verwaande doctorale dragers van het purper en wijdde zich aan Paracelsus, daar deze zich in elk geval bezig gehouden had met de harmonie tussen de geneeskunde en de natuur en noch het werk, noch het experiment geschuwd had – al had hij zich bij zijn speurtocht naar de samenstelling der dingen wel wat al te nieuwsgierig betoond.

Tegen deze weergave van het natuurwetenschappelijke werk van Tobias Hess moeten wij echter enkele bezwaren uiten. Ten eerste heeft Andreae hier kennelijk een poging gedaan zijn eigen opvattingen over Paracelsus, die niet vrij waren van vooroordeel, voor te stellen als die van Hess. Hess was echter een onvoorwaardelijke aanhanger van Paracelsus en als zodanig was hij in Duitsland dermate bekend dat Ulrich Bollinger hem in zijn dichterlijke opsomming van belangrijke spagirici aan het eind van de Basilica Chymica van Oswald Croll (1609) de volgende versregels wijdde: 

Ille prius rigidi perplexa volumina iuris, Nunc Opus evolvit, Rex Paracelse, tuum 

(Hess heeft de verwarde paragrafen van de gestrenge rechtswetenschap de rug toegekeerd om zich te kunnen wijden aan uw werk, o Koning Paracelsus). 

Ook kan men denken aan de herhaalde klachten van de gilde dokters tussen 1599 en 1609 over ‘die leerling van de goddeloze Paracelsus’ (ûimpii illius Paracelsi discipulus), Tobias Hess, die in zijn huis zelfs lezingen hield over de geschriften van Hohenheim. 

Ten tweede heeft Andreae hier volledig de intensieve bemoeiingen verzwegen die Hess met alchimie had, en die zich zelfs in Andreae’s eigen huis voordeden toen zijn vader nog leefde. Menig bewaard gebleven alchimisch recept staat op naam van de magisters Johann Andreae/Tobias Hess, en eindigt met de spreuk: ‘Immortali Spagyro Christo Jesu crucifixo et resuscitato, in unitate Patris et spiritus Sancti pro hisce magnalibus sit honor immortalis et perennis gloria in secula seculorum amen amen amen’ (Hem, Jezus Christus, de onsterfelijke spagiricus, de gekruisigde en opgestane, in eenheid met deVader en de Heilige Geest, zij voor eeuwig onsterfelijke eer en roem voor de hier geopenbaarde grote werken. Amen, amen, amen.  

Ten derde noemt Andreae weliswaar enkele auteurs die tot de geliefde lectuur van Hess behoorden (Paracelsus, Severinus), maar hij noemt niet al die andere werken waarmee Hess zich intensief bezig had gehouden en die hij voorzien had van talrijke notities in de marge en onderstrepingen (Ars magna van Llull, De arte cabalistica en De verbo mirifico van Reuchlin, Clavis Steganographiae van Trithemius, Oraculo della renovatione della chiesa van Savonarola, Biblia latina van Castellio, Mystica et prophetica libri Geneseos interpraeta tio van Brocardo, Zoroaster van Jessenius, Interpraetatio somniorum van Artemidorus en vele andere.

Ook maakt Andreae in de Immortalitas geen melding van het apokalyptische visioen over de leeuw in het woud in het vierde boek Ezra, dat Hess in zijn jonge jaren beleefd had en dat zijn leven totaal veranderd had, zoals hij beschreven heeft in een Latijns bericht (1605) aan zijn landsheer hertog Friedrich van Württemberg: 

‘De leeuw kwam achter mijn rug vlak bij mij, drukte mij de pen in de hand en drong er op aan alles op te schrijven wat ik tijdens het visioen zou vernemen.Toen ik nog een jongeman was, was deze zelfde leeuw mij eveneens verschenen, omringd door een grote menigte jubelende en met palmtakken wuivende begeleiders. Alleen reeds hun aanblik was voldoende om opnieuw de herinnering wakker te roepen aan de verloren gegane heilige staat. Onder afgrijselijk gebrul verklaarde de leeuw mij de reden van zijn handelwijze: dat hij namelijk gekomen was om te strijden voor zijn volk – dat tot in de tegenwoordige tijd dag en nacht op wacht had gestaan – teneinde het oordeel te voltrekken. Zo sprak de leeuw en terwijl hij nog sprak begon de aarde plotseling te bewegen, zodat ze op haar grondvesten schudde. Ik was als verstijfd en waagde het niet weg te rennen, ja, zelfs niet mijn mond te openen. Uit zijn muil, als ik het zo mag zeggen, stroomden vurige vonken en stormwinden, zodat de vogels opvlogen en daarmee alles wat ze tegenkwamen in een dikke walm en stof veranderden. Zelfs de adelaar – de schrik en tegelijkertijd het sieraad der wereld – die reeds zoveel tegenslagen in de tijd overwonnen had, werd opgejaagd, zodat hij zich verwondde en geleidelijk zijn veren verloor. De Babylonische hoer lag op haar rug ontbloot terneer, o poel des verderfs, zich smadelijk rondwentelend voor de ogen van de vele haar omringende volkeren en naties, die tevoren, toen zij nog alleenheerseres van de gehele wereld was, haar macht gevreesd hadden.’

Het is hier niet de plaats om op deze tekst, die voor de ontstaansgeschiedenis van de manifesten der Rozenkruisers een centrale plaats inneemt, nader in te gaan. Er zij alleen op gewezen dat zowel in de eigenhandige marginale aantekeningen, die Hess in zijn Latijnse bijbels aangebracht had, als ook tijdens de inquisitoriale verhoren die hij in 1605 in Tübingen moest ondergaan, steeds weer de strijd tussen de leeuw en de adelaar aan de orde komt, waarover in het zesde hoofdstuk van de Confessio Fraternitatis gezegd wordt: ‘Onze schatten zullen onaangetast worden gelaten, totdat de Leeuw zal opstaan, ze naar zijn recht zal opeisen en tot zich zal nemen en ze tot bestendiging van zijn rijk zal aanwenden.’

Andreae en Hess waren bij het redigeren van de Fama Fraternitatis volledig bekend met de profetieën over de leeuw in de canonieke en pseudoepigrafische bijbelboeken en Adam Haslmayr bewees zijn instemming daarmee door ze in verband te brengen met de pseudo-paracelsische profetie over de leeuw van middernacht. Hierbij moet bedacht worden dat zowel in de Fama als in het Antwort van Haslmayr ook de hoop op een politieke omwenteling in Europa stellig een rol heeft gespeeld: ‘Want Europa gaat zwanger en zal een sterk kind baren, dat een groot peetgeschenk zal moeten hebben’. 

In tegenstelling tot de confessionele publicaties sedert 1618, waarin de profetie over de leeuw van middernacht en zelfs de Fama der Rozenkruisers propagandistisch misbruikt werden ten gunste van de politiek van FriedrichV van de Palts of tot roem van Gustaaf Adolf van Zweden, ging het echter in de genoemde geschriften in de eerste plaats om een geestelijke omwenteling, een Innovatio orbis, zoals Hess het in zijn Latijnse brief aan hertog Friedrich van Württemberg noemde. Dat wordt volkomen duidelijk als men de talrijke door Tobias Hess in de marge van zijn handbijbel geschreven notities bij het thema ‘leeuw’ leest. Behalve de datum van Openbaring 18:8-10 berekende Hess onder andere ook het laatste uur van het pausdom, dat hij in het jaar 1620 verwachtte en waarmee dan het derde tijdperk van de Heilige Geest eindelijk zou aanbreken en de leeuw zou afrekenen met het geestelijke Babel: ‘Iudicium item de Babylone spirituali’.

Over de ‘naometrische’ tijdrekenkunde van Hess en diens bijbelse getallenspel sprak Andreae nog met respect nadat hij daarvan reeds lang afstand had genomen.Wel uitte hij jegens zichzelf en zijn jongere collega’s de beschuldiging dat zij hun leermeester hardnekkig steeds weer nieuwe gesluierde verzen en figuren hadden weten af te dwingen. Zo maakte hij ook met geen woord melding van Hess toen hij zich – onder de titel ‘Insolita’ – van de door Hess hogelijk gewaardeerde Simon Studion en Jacopo Brocardo afmaakt als ‘onbegrijpelijke zonderlingen’, en zich ook nog vrolijk maakte over de – door hemzelf bedachte! – ‘Fessana et Damcarica lingua’. Zelfs uitte hij er in zijn Immortalitas zijn verwondering over dat ook eerbare lieden op grond van onschuldige rekenkunde hun christelijke vriendschap met een medeburger beëindigden en hem zelfs vervolgden. 

Ook liet Andreae in zijn Theca vrijmoedig twee zinsneden staan die een sterk chiliastische strekking hadden. De ene betrof de ‘Cruce signati’, en dan niet in de zin van Simon Studion – die hieronder alleen militante Lutheranen en Zwinglianen verstond –  maar in de zin van de Cosmoxenus, dat wil zeggen : van Hess – daar mensen als hij ‘op deze wereld, onder zo vele tekenen Gods, niet als blinden ronddoolden, doch wisten waarom deze tekenen moesten geschieden en wat ze te betekenen hadden, dit in tegenstelling tot de onbenullen die ze voor doelloos en toevallig hielden’. In de andere passage is sprake van de leeuw, de redder, aan wie alles, zowel het oude als het nieuwe, te eniger tijd zal worden teruggegeven’. Deze zin, evenals de acht voorafgaande en de negentien volgende in de Theca, is afkomstig uit de Confessio Fraternitatis.

De Theca gladii spiritus, de schede van het zwaard des geestes, is het enige werk dat onder de naam van Tobias Hess gedrukt is. Het verscheen anoniem in 1616 in Straatsburg, maar Andreae, die het ter perse bezorgde, wekte met opzet de indruk dat de in het boek opgenomen achthonderd zinsneden een door Tobias Hess – die kort tevoren overleden was – samengestelde verzameling uittreksels uit gedrukte en ongedrukte werken vormde. Andreae had deze spreuken echter niet ontleend aan een concept van Hess, maar aan zijn eigen geschriften, die evenwel onder sterke beïnvloeding van Hess tot stand gekomen waren. Pas in 1642, in de Indiculus librorum, gaf Andreae te kennen dat hij de enige auteur van de Theca was. In zijn autobiografie of Vita verklaarde hij dit met de woorden: ‘Hesso imputata, plane mea’ (Weliswaar toegeschreven aan Hess, echter afkomstig van mij). Andreae had zich evenwel zozeer geïdentificeerd met de gedachtenwereld van zijn vriend, dat hij niet geheel onwaarheid sprak toen hij in het voorwaard van de Theca schreef: ‘Ex Adversariis Tobiae Hessii, viri pii atque in omni literatura versatissimi, nunc inter sanctis agentis, has sententias eruimus’ (Wij hebben deze spreuken ontleend aan concepten van Tobias Hess, de vrome man die uitstekend thuis was in de gehele literatuur en die thans in de hemel bij de heiligen verblijft). 

Met deze late bekentenis bestempelde Andreae zichzelf niet alleen als auteur van de Theca, maar indirect eveneens als auteur van de Confessio Fraternitatis R.C. De Theca van 1615 bevat namelijk – zoals Martin Brecht reeds in 1977 bewezen heeft – niet alleen talrijke citaten uit reeds verschenen of destijds nog niet eens verschenen werken van Andreae, maar ook de reeds eerder vermelde achtentwintig zinsneden uit de Confessio. 

Bron: Carlos Gilly in Fama Fraternitatis – oudste manifest van de rozenkruisers Broederschap bewerkt aan de hand van teruggevonden manuscripten door Pleun van der Kooij

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *