Cadeauboekje ‘Weg van liefde’: bloemlezing met gedeelten uit boeken van J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

DOWNLOAD HET CADEAUBOEKJE: WEG VAN LIEFDE (PDF)

In het jaar 2011 ontvingen alle Nederlandse en Vlaamse leden en leerlingen van de Internationale school van het gouden rozenkruis, Lectorium Rosicrucianum, een mooi boekje met een selectie van 21 gedeelten uit boeken van J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri.  Spirituele teksten heeft toestemming om om de inhoud daarvan te publiceren op deze website. Tezamen geven de driemaal zeven flonkerende fragmenten een indruk van de weg van liefde, het pad van de leerling. Hieronder volgt de integrale tekst van het cadeauboekje.

Woord vooraf 

Gnosis is de levendmakende kracht van de bevrijding, de samenvatting van de oerwijsheid, de samenbundeling van alle kennis die direct heen wijst naar het oorspronkelijke, goddelijke leven. Zij is een onpersoonlijke straling, een energie. Primair komen wij met haar in aanraking door het werk van gezondenen, en leren wij haar kennen door het woord. J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri zijn gezondenen van deze gnosis. 

Menige bladzijde van hun omvangrijk oeuvre toont wel aan dat zij zowel de wijsgerige kennis van de gnosis bezitten als de gave van het woord. In deze bescheiden bundel hebben een aantal vrienden fragmenten bijeengebracht, verzameld uit de titels die zij geschreven hebben. Het zijn fragmenten die verdieping brengen. Wie van het zoekende leven doordringt tot het verwerkelijkende leven kan zich in deze teksten spiegelen, in vreugdevolle bezinning overgaan tot handelen en zo zijn ziel de vleugels van het bevrijdende denken geven. 

De fragmenten zijn op losse wijze gegroepeerd rond een thema: ‘het plan – het lichtende leven – de vervulling’. Het is een thema afkomstig uit het boek Het christlijke inwijdingsmysterie – Dei gloria intacta, het eerste boek van de hand van de grootmeester dat in 1946 in feite het werk van het Lectorium Rosicrucianum inluidt.

In februari 2011 is in de centra in Nederland en België een bijzondere centrumbijeenkomst gewijd aan de literatuur van de grootmeesters. Daarin vindt het Lectorium Rosicrucianum aanleiding deze bloemlezing als een nieuwe impuls, als een inspirerende aansporing en als geschenk aan te bieden aan de daarbij aanwezige leerlingen. 

 

DE EERSTE ZEVENKRING – HET PLAN

I

‘Het is waar!
Het is zeker!
Het is de volle waarheid!’

‘Ja, ik geloof en betuig met mijn bloed:
ik ga tot het leven en het licht.
Wees geprezen, o vader,
uw mens wil met u heilig maken,
waartoe u hem alle macht hebt gegeven.
Richt nu uw hart op het Licht en ken het.
Want de tempel van het hart is de tempel van de ziel! 

De ziel moet het Licht van de Christus zijn. De ziel moet worden en zijn de zoon van de vader. Zo zien wij hoe de sleutel van de gnostieke mysteriën gelegen is in ons hart.
De koning, die de geest is, zal dáár worden verlost en weer gesteld worden op zijn troon in het opper-ste heiligdom, daarbij geleid door het Licht van de ziel. Daarom klinkt ook tot ons, in zeer diepe zin, bij voortduring het woord: 

‘Laat ons stil worden voor de heer!
Laat ons dus het hart omwenden!
Laat ons het altaar openen, en het heilige dat daar verborgen ligt koesteren in het Licht van de universele zon!
Laat ons de dienst staken in het biologische heiligdom, in positieve zin, en laat ons de positieve altaardienst verplaatsen gaan naar het hart!
Als wij daarin slagen zullen de lichtgolven van het heil bij ons binnenstromen. 

Zij zullen ons gehele wezen vervullen en een gewaad van nieuw Licht om ons heen spreiden, als een ademveld, als een gouden bruiloftskleed. En in de bedding van deze immense Lichtsfeer zal de gehele persoonlijkheid tot transfiguratie worden gevoerd. 
Tast in de kracht van de Gnosis, in de kracht van de liefdeadem Gods, uw gehele natuurwezen aan, dat van de alvader, van de geest, verbroken is.
Ga het pad van het endura, het pad van de grote omzetting. En u zult met zekerheid overwinnen.’ 

‘Maar…… wat talmt u nu?
Gaat u, nu u van mij alles hebt ontvangen, niet tot hen die het waardig zijn om hen als gids te dienen, opdat dank zij uw bemiddeling het menselijke geslacht door God gered moge worden?
Toen begon ik de mensen de schoonheid van het op God-gerichte leven, en van de Gnosis, de kennis die van en bij God is, te verkondigen.’ 

Uit: De Egyptische oergnosis en haar roep in het eeuwige nu, deel 1, p 89 

II 

In de inleiding van het boek De roep der rozenkruisers broederschap schrijft J. van Rijckenborgh in vurige bewoordingen over de strijd tussen de werken van de broederschap van het witte Licht en de krachten van de duisternis. Hij roept de lezer op om werkelijk een pionier te worden van het Licht, een krachtige mens die zich niet mee laat sleuren in het slaapleven van de massa, maar zich gereedmaakt tot de strijd voor goedheid, waarheid en gerechtigheid. In onderstaand fragment beschrijft de grootmeester de kenmerken van zo’n pionier, waarbij hij tegelijk de intense hoop uitspreekt dat u – als leerling van de geestesschool – zich hierin herkent. 

‘Hoe kunt u weten of u reeds een pionier bent? Een pionier is een vastbeslotene. Na zijn keuze te hebben gedaan, na zich te hebben gericht op zijn doel, gaat hij met grote vastberadenheid op dat doel af. Een pionier is een vasthoudende. Nimmer geeft hij de moed op. Hij is geen mens met vlagen van enthousiasme, van daverende actie, die daarna in vol- slagen nietsdoen vervalt. En mocht hij soms als een storm woeden, dan doet hij dat om de onbewusten te wekken uit de slaap. 

Een pionier is een wetende. Hij weet wat hij doet. Hij kent de structuur van het grote wordingsplan en weet dat de overwinning zeker is. En dus wordt de pionier de rustige, zó intens rustig dat hij staat als in koele gelijkmatigheid te midden van de brand der tijden. Stap voor stap gaat hij voorwaarts. In brede slagorde trekt de broederschap des Lichts op! Denk echter niet dat hier slechts sprake is van de op- lossing van een kosmische formule, van koele nuchtere zakelijkheid. 

Nee, de grote motorische kracht die achter deze kosmische methode staat is Liefde.
De pionier weet van deze geopenbaarde Liefde. Ze tintelt in alle dingen en ze spiegelt zich in ieder oog. Ze is ‘in, door en tot’ alle dingen. Het is de Christus-synthese. De ware pionier heeft iets van deze Christus-synthese en streeft ernaar om er steeds meer van te bezitten. En denk nu niet aan een dichterlijke, mystieke of vage dooddoener. De pionier strijdt met het vuur van de liefde. 

Zoals het vuur van de lagere, de egocentrische liefde de mensheid verscheurt en onze samenleving tot een hel maakt, zeer concreet en tastbaar, zo is het vuur van de Christus-liefde in staat deze lagere levensgemeenschap te verscheuren door het vuur van de daad. 

En zo breng ik u op deze wijze dicht bij onze arbeid, dicht bij de rozenkruisers broederschap en haar Aquariuswerk, dicht bij de brand van de liefde, die fel woedt in de hele wereld om het lagere te vernietigen. In onze tijd? Met zijn verwordenheid, zijn verraad, zijn rode bloedsdrift? Is dat niet zoiets als loos gepraat, onverantwoordelijk, volstrekt onbewijsbaar? 

Nee, inderdaad is er sprake van die brand der liefde in onze tijden. Het is de Fama Fraternitatis, de ‘Roep der broederschap van het witte Licht’, die wij tot u willen overdragen.’ 

Uit de inleiding van: De roep der rozenkruisers broederschap 

III 

Vervolgens nodigt de grootmeester deze pioniers, die de roep naar goedheid, waarheid en gerechtigheid in hun innerlijk vernomen hebben, uit zich aaneen te smeden tot één groep. 

‘Hier hebt u de signatuur van ons nieuwe werk, dat wij met u zo gaarne willen ondernemen.
Wij ontvangen de geest van de vernieuwing in onze bokalen, de geheven graalbeker houden wij, zo wij omgewend zijn, in onze geheven handen. En wanneer de bekers dan vol geworden zijn, stemmen wij onze godsgeschenken op elkaar af. Dan zorgen wij dat we al het ontvangene laten samenklinken op één toon en in één vibratie. 

Dan gaat er een kracht van onze arbeid uit, zo geweldig en zo formidabel, dat er opvaart komt en een expansie die voor het bewustzijn van iedere buitenstaander niet meer uit de gewone natuur te verklaren valt. 

Zie, zo bouwen wij tezamen een tempel. En wij kunnen slagen, want alles om dit te bereiken is ons geschonken! Daarom bezitten wij een tempel, een tempel van de ene Geest! En wij noemen die tempel ons krachtveld.’ 

Uit: Het universele pad, p 89 

 IV 

Voor alles heeft de bouwer aan de tempel de juiste instrumenten nodig, het juiste gereedschap. De grootmeester wijst ons die in de Bergrede. Met name de negen Zaligsprekingen zijn een veilige gids voor iedereen die op de uitnodiging ingaat en die de handen aan de ploeg wil slaan. 

‘Zachtmoedigheid is de absolute moed, die niet forceren wil en niet forceren kan, krachtens de innerlijke staat van de leerling. Binding met het koninkrijk is de eerste zuil; kracht om het werk te volbrengen de tweede zuil. En nu moet deze tweevoudige genade Gods met zachtmoedigheid in de natuur worden bevestigd, en met zachtmoedigheid moet de grote overwinning worden behaald. 

De moed van de natuur is altijd forcerend. De moed van de natuur vloeit menigmaal voort uit drift. Met de moed van de natuur gelijkt men op een inbreker. De moed van de natuur slaat altijd wonden; hij is scheurend en vernielend. 

Maar de moed die geboren wordt uit de geestorde van Jezus Christus is het gevolg van een vernieuwd wilsevenwicht. De zachtmoedige hunkert niet naar oogverblindende successen, want hij weet dat de glans van een dergelijk succes spoedig verbleken gaat. De zachtmoedige wordt geen ontmoedigde wanneer het resultaat van de arbeid uitblijft en het werkveld gegrepen wordt door het satanisch drijven, want hij ziet achter alles het uiteindelijke bereiken van zijn doel als een nimmer dalende zon lichten. En daarom gaat hij voort met een stille, onverbrekelijke moed, als een die het pad bewandelt en zijn doel najaagt, zonder op de aanvankelijke dialectische uitkomst te letten. De moed die geboren wordt uit een vernieuwde geest is ook steeds volstrekt onpersoonlijk, volstrekt kritiekloos, en hij blijft niet stilstaan bij bijkomstig- heden. Als de mensen zeggen: ‘Mijn God, wat is het grauw in uw werkveld!’, dan antwoordt de zachtmoedige: ‘U hebt gelijk, grauwer kan het haast niet’, maar vastbeslotener dan ooit gaat hij voort. Hij wordt niet de ontmoedigde, want hij ziet achter alles de overwinning naderen. […] 

Vrienden, hebt de moed om zachtmoedig te zijn! Strijdt uw strijd met de lichtebrand van de onpersoonlijke liefde. Forceert niets en weest niet agressief. Laat het wonder van de overwinning zich door zachtmoedigheid voltrekken.’
‘Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het koninkrijk beërven!’ 

Uit: Het mysterie der zaligsprekingen, p 68 

V 

Zo wordt deze opmerkelijke groep mensen, die vanaf het begin begrepen dat de ware tempel een geestelijk tehuis is, toegerust voor haar taak. Naarmate zij nu doordringen in dat plan en hun verlangens, hun hart, daarmee gevoed worden, en dat hart aldus door het grandioze Licht van de Gnosis verlicht wordt, dan gaat het voor heel deze wonderlijke vervulling open. De roos bloeit open en de hogere mens, die de leerling als microkosmos omvat houdt, gaat dan tot hem spreken. Zo gaat de kandidaat binnen in wat de ouden aanduidden als de periode van de mystieke verlichting, van de koestering van het hem aanrakende plan. 

‘Als nu een mens door één van die twaalf stralen getroffen wordt, geroepen wordt, dan wordt hij naar het kruis geleid en wordt hem gewezen hoe hij die kruisweg van transfiguratie heeft te gaan. Daar nu, op die kruisweg, volkomen in het hart, in het crisispunt waar de leerling door moet breken, door het horizontale moet breken tot het verticale, het van deze natuur afvoerende, daar, in dat hart, staat Isis, ons aller moeder, de moeder des levens, de roos. Daar wordt het kruis een rozenkruis.

De moeder der genade wordt beurtelings voorgesteld als een lotus en als een roos. De leerling die de roos ontmoeten gaat op zijn kruisweg is de gelukzalige, want als de roos gewonnen is dan is hij de sterke geworden die niet meer falen kan. Hij is in de schoot van Isis teruggekeerd en hij begroet de morgenstond van het bereiken. 

In de voorhof van het rozenkruis ziet u een eenvoudig en sober symbool van het rozenkruis. Zo ooit, dan kan van dit symbool gezegd worden dat het de weg, de waarheid en het leven projecteert. Een ander aanzicht dan u tot nu toe wellicht dacht. Beter dan ooit tevoren ziet u waarschijnlijk nu het rozenkruis als symbool van de verloste mens die zijn stervensstonde naar de natuur ver achter zich gelaten heeft. 

Let wel, de school van het rozenkruis is een gemeenschap die zich niet bezighoudt met metafysische en esoterische speculaties, maar die vrijmetselaars vormt, vrije metselaars in de voetsporen van ons aller meester: Jezus Christus. 

Hij, de volheerlijke, is ons alles.
Hij is de zoon van de wereldmoeder, en de zoon van de allerhoogste.’ 

Uit: De broederschap van Shamballa, p 49-50 

VI 

De grootmeesters ontvouwen het indrukwekkende beeld van de negenvoudige mens. Als een glanzend idool in de microkosmos ontwaren wij de eerste in- drukken van de oorspronkelijke mens in de aura van de roos des harten, zo verheven en mooi dat Christiaan Rozenkruis alleen maar kon verzuchten: ‘Daar zag ik Vrouwe Venus liggen, zo schoon en bevallig dat ik als aan de grond genageld stond.’ 

‘De negenvoudige mens, naar geest, ziel en lichaam, is geboren, onsterfelijk, heerlijk en alvermogend, geopenbaard uit de geest Gods. 

In het lichaam spreken de ziel en de geest.
In de ziel openbaren zich zowel het lichaam als de geest.
In de geest bewijzen zich de ziel en het lichaam.
In het denkvermogen, dat zijn zetel heeft in het hoofdheiligdom, behoort volledig de eeuwige geest te spreken en zich te weerspiegelen. 

In het begeertelichaam (of astrale lichaam), dat zijn zetel heeft in het hartheiligdom, behoort de eeuwige ziel zich te openbaren.
In het grofstoffelijke lichaam, dat als voertuig van de verwerkelijking in het bekkenheiligdom een scheppingsvat van geest, ziel en stof bezit, behoort de onsterfelijke mens zich te bewijzen en te openbaren. Als het goed is behoren bij de werking van het wils- en denkbeginsel geest en stof elkaar te ontmoeten in het ziele-aanzicht dat wij aanduiden als het zenuwfluïde; bij de werking van het wijsheidsbeginsel, geest en stof elkaar te ontmoeten in het ziele-aanzicht dat wij aanduiden als het stoffelijke bloed; bij de werking van het werkzaamheidsbeginsel, geest en stof elkaar te ontmoeten in het ziele-aanzicht dat wij aanduiden als het lymfevocht, terwijl (alweer: als het goed is!) de gehele ziel en de gehele lichaamsgestalte zich, in de uitkomsten van hun werkzaamheid, aan de drievoudige geestgestalte (goddelijke geest, levensgeest en menselijke geest) meedelen en zich daardoor in hen bewijzen.
Het voorgaande moge duidelijk maken dat wij de ziel niet verwarren met de geest. De ziel maakt enerzijds de geest lichtend, anderzijds draagt en openbaart de ziel de lichaamsgestalte: zij maakt de lichaamsgestalte mogelijk. De ziel wordt in de universele wijsbegeerte aangeduid als het bloed, een aanduiding die een algehele samenvatting is van al de aanzichten van dit grote levensbeginsel.’ 

Uit: Elementaire wijsbegeerte, p 130 en 131 

VII 

De mystieke levenshouding en het stille, rustige voortgaan, zoals beschreven in het fragment uit De Chinese Gnosis, zijn die fasen van het endura, die de leerling zelf bewust kan ondergaan. Zij of hij kan daarin – door het niet-doen – een min of meer actieve rol spelen. Op deze wijze vormt zich eveneens een bedding waarin welomschreven en zeer duidelijke levensresultaten zichtbaar worden. J. van Rijckenborgh stelt die gelijk aan de evangelische wedergeboorte, die betrekking heeft op de hemelse andere. Twee innerlijke ankers zijn daarbij onontbeerlijk. 

Het derde inwijdingsstelsel van het christelijke mysterie 

‘De nieuwe toekomst is aangebroken. Allen die een gnostieke ontwikkelingsgang verlangen en nastreven, worden nu geplaatst voor het christelijke inwijdingsmysterie van het heilige Rozenkruis voor de nieuwe era. Dit stelsel wordt ons verborgen gegeven in het evangelie van Jezus Christus, een stelsel dat voor iedere zoekende mens onafwijsbaar is geworden, een stelsel dat de uiteindelijke openbaring van het werkelijke christendom mogelijk zal maken. 

Het inwijdingsmysterie van de nieuwe era heeft betrekking op de persoonlijkheidsverwisseling, het geheim van de evangelische wedergeboorte. Opnieuw geboren worden, opwekking van de sla- pende hemelse gestalte, dat is de opgaaf die het derde magische stelsel de zoekende mens, middels het christendom overdraagt. Het is de opstanding ‘ten derde dage’, waarvan Johannes 2 getuigt. Christendom is de verlichting uit en verzoening met de oorspronkelijke idee en met de oorspronkelijke staat van het oermenselijke geslacht, het dusgenaamde koninkrijk der hemelen. 

Wil de kandidaat de wedergeboorte met succes aanvangen en doorzetten, dan zijn er twee dingen nodig: ten eerste fundamentele verandering en ten tweede de binding met de Christuskracht. De wording van het nieuwe wezen voltrekt zich van boven naar beneden. Eerst het denkvermogen, dan het astrale lichaam, dan het etherlichaam als de matrijs voor het nieuwe stoflichaam. 

Dit structureel sterven en geboren worden – dat wil zeggen het inwijdingsproces – heeft drie maal zeven aanzichten. Gesproken wordt van de drie zevenkringen. Iedere kring heeft zeven aanzichten, stelt zeven vermogens en plaatst de kandidaat in zeven werkvelden. In de eerste zevenkring verdwijnt in de kandidaat al het dialectische en wordt de kern voor nieuw, onsterfelijk, onstoffelijk lichaam gevormd. In de tweede zevenkring wordt het lichtende leven hem tot een bezit en in de derde zevenkring keert hij terug tot de Godsorde, het vaderhuis. Deze ontwikkeling wordt geleid door de Christushiërarchie en de heilige zevengeest. Het is een pad van zelfvrijmetselarij.’ 

Uit: Het christelijke inwijdingsmysterie – Dei gloria intacta, p 10 

 

 DE TWEEDE ZEVENKRING – HET LICHTENDE LEVEN

VIII 

En tot hoe ver reikt nu ons oog? De grootmeesters ontvouwden voor ons, zoveel dit mogelijk was, de diverse stadia van bewustwording, en in dit alles het dadenleven van ons als kandidaat: vanaf de eerste schrede tot de wording van het goud-witte ei, de toebereide pinealis waarin de geest neerdaalt om zich te verenigen met de ziel: de alchemische bruiloft. Dankzij hen hebben wij, als het ware als ooggetuige, van verre de ontwikkeling van en in Christiaan Rozenkruis kunnen volgen. 

‘Waarom heet de mens die een transfiguristisch wordingsproces ondergaat, Christiaan Rozenkruis? 

Hij heet zo omdat zijn voornaam, zijn begin, in Jezus Christus staat, dat is de kracht van het andere leven, dat is de Gnosis. Hij heet zo omdat zijn achternaam betrekking heeft op zijn gehele verzonken dialectische wezens-werkelijkheid, die hij in de kracht van Christus wil transfigureren. De roos is de aura en het kruis is de dialectische persoonlijkheid. Als de roos aan het kruis wil bloeien, moet de roos gevoed worden door het hartebloed Christi en ontluiken in het wonderbaarlijke zonnelicht van de Gnosis. 

Dit is geen mystieke taal, maar het teken van het noodzakelijke proces in enkele korte trekken. Ons begin, onze voortzetting en ons einde moeten zijn: in Jezus Christus onze heer. Hoe kunnen wij dat bereiken? 

Door de roos, dat is de aura, te openen voor de stralingen van deze nieuwe dageraad. Daarin ligt het zwaartepunt van de gehele hoeksteenvrijmetselarij. Wij allen kunnen in onze hof de roos, de heilige roos van de mysteriën, tot bloei brengen. Daarom moeten we de geheimenissen van de aura leren begrijpen.

In de aura, de meest fatale karmadraagster van ons gehele wezen, moeten we al het onkruid wieden. En als het zich niet met het vlijmscherpe mes van de schoffel verwijderen laat, moet het worden uitgerukt, opdat de roos van de mysteriën zal kunnen opwaken. Als de rozenhof niet in overeenstemming is gebracht met de goddelijke eis, dan is een bloeien van de roos aan het kruis, dat wil zeggen: een aantasting van de persoonlijkheid in bevrijdende zin, een volkomen onmogelijkheid.

Waarom keren wij steeds terug tot onze oude gewoonten? Waarom worden we steeds weer opgesloten in onze oude gedachtencirkel? Omdat we het kwaad niet in de wortel, die in de aura te vinden is, aantasten. Daarom zullen we een zuiver evangelische weg moeten gaan, namelijk van de eerste aanraking door de broederschap tot de avond voor Pasen. 

In deze kruisgang wordt de rozenhof herboren en gaat de leerling een nieuwe geestelijke gemeenschap binnen. Deze gemeenschap moet fundamenteel steunen op een rustige, reine, evenwichtige aura die geworden is tot een stil, kristallen meer dat in staat is het eeuwige zonnelicht zonder vervormingen in de persoonlijkheid te weerkaatsen.
Wie dat heeft bereikt, heeft de roos aan het kruis bevestigd. Wie dat bereikt heeft, kent het wezen van de Christus in hem.’ 

Uit: Het nieuwe teken, p 23 

IX 

Als op deze wijze de contouren van het plan zich enigermate aftekenen in het bewustzijn van de leerling, zodat hij weet vanaf welk standpunt de wijsheid en de universele leer tot hem komen, kunnen de grootmeesters erop vertrouwen dat allen die in de geestesschool bijeen zijn hun pad in de praktijk kunnen vervolgen en hun onderzoek naar de aard van het heelal, de schepping en het albewustzijn op de juiste wijze kunnen uitvoeren. 

‘De oergrond aller dingen wordt door Lao Tse ‘Tao’ genoemd. Dit woord, dit Tao, kan niet gezegd worden. Het kan door geen sterveling in volkomenheid omschreven worden. Het kan hoogstens worden aangeduid, min of meer worden benaderd. Zou Tao in volledigheid intellectueel, filosofisch uitgezegd kunnen worden, het zou de eeuwige Tao niet zijn. Slechts wat binnen een dialectische grens gelegen is, kan gezegd worden. 

Door dit te constateren, wordt al onmiddellijk het wezen van de aardse mens, de dialectische mens, begrensd, nadrukkelijk vastgesteld.Het druk doen van de dialectische bewogenheid, het voortdurend bezig zijn op dit vlak van bewustzijns- werkzaamheid, houdt de werkzaamheid van het oeratoom tegen. 

Alleen de stilte van het niet-doen, het zich afsluiten voor de dialectiek, baant een weg door de woestijn van het leven. De stilte is de voorloper van Tao’s spirituele essence. Het niet-doen van Lao Tse betekent dat u de waarden, de krachten, het wezenlijke van het onbeweeglijk koninkrijk, niet vastgrijpt met uw ik. Niet doen, wordt er tegen u gezegd. Kom dáár niet aan! Als u de dingen van het onbeweeglijk koninkrijk met uw handen aanpakt, als u met uw ik daar bovenop springt, dan wordt u eraf geslingerd. 

En juist dat is het geheim, het heilsgeheim: juist omdat hij er zich niet aan hecht, gaat het niet van hem weg. Wanneer iemand, als een stille schouwer, in zelfovergave het pad gaat, komt hij tot de ontdekking dat, hoewel hij zich in het innerlijke wezen iedere seconde distantieert, het nieuwe leven hem als het ware overstraalt. Het is niet van hem, het nieuwe leven is van de ander, maar het eigen dialectische zelf smelt daarin geheel en al weg. Dat nu is de leer van het niet- doen. Dat is de weg, het pad. Dat is Tao. 

De methode van niet-doen is een stille, rustige blijdschap en in die stille, rustige blijdschap voortgaan, in totale zelfovergave aan het koninkrijk-binnen-in-u, het oeratoom. Dát nu is zijn zaak maken van het niet-doen. Dát is de leer ondergaan zonder woorden.’ 

Uit: De Chinese Gnosis, p 26, 37, 39 

X 

Leerlingen van een geestesschool zouden hun naam als brenger van licht niet met ere mogen dragen, als ook zij de roepstem in zichzelf zouden laten zwijgen en de onbewuste staat van de mens zouden laten voor wat deze tot op heden is. 

‘Het magnetische veld dat de dialectiek tot aanzijn, tot verwerkelijking roept, ontwikkelt een reeks van perioden, en dus een tijdruimtelijke gang van de mensheid. In deze tijdruimtelijke gang valt er door de mens van deze natuur niets te besluiten. Er is daartoe geen vrije mogelijkheid in ons. Er wórdt over de mens besloten. De mensheid wordt gedirigeerd. Want: magnetische staat is bewustzijnsstaat en bewustzijnsstaat is levensstaat! Dat wat in het elektromagnetische veld existeert, projecteert zich in ons brein, openbaart zich als bewustzijn en wat als bewustzijn in ons staat, drijft tot levensopenbaring. Daarom geldt voor ons: wij worden naar de natuur volkomen gedirigeerd. Wij hebben niets te besluiten. Er wordt óver ons besloten.
[…]

Maar anders wordt het wanneer wij weten dat de tijd- ruimtelijke orde, met haar gang van de mensheid, ook een vatbaarheid toelaat voor nog een ander magnetisch veld, namelijk het magnetische veld van de Gnosis. En wanneer we eenmaal met dat andere veld verbonden zijn, worden we daardoor geleefd en gaan we een wetmatige gang in dat ándere magnetische veld.
[…]

De leerling zal de Johannes in zich herkennen, erkennen, vertrouwen en volgen gaan. Zo begint immers het evangelie? Hij zal bereid zijn deze roepende in de woestijn, deze grote priesterlijke, profetische kracht-in-hem te volgen, in een totaal openmakende levenshouding, met de heilige rust en het vertrouwen van een nieuwe vermogensstaat. U bent, broeders en zusters, onmetelijk rijk! Wat belet u die opgaaf, die uitnodiging van de Johannes-in-u te volgen?

De school doet alles om haar leerlingen te doen verstaan wat deze nieuwe levenshouding van ons wil, wat deze nieuwe levenshouding ons te zeggen heeft. Het is een levenshouding die bewust kan en moet worden gezien, met behulp van de vierde kandelaber. Met een naar binnen schouwende blik, met het licht van het zielecentrum in u, kunt u het u door de Gnosis geschonken vermogen waarnemen, en ervaren waartoe het u in staat stelt. En dit nieuwe vermogen zal hoogst dynamisch en zeer, zeer machtig worden wanneer u bewust, in de zekerheid van uw vertrouwen en dus van binnenuit, alle wils- en denkobstakels opzij gaat zetten. 

Want die wils- en denkobstakels van u bestaan in wezen niet! Het zijn begoochelingen op het pad des heils. Ja, wanneer u zich horizontaal blijft oriënteren, blijft ieder obstakel ook een werkelijkheid voor u. Maar zodra u de verticale opgang in de toren gaat beklimmen, vallen alle belemmeringen weg; dan kijkt u over de muren heen, dan bestaan die muren niet meer voor u.’ 

Uit: De gnosis in actuele openbaring, p 201 

XI 

Stap voor stap licht de grootmeester de praktijk van deze weg toe in zijn verklaringen bij de twaalf uren van het magische geschrift van Apollonius van Tyana, het Nuctemeron. Hij doet dat door de consequenties die het zijn in deze natuur met zich meebrengt in volle werkelijkheid onder ogen te zien. Daarbij geeft hij aan hoe wij dat, wat een belemmering en een nadeel lijkt te zijn, om kunnen zetten in de meest gunstige omstandigheden die een leerling zich kan wensen om mee te werken aan het grote werk. 

‘In twaalf uren of treden worden voor iedere kandidaat concrete aanwijzingen gegeven op welke wijze de dag Gods in hem, in haar kan en zal worden verwerkelijkt. Het ‘onderbewuste’ dient onder te gaan in het ‘bewuste’ en beide in de loutering van de Gnosis. Daarmee begint de taak waarvoor het Nuctemeron ons uitnodigt. Wie ja zegt tegen deze taak wist niet zijn of haar karma uit maar maakt zijn of haar verleden positief bruikbaar als een schat van wijsheid, ervaring en kracht. De negatieve krachten zijn dan omgebogen tot positieve bruikbaarheid in de loutering van de Gnosis.

In die werkelijkheid grijpt Apollonius van Tyana zijn leerlingen aan en stelt hen voor de meest ontstellende waarheid van de dialectiek: dat iedere mens het product is van het totale verleden van de micros. Het heden en verleden verstrengelen zich tot twee ikken: het bewuste en het onderbewuste. Hoe moeten wij nu staan in deze ontstellende werkelijkheid? 

Wij moeten deze werkelijkheid aanvaarden! En wij moeten trachten dat gecompliceerde totaal van zo veelsoortige magnetische spanningen te plaatsen voor de Gnosis en haar Licht. Zo roepen wij de vertroostende genezende stralen op van Bethlehem, in diep geloof. En wanneer wij deze helpende en genezende krachten oproepen en ons overgeven aan deze magnetische stralingen dienen wij er natuurlijk geheel en al uit te leven en te zijn. Wij dienen ons dan ook zeer serieus in te spannen om er wat van terecht te brengen. Tenslotte worden in het twaalfde uur door het vuur de werken van het eeuwige Licht vervuld!

De werken en de plannen van het eeuwige Licht hebben zonder onderbreking altijd betrekking op de praktijk van de universele wet van de liefde: te redden wat verloren is, te troosten wat verslagen is, de wonden te helen van al hetgeen smartelijk getroffen is.

Door al de eeuwen heen is er een gnostiek rijk geweest, een machtig koninkrijk op aarde dat moet worden gerealiseerd door de ingewijden, opdat binnen dat rijk door de kracht van het rijk de hulpzoekenden hun weg zullen kunnen vinden. Wat is nu de meest belangrijke taak van een leerling in de geestesschool? Het is: door zelfovergave aan het heilige werk de mogelijkheid scheppen dat het nieuwe astrale vuur zijn arbeid zal kunnen verrichten in ónze tijd. 

Door zelfovergave en persoonlijke liefdedienst voor wereld en mensheid kunnen wij het mogelijk maken dat de groep voldoende geslepen en gepolijst zal blijken om, als spiegel voor het Licht van de universele astrale zon, genoeg glans van de eeuwigheid in onze duistere wereld te kunnen weerkaatsen. Zij die zo kunnen meewerken zullen in de volle zin van het woord gnostieke magiërs genoemd kunnen worden.’ 

Uit: Het Nuctemeron van Apollonius van Tyana 

XII 

Terwijl wij dachten dat er eerst het voorbereidende werk aan onszelf moest gebeuren, blijkt dat ieder die waarlijk leerling is vanaf het allereerste moment in gnosis-liefdedienst staat. 

De Liefde (1) 

‘Uitvoerig hebben wij u mogen inlichten over de naastenliefde, die zich openbaart in een daadwerkelijk in de Gnosis stralend, nieuw existentieel vermogen, en niet verward mag worden met het goedheidspotentieel van de dialectische mens. Dit nieuwe vermogen komt tot ontwikkeling bij de leerling […] die, zonder dit proces met de ik- centraliteit van de oude natuur te dwarsbomen, de lijfelijke totstandkoming van een nieuwe magnetische kring van gnostiek fluïde in de sympathicus heeft mogelijk gemaakt. Het licht dat van deze magnetische vuurkring straalt, is de naastenliefde waarvan de universele leer spreekt. 

Zij is een waarlijk goddelijke kracht, in het vlees geboren, en zij verleent een apostolaat, dat wil zeggen dat een kandidaat die deze kracht gaat bezitten een werkelijke dienaar Gods kan zijn, een dienaar van de Gnosis. Wanneer deze liefdekracht in het stelsel van enige leerling gestalte krijgt, is het hem mogelijk deze heilige kracht, ook wel heilige geest genoemd, uit te stralen tot, en over te dragen aan hen die hunkerende en zoekende zijn naar de geest. Zulk een broeder of zuster zal dan van binnenuit met de ontvangen Gnosis anderen kunnen bereiken en helpen. Het magnetische fluïde van het andere rijk kan aldus in mensenharten die er voor openstaan worden bevestigd.’ 

Uit: De komende nieuwe mens, p 237 

XIII 

Vanuit een groot verlangen de mensheid en onze naaste van dienst te zijn, worstelen wij in de praktijk met de vele aspecten van de liefde, voordat ons zielebewustzijn voldoende krachtig is om de ontstellende waarheid omtrent de liefde te kunnen omvatten. 

De Liefde (2) 

‘Denk nu eens na. Als wij constateren: de liefde be- weegt de wereld, dan zeggen wij feitelijk ook: de liefde houdt de dialectische openbaring, de natuur des doods in stand.
Maar dat is toch verschrikkelijk? Dat zou toch duivels zijn? 

Nee, zegt Tao: de alopenbaring is niet menslievend. Zij kent geen liefde. En u kijkt elkaar vertwijfeld aan en zegt: ‘Waar zit de fout?’ Door de eeuwen heen werd die vraag gesteld. Daarom doen wij het ook: ‘Waar zit de fout?’ 

Moet onze liefde sekseloos zijn of zo iets, algemener en gecultiveerder?
Nee, zegt Tao: De alopenbaring kent geen mensenliefde, hoe dan ook. En hier stort nu een gehele wereld- en levensbeschouwing ineen en u voelt zich ontredderd… 

Hieruit valt maar één conclusie te trekken, namelijk dat wanneer de Bijbel over liefde spreekt en zegt: God is liefde, er iets totaal anders wordt bedoeld dan u ermee kunt bedoelen. 

De liefde Gods is niet super-universeel of sekseloos of zo iets.
Ze is en bedoelt iets heel anders.
[…] 

In de goddelijke openbaring heerst een alritme, een ritme dat in het kleinste atoom aanwezig is. Deze toestand-van-zijn kent geen tegendelen, geen slagschaduwen, en brengt onveranderlijk zichzelf voort. Daar wordt geen goed ingezet tegen kwaad, geen schoonheid tegen het lelijke, geen liefde tegen haat, geen waan tegen werkelijkheid. 

De Gnosis heeft geen liefdeseigenschap; de liefde gaat niet van haar uit; zij is liefde! Met andere woorden: de liefde Gods kent geen gerichtheden, geen strijd, geen activiteit. Zij is in zichzelve. Zij is een wereldorde; zij is die wereld zelve! En daarom mateloos krach- tig, te vergelijken met een blaasbalg. Als een blaas- balg ritmisch samengetrokken wordt, brengt hij grote kracht voort. Zo brengt het alritme van de alopenbaring grote kracht voort en niets kan daarin zijn wat met dit alritme in tegenstelling is.’ 

Uit: De Chinese Gnosis, p 60 

 

XIV 

De mens is een lichtgevoelig wezen en de liefde is een tweevoudig proces, leren J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri ons vervolgens. Enerzijds is de liefde het nieuw-menselijke potentieel dat van de leerling en vooral van de leerlingen als groep uitgaat, anderzijds is zij een universele straling die iedere mens sterk beïnvloedt. Aldus voeren de grootmeesters ons binnen in de wetenschap van de zeven stralen. 

‘Het essentiële van de Gnosis is dat zij er enerzijds van uitgaat dat de alopenbaring zich verwerkelijkt door een veelheid van lichtstralingen en anderzijds van het feit dat de mens een lichtgevoelig wezen is. 

Iedere mens met de rozenknop in het hartheiligdom wordt getroffen door de elementaire straling van de Gnosis. De rozenknop is een wereldorde, een wereld- ziel, een alopenbaring die zich hier niet kan doen gelden. Ik draag een nieuwe wereld met mij mee, drievoudig goddelijk, maar niemand kan tegelijkertijd in en van twee werelden zijn. […]

Het leven van de mens, in al zijn op- en neergangen, is alleen maar te verklaren uit de lichtkrachten die op dit moment bemoeienis met hem houden. Zijn moeilijkheden komen niet primair voort uit zijn verhouding tot zijn medemensen, tot de maatschappij, tot het leven, maar zij zijn uitsluitend het gevolg van een invloed die een zekere groep elektromagnetische, radioactieve stralingen, stromingen en velden op hem uitoefent en daaruit zijn zijn gangen en avonturen te verklaren. 

Als zijn lichtbindingen op een hoger plan stonden zouden al zijn tegenwoordige begrenzingen wegvallen’. 

Uit: De gnostieke mysteriën van de Pistis Sophia, p 539, 541 

 

DE DERDE ZEVENKRING – DE VERVULLING

XV 

De praktijk van het lichtende leven maakt ons als leerlingen geschikt om stap voor stap de ziel een woonplaats te bieden. We leren dat door de ervaring die we opdoen in het werken met de gnosis-energie, en door schade en schande indien wij deze loslaten. Maar het moment komt dat het Licht het rozenhart ongehinderd kan bereiken en alles wat ons hindert van ons wordt genomen, in de mate waarin wij in de ongehechtheid staan. 

‘Immers, zolang u door het natuurgeboren leven moet heengaan, hebt u dat leven en zijn eigenschappen nodig. Daarom klinkt de raad: koester terzake van de levensgang door deze natuur geen haat en tracht niet deze te ontvluchten. 

Maar wat dan? Wel, als u de menselijke schoonheid en goedheid liefhebt, noch haat en haar evenmin tracht te ontvluchten, staat u met betrekking tot de dialectische natuur in de ongehechtheid. Er is dan niets wat u daaraan bindt en er is ook niets wat u kan ophouden. U doet uw dagelijkse plicht zonder morren, zonder zuchten, zonder wraakgevoelens en zonder daden van verzet. 

U gaat door het donkere leven van deze natuur krachtens een wet die u daartoe drijft. U kunt uw geboorte in deze natuur niet verloochenen. Doe dus uw plicht, krachtens het feit dat u dit nu eenmaal moet, en doe het met een opgericht hoofd. Zonder haat, zonder ontvluchting, zonder liefde. En als u op ’s levens paden een mede-waarheidszoeker ontmoet, volsta dan met een begrijpend knipoogje. Waarheen is de waarheidszoeker dan op weg? De waarheidszoeker keert terug tot de grond der dingen, tot de basis van alle wording. De waarheidszoeker keert terug tot het alleen-goede. Alleen in God is het goede te vinden. 

En wie God vindt, wie aan het goede deel krijgt, is van stonde aan niet meer van deze wereld. Als u God gevonden hebt, existeert u met de andere broeders en zusters in het nieuwe levensveld, in de zielewereld.’ 

Uit: De Egyptische oergnosis en haar roep in het eeuwige nu, deel 3, p 17-18

XVI 

De leerling ondergaat bewust dat, volgens de krachtstructuren van de godsordening, in hem de nieuwe zielemens ontwaakt en een andere, stralende en vreugdevolle geest het nieuwe zielewezen verlicht – aangezien hij ernstig volhardt in zijn streven een licht te zijn dat voor anderen kan schijnen. Steeds opnieuw kan hij zich laven aan de vuurzuilen van het geestelijke Licht die de geestesschool via haar brandpunten ontstoken heeft. 

‘Gnosis wordt veelal geassocieerd met verborgen kennis maar oorspronkelijk was Gnosis de samenvatting van de oerwijsheid, de samenbundeling van alle kennis die direct heen wees naar het oorspronkelijke, goddelijke leven van een werkelijk onaards-goddelijke, menselijke levensgolf. Gnosis is het stralende wezen van het onbeweeglijk koninkrijk, van het levensdomein van onsterfelijke, niet gevallen zielen. 

Gnosis is kracht, straling, licht. Die kracht straalt in deze wereld en wil zoeken hetgeen verloren is om te wekken wat met haar wezen overeenstemt. Het gaat er daarbij om de in de microkosmos sluimerende godsvonk te wekken en tot activiteit vrij te maken.
Gnosis vertegenwoordigt de goddelijke eenheid, vrijheid en liefde. De apostel Paulus wist dat Gnosis en geest een zijn en dat niemand de gnosis kan naderen dan alleen met een werkzame geestvonk.

De Gnosis werkt als kracht tot twee groepen mensen: ten eerste tot diegenen met een werkzame geestvonk, om die weer thuis te brengen en ten tweede tot de groep mensen met een slapende geestvonk, om die actief te maken als het eerst nodige om de zielebevrijdingsweg te gaan. Voor alle duidelijkheid dienen wij te weten dat de universele leer nimmer op schrift wordt gesteld en dat er slechts over en van de Gnosis wordt getuigd.

De reden hiervan is dat deze leer zichzelf beschermt en tevens de zichzelf handhavende, sterfelijke ik-mens, tot wie de roep tot terugkeer zich niet richt en die er schade van zou kunnen ondervinden. Daarom is alle heilige taal – de taal van de Gnosis – gesluierd, maar goed te verstaan door degene die met een open hart, van binnenuit, de radiatiekracht van de Gnosis nadert. Daarbij zal die kracht zich afstemmen op het bewustzijnspeil van de naderende en zo vormt het pad van terugkeer zeven spiralen van bewustzijn. 

De mens die het bewustwordingsproces doormaakt, zal uit ervaring kunnen onderstrepen dat ‘wat voor de wijzen en verstandigen van deze wereld verborgen is, voor de kinderen Gods geopenbaard is.’ […] 

Nu de wereld het einde van een bepaalde ontwikkelingsgang tegemoet snelt en een nieuwe mensheidsperiode aanstaande is, zal het einde nader worden geaccentueerd door de magische inzet van een zuiver geweldloze wereldrevolutie, van een geest-zielebevrijdende leer, het transfigurisme. In de wereld zijn of worden kleinere of grotere groepen gereedgemaakt voor het daadwerkelijk beoefenen van diverse transfiguristische aspecten of levensaanzichten die uiteindelijk daartoe moeten voeren. 

Op een gegeven moment zullen al deze groepen zich openlijk aaneensluiten om de wereld te schenken: een instroming van Licht, tengevolge waarvan de mensheid meer en meer tot de volmaakte kennis van Jezus Christus als de manifestatie van serene, gnostieke kracht, als brenger van het opbrekende vuur, zal komen en kennis zal verkrijgen van de oorspronkelijke natuur.’ 

Uit: De universele gnosis, p 60 

XVII 

Het Lectorium Rosicrucianum brengt u geen vertroosting maar het leert u de geestzieleverlossing deelachtig te worden. Het leert u door welke daad u de dualiteit van de krachten van aantrekking en afstoting overwinnen kunt. 

‘U begrijpt dat er een heel groot verschil is tussen een leerling die rustig zijn leerlingenleven leeft, gericht en in volle overgave hopend en gelovend en dus met zielekwaliteit toegerust zijn dood tegemoet treedt en dan uiteindelijk het astrale veld van de School binnenkomt, en een leerling die zich met zijn dialectische leven geheel aan dienst van God en mensheid gewijd heeft, als het ware iedere seconde benuttend om te helpen, te steunen en te dragen, en die zo uit en door de heilige geest kracht doet. U verstaat toch dat de ‘opgewekte ziel’ van de besproken eerste mens niet van die kwaliteit zal zijn als van de tweede. De tweede heeft ervoor zorggedragen dat zijn sterfelijke wezenheid door de louteringsbrand van het dienende leven verslonden is, terwijl daardoor tegelijkertijd de zielestaat der vernieuwing tot grote wasdom kwam. 

Dit standpunt is volkomen te bewijzen. Wie de roos tot waarlijk leven brengt, wordt van stonde aan een gered, een bevrijd mens. Maar het gewaad van de roos moet geweven worden door het offer van de liefde, door het offer van de dienende liefde. Het opgeven van het zelf en het verlangen met de woonstede uit de hemel te worden overkleed is niet voldoende; nee, daarnaast en daardoor moet het mensheiddienende offer komen. 

Waar? In de wereld der bevrijden? Nee, in de wereld van het lijden! Zulk een mensheidsdienaar zal het plan van de noodorde volkomen vervullen. En hij zal door het offer van de liefde volkomen overwinnen. Hij zal worden overkleed met het gouden gewaad.
De Gnosis is het die u daartoe heeft voorbereid, die u daartoe geschikt heeft gemaakt, en die u daartoe de heilige geest tot onderpand gegeven heeft. Daarom was de Gnosis voor de manicheeërs de Gnosis van de verbreking en de ontkenning van de wereld – welke Gnosis zeker een weg genoemd moet worden – maar de Gnosis van Hermes Trismegistos is de Gnosis van de dienende liefde, de Gnosis die tot in eeuwigheid standhoudt en daarom in onze tijd nog onverzwakt existeert.’ 

Uit: Het zegel der vernieuwing, p 45 

XVIII 

‘Welnu, wil dan, in het klare besef van het verstaan van deze onze tijd, de opdracht van de broederschap van de onsterfelijke zielen aanvaarden en u, dienstbereid, geheel wijden aan het doel dat de innerlijke school aan haar leden stelt. 

U weet dat het hartheiligdom, het hoofdheiligdom en het heiligdom des levens – dit is de kernkracht van de zich ontwikkelende ziel – van het allergrootste belang zijn in het leven van de dienaar in de goddelijke wijngaard. Het hart, vanwege de aanwezigheid van het hartatoom en de zich daaromheen concentrerende kundalinikracht. Het hoofdheiligdom, omdat alle draden der zelfrealisatie daar samenkomen en omdat heel de nieuwe wording afhankelijk is van het opengaan voor de zielestraling van de open ruimte achter het voorhoofdsbeen, het altaar van de gouden wonderbloem. En ten derde is het u duidelijk dat ook de zich ontwikkelende zielestaat uw absolute en continue aandacht noodzakelijk maakt. 

Het is volstrekt mogelijk tijdens heel uw dagelijkse gang, welke werkzaamheden u ook te verrichten heeft, op de achtergrond van uw wezen de kernkracht en haar beginsel geheel en al vast te houden en door alles heen te doen stralen, én in uw hart, én in uw hoofd, én in uw ziel.
Welnu, wilt u dan, met behulp van de in deze dienst ontwikkelde richtsnoeren en met achter u heel de stuw van de universele broederschapsketen Christi, met volharding trachten het gnostieke levensdoel, aan u gesteld, tot een goed einde te voeren?
Wanneer u daartoe van binnenuit en voor uw innerlijk tribunaal besluiten zult, dan zult u de zegen ontvangen die voor u met deze nieuwe levensinzet is weggelegd. Maak de door u ontvangen gouden wonderbloem tot een stralende roos der gnostieke mysteriën.’ 

Uit: Het levende woord, p 293 

XIX 

‘En wat de hiërarchie van de waan en van de leugen ook zou kunnen of willen ondernemen: de overwinning is reeds behaald. De oogst behoeft slechts in opeenvolgende perioden van de velden te worden gehaald. Daarom kan en zal de waarheid ook u be- reiken door mensenhoofden en mensenharten en menselijk handelingsleven. 

Wanneer u er zich voor gereedmaakt! Zoals van de hiërarchie van de leugen een straling en een arbeid tot misleiding uitgaat, zo gaat ook van de hiërarchie van de waarheid een straling uit, evenals een arbeid. Allen die zich openmaken voor deze astrale volheid zullen haar ontvangen. 

De waarheid komt niet uitsluitend tot u door middel van woorden en geschriften. Neen, de waarheid is reeds sedert lang een astrale waarde, door mensen geconcentreerd en door mensen aan mensen ter beschikking gesteld. De eeuwen zijn daar om zulks te bewijzen. De historie maakt gewag van vele koning- priesterlijke mensen die ons de waarheid brachten in woord, daad en kracht.Wilt u daarvan een enkel voorbeeld? Denk dan aan Mozes. Hij was een van de oudste menselijke boodschappers van de waarheid die de historie ons bekendmaakt. Hij kwam, let daarop, uit Egypte. Denk ook aan de latere rij van profeten en denk vooral aan Jezus de heer, een godszoon, uit mensen geboren.

De eeuwen hebben hun boodschappen aan de mensheid vervaagd. De vijand heeft de inhoud daarvan in veel opzichten verknoeid. Smartelijk en misdadig! Voorzeker! Maar… volkomen nutteloos! Want de waarheid leeft. Zij is in en door alle eeuwen. Steeds zullen haar verkondigers opstaan en nieuwe oogsten verzamelen en in de schuren bergen. Verstaat u nu waarom het epos van Hermes Trismegistos eindigt met het Boek van de Waarheid?’ 

Uit: De Egyptische oergnosis en haar roep in het eeuwige nu, deel 4, p 255 

XX 

‘Misschien bent u wel eens in de Grot van de Groot- meester geweest, die zich bevindt op de Heilige Berg in Ussat-les-Bains. Daar ziet u een schip zoals het in het oude Egypte werd afgebeeld, een paar lijnen die het hemelschip aanduiden. 

Op dat schip ziet u als mast een zevenvoudig kruis. Een krachtige hand houdt dit kruis rechtop zodat een even krachtige, verticale stroom van Godskracht kan neerdalen vanuit de bovennatuur. De twee armen van het kruis vormen elk een drieheid. De ene drieheid wordt gedragen en gestuwd door een adelaar en de andere door het getal negen, de grote symbolen van het goddelijke vuur en van de Godskracht.

Daarom zeggen wij dat de kandidaat door de vuurether, de heilige geest dus – wanneer deze vrijkomt en op waardige wijze door de kandidaat kan worden ontvangen en aangewend – wordt voortgestuwd op de golf van almacht. Alzo wordt het hemelschip met vaste hand gericht op het ene grote doel. Door het verticale het horizontale. Door God zelf de almacht. Door de vuurether de bevrijding.’

Uit: De Chinese Gnosis, p 457 

XXI 

De geestesschool beoogt uitsluitend en alleen: haar leerlingen bekwaam te maken voor geestziele-opgang in de elektrische vuurether, de vijfde ether, die uit en door de heilige geest is vrijgemaakt zodat de ontwaakte geestziel daarin kan ademen, leven en arbeiden. 

‘Het bewustzijn van de entiteit die wij de nieuwe of oorspronkelijke mens noemen, gaat niet uit van een bepaald aantoonbaar centrum en dat bewustzijn kan daarom onmogelijk egocentrisch zijn. Het is fundamenteel ik-loos, hoewel het gebruik maakt van de vierde hersenholte en via dat centrum de dialectische mens besturen gaat. Het eenvoudigste zou men het nieuwe bewustzijn kunnen omschrijven als een volwaardig bewustzijn zonder ik-centrum. 

Zulk een bewustzijn zou dan onmogelijk ik-centraal kunnen zijn. Het ons zo bekende egoïsme moet dat bewustzijn totaal vreemd zijn.Wanneer wij spreken over de ik-loze staat van de nieuwe mens dan bedoelen wij dat niet in de allereerste plaats in ethische, dus morele zin, immers dat spreekt immers vanzelf, maar juist en vooral in kernwezenlijke zin. Dat is een wonderlijke situatie die misschien moeilijk te omvatten is. Daarom een voorbeeld.

U weet dat ons gehele stoffelijke lichaam is opgebouwd uit cellen, ontelbare cellen. Die cellen zijn opgebouwd uit atomen. En nu blijkt dat iedere cel feitelijk een soort bewustzijn bezit. De ervaringen en gedragingen van iedere cel worden naar het centrale bewustzijn overgebracht door middel van het zenuwstelsel, waarmee iedere cel verbonden is. Wanneer nu het celbewustzijn volkomen gelijkwaardig zou zijn aan het centrale bewustzijn zou het gehele wezen in zijn totaliteit daaraan, daarin deel hebben en er zou geen bewustzijnsbrandpunt meer zijn, geen ik, en het betrachten van ik-loosheid zou niet nodig zijn.

Zo ongeveer moeten wij nu de bewustzijnsstaat van de nieuwe mens benaderen. Het nieuwe bewustzijn bezit geen brandpunt en men moet het omschrijven als een bewustzijn dat gezeteld is in de gehele microkosmos, hoewel het natuurlijk wel gebruik maakt van organen. Die microkosmos bezit geen bewustzijnscentrum, nee, zij is geheel en al bewustzijnscentrum, vanwege het collectief van andersoortige atomen die de geest van het plan Gods tot uitdrukking brengen. Die merkwaardige toestand van zijn wordt in de gewijde taal wel eens omschreven als wezens die duizenden ogen bezitten van voren en van achteren.’ 

Uit: Zeven stemmen spreken, p 68-70 

DOWNLOAD HET CADEAUBOEKJE: WEG VAN LIEFDE (PDF)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *