‘De Da Vinci Code’ van Dan Brown, spannend verhaal met informatie over kunst, religie en wetenschap

BESTEL DE DA VINCI CODE VOOR € 7,99

De Da Vinci Code van Dan Brown is een spannend boek met professor Robert Langdon in de hoofdrol. Een verhaal vol verrassende feiten over kunst, religie en wetenschap. Verfilmd met Tom Hanks. In Parijs loopt Robert Langdon, hoogleraar kunstgeschiedenis en symboliek, een afspraak met de conservator van het Louvre mis; deze blijkt kort daarvoor te zijn vermoord. 

Voor de politie is Langdon de belangrijkste verdachte: voordat de man stierf schreef hij namelijk de woorden ‘zoek Robert Langdon’ op de grond. Geholpen door agente Sophie Neveu maakt Langdon zich uit de voeten. Hij beseft dat de conservator aanwijzingen heeft achtergelaten die alleen hij kan ontcijferen: symbolen die verwijzen naar het werk van Leonardo Da Vinci

1

Robert Langdon werd langzaam wakker. Er rinkelde een telefoon in het donker; een metalig, onbekend geluid. Hij tastte naar het bedlampje en deed het aan. Toen hij met half dichtgeknepen ogen om zich heen keek, zag hij een luxueuze slaapkamer in renaissancestijl met Lodewijk-XVI-meubilair, fresco’s op de muren en een kolossaal hemelbed van mahoniehout. Waar ben ik in godsnaam? Op de ochtendjas in jacquard-weefsel, die aan zijn bedstijl hing, was geborduurd: HOTEL RITZ PARIJS. Langzaam begon de mist op te trekken.

Langdon nam de telefoon op. ‘Hallo?’
‘Meneer Langdon?’ zei een man. ‘Ik hoop dat ik u niet wakker heb gemaakt?’
Versuft keek Langdon naar de klok naast zijn bed. Het was twee minuten over halfeen ’s nachts. Hij had pas een uur geslapen, maar voelde zich alsof het diep in de nacht was.
‘U spreekt met de portier, meneer. Neemt u me niet kwalijk dat ik u stoor, maar u hebt bezoek. Meneer zegt dat het dringend is.’ Langdon voelde zich nog steeds duf. Bezoek? Zijn blik viel op een verkreukte folder op zijn nachtkastje.

DE AMERIKAANSE UNIVERSITEIT VAN PARIJS
presenteert vol trots
EEN AVOND MET ROBERT LANGDON
HOOGLERAAR RELIGIEUZE SYMBOLIEK, HARVARD UNIVERSITY

Langdon kreunde. De lezing van afgelopen avond – een diapresentatie over verborgen heidense symbolen in de stenen van de kathedraal van Chartres – was het conservatieve deel van het publiek ongetwijfeld in het verkeerde keelgat geschoten. Waarschijnlijk had een of andere godvruchtige geleerde hem gevolgd om ruzie met hem te maken.

‘Het spijt me,’ zei Langdon, ‘maar ik ben erg moe en…’
‘Mais, monsieur,’ drong de portier aan, en hij liet zijn stem zakken tot een doordringend gefluister. ‘Uw gast is een belangrijk man.’
Daar twijfelde Langdon niet aan. Zijn boeken over religieuze schilderkunst en de symboliek van de godsverering hadden hem tegen wil en dank beroemd gemaakt in de kunstwereld, en een jaar eerder was zijn bekendheid verhonderdvoudigd doordat hij betrokken was geweest bij een incident in het Vaticaan waarvoor veel mediabelangstelling was geweest. Sinds die tijd leek er geen einde te komen aan de stoet historici en kunstliefhebbers vol eigendunk die bij hem aan de deur kwamen.

‘Als u zo vriendelijk zou willen zijn,’ zei Langdon, die zijn best deed beleefd te blijven, ‘wilt u dan de naam en het telefoonnummer van de man noteren en hem zeggen dat ik zal proberen hem te bellen voordat ik uit Parijs vertrek, komende dinsdag? Dank u.’ Hij hing op voordat de portier kon protesteren.

Langdon was inmiddels gaan zitten en keek met een frons naar het Handboek voor gasten, dat op zijn nachtkastje lag. Op de kaft stond vol trots: SLAAP ALS EEN BABY IN DE LICHTSTAD, IN HET RITZ-HOTEL IN PARIJS. Hij draaide zich om en keek vermoeid in de passpiegel aan de andere kant van de kamer. De man die hem aanstaarde, was een vreemde, verfomfaaid en lusteloos.
Je bent aan vakantie toe, Robert.

Het afgelopen jaar had een zware tol van hem geëist, maar hij keek niet graag in de spiegel om het bewijs daarvan te zien. Zijn gewoonlijk doordringende blauwe ogen stonden vannacht wazig en afgetobd. Zijn krachtige kaaklijn en zijn kin met een kuiltje gingen schuil onder een donkere stoppelbaard. Bij zijn slapen rukte het grijs op, en het drong steeds dieper door in zijn bos stug, zwart haar. Hoewel zijn vrouwelijke collega’s beweerden dat het grijs zijn intellectuele aantrekkingskracht alleen maar verhoogde, wist Langdon wel beter.
Als Boston Magazine me nu eens kon zien.

Tot Langdons grote gêne had Boston Magazine hem de afgelopen maand opgenomen in een top-tien van de intrigerendste mensen in Boston, een twijfelachtige eer die hem het mikpunt had gemaakt van eindeloze plagerijen van zijn collega’s op Harvard. De afgelopen avond had de loftuiting, op bijna vijfduizend kilometer van huis, hem weten te bereiken bij de lezing die hij had gehouden. ‘Dames en heren…’ zo was de gastvrouw begonnen tegen de volle zaal in het Pavillon Dauphine van de Amerikaanse Universiteit van Parijs, ‘onze gast van vanavond heeft geen introductie nodig. Hij heeft vele boeken op zijn naam staan: De symboliek van geheime sekten, De kunst van de Illuminati, De verloren taal van ideogrammen, en hij is de schrijver van hét boek over Religieuze Iconologie. Velen van u gebruiken zijn boeken bij de colleges.’ De studenten in het publiek knikten enthousiast.

‘Ik was van plan hem vanavond te introduceren aan de hand van zijn indrukwekkende curriculum vitae. Maar…’ Ze wierp een schalkse blik op Langdon, die op een stoel op het podium zat. ‘Iemand uit het publiek heeft me zojuist een veel… laten we zeggen, intrigerender introductie gegeven.’
Ze hield een exemplaar van Boston Magazine omhoog.
Langdon kromp ineen. Hoe kwam ze daar in godsnaam aan?

De gastvrouw begon wat goed gekozen fragmenten uit het onnozele artikel voor te lezen, en Langdon had het gevoel dat hij steeds dieper in zijn stoel wegzakte. Een halve minuut later zat het publiek te grinniken, en de vrouw wekte niet de indruk dat ze van plan was ermee op te houden. ‘En de weigering van meneer Langdon om in het openbaar te spreken over zijn ongebruikelijke rol bij het Vaticaanse conclaaf van vorig jaar levert hem zeker punten op voor onze top-tien.’ De gastvrouw hitste het publiek op. ‘Wilt u nog meer horen?’

Het publiek applaudisseerde.
Laat iemand haar het zwijgen opleggen, smeekte Langdon inwendig toen ze opnieuw in het artikel dook.
‘Hoewel je professor Langdon misschien geen spetter kunt noemen, zoals sommige jongere mannen uit de top-tien, beschikt deze academicus van in de veertig over een flinke portie erudiete charme. Zijn boeiende persoonlijkheid wordt benadrukt door zijn stem, een uitzonderlijk lage bariton, die door zijn studentes wordt omschreven als “chocola voor de oren”.’

De zaal barstte in lachen uit. Langdon produceerde een opgelaten glimlach. Hij wist wat er nu kwam – een dwaze opmerking over ‘Harrison Ford in Harris- tweed’ – en omdat hij vanavond had gedacht dat het eindelijk weer veilig zou zijn om zijn tweedjasje en coltrui van Burberry te dragen, besloot hij tot actie over te gaan.

‘Dank je, Monique,’ zei Langdon, terwijl hij voortijdig opstond en haar zachtjes wegduwde van het spreekgestoelte. ‘De journalisten van Boston Magazine zouden goede romanschrijvers zijn, dat is duidelijk.’ Hij wendde zich met een gegeneerde zucht tot het publiek. ‘En als ik ontdek wie van u dat artikel heeft meegebracht, laat ik u door het consulaat uitwijzen.’

De zaal lachte.
‘Nou, mensen, zoals jullie allemaal weten, ben ik hier vanavond om te praten over de kracht van symbolen…’
Opnieuw werd de stilte verbroken door het gerinkel van de telefoon in Langdons hotelkamer.
Hij kreunde vol ongeloof en nam op. ‘Ja?’
Zoals hij al verwachtte, was het de portier. ‘Meneer Langdon, ik moet me nogmaals verontschuldigen. Ik bel om u te vertellen dat uw gast op dit moment op weg is naar uw kamer. Ik dacht dat ik u even moest waarschuwen.’

Langdon was nu klaarwakker. ‘Hebt u iemand naar mijn kámer gestuurd?’
‘Het spijt me, meneer, maar een man als hij… Ik heb niet het gezag hem tegen te houden.’
‘Wie ís het dan eigenlijk?’
Maar de portier had al opgehangen.
Bijna onmiddellijk daarna werd er krachtig op Langdons deur gebonsd.

Onzeker liet Langdon zich van het bed glijden, en hij voelde zijn voeten diep wegzakken in het savonnerietapijt. Hij trok de ochtendjas van het hotel aan en liep naar de deur. ‘Wie is daar?’ ‘Meneer Langdon? Ik moet u spreken.’ De man sprak Engels met een accent, op een blaffende, gebiedende toon. ‘Ik ben inspecteur Jérôme Collet. Direction Centrale de la Police Judiciaire.’ Langdon zweeg. De Dienst Centrale Recherche?

Zonder de ketting los te maken, opende Langdon de deur een paar centimeter. Het gezicht dat hem aankeek, was smal en bleek. De man was bijzonder mager en droeg een blauw uniform dat er officieel uitzag.
‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg hij.
Langdon aarzelde; hij voelde zich onzeker toen de vaalgele ogen van de vreemde hem opnamen.
‘Waar gaat het over?’
‘Mijn capitaine heeft uw deskundig advies nodig in een vertrouwelijke zaak.’
‘Nu?’ wist Langdon uit te brengen. ‘Het is na middernacht.’
‘Klopt het dat u vanavond een afspraak had met de conservator van het Louvre?’

Langdon kreeg plotseling een akelig voorgevoel. Het was de bedoeling geweest dat hij na zijn lezing die avond iets zou gaan drinken met de alom gerespecteerde conservator Jacques Saunière, maar Saunière was niet komen opdagen.
‘Ja. Hoe weet u dat?’
‘We hebben uw naam in zijn agenda gevonden.’
‘Er is toch niets mis?’

De agent zuchtte bedroefd en stak een polaroidfoto door de smalle kier van de deur.
Toen Langdon de foto zag, verstijfde hij.
‘Deze foto is nog geen uur geleden genomen. In het Louvre.’
Terwijl Langdon naar het bizarre beeld staarde, maakten zijn eerste walging en schrik plaats voor een plotselinge opwelling van woede.
‘Wie doet er nou zoiets!’

‘Gezien uw kennis van symboliek en uw afspraak met hem, hoopten we dat u ons kon helpen die vraag te beantwoorden.’
Langdon staarde naar de foto, en zijn afschuw vermengde zich met angst. Wat hij zag, was gruwelijk en uiterst vreemd, en riep een verontrustend gevoel van déjà vu op. Iets meer dan een jaar geleden had Langdon een foto van een lijk en een vergelijkbaar verzoek om hulp gekregen. Vierentwintig uur later had hij in Vaticaanstad bijna de dood gevonden. Deze foto was volkomen anders, en toch kwam hij hem voor als deel van een onrustbarend bekend scenario.

De agent keek op zijn horloge. ‘Mijn capitaine wacht, meneer.’ Langdon hoorde hem nauwelijks. Hij keek nog steeds strak naar de foto.
‘Dit symbool hier, en de vreemde…’
‘Houding?’ opperde de agent.
Langdon knikte, en hij voelde een koude rilling over zijn rug lopen terwijl hij opkeek. ‘Ik kan me niet voorstellen wie zoiets met iemand zou doen.’
De agent keek grimmig.
‘U begrijpt het niet, meneer Langdon. Wat u op deze foto ziet…’
Hij zweeg even.
‘Dat heeft meneer Saunière zelf gedaan.’

2

Anderhalve kilometer verderop hinkte de logge albino Silas door het toegangshek van het voorname huis van bruinrode zandsteen aan de Rue La Bruyère. De boetegordel met stekels die hij om zijn dij droeg, de cilice, sneed in zijn vlees, maar zijn gemoed zong van vreugde omdat hij de Heer had gediend.
Pijn is goed.

Hij liet zijn blik door de hal gaan toen hij het huis binnenstapte. Leeg. Geluidloos beklom hij de trap, want hij wilde zijn mede-numerairs niet wakker maken. De deur van zijn slaapkamer was open; sloten waren hier verboden. Hij ging naar binnen en deed de deur achter zich dicht.

De kamer was Spartaans: een hardhouten vloer, een grenen ladekast en in de hoek een mat van canvas die dienst deed als bed. Hij logeerde hier deze week, maar hij was al jarenlang gezegend met een vergelijkbaar toevluchtsoord in New York.

De Heer heeft me onderdak en een doel in mijn leven gegeven.

Vanavond had Silas eindelijk het gevoel dat hij was begonnen zijn schuld af te lossen. Hij haastte zich naar de kast, pakte de mobiele telefoon die in de onderste la verborgen lag en belde iemand. ‘Ja?’ antwoordde een mannenstem.
‘Leermeester, ik ben terug.’
‘Vertel,’ zei de man, die klonk alsof hij blij was hem te horen.
‘Ze zijn alle vier dood. De drie sénéchaux… en de Grootmeester zelf.’
Er viel even een stilte, alsof er gebeden werd. ‘Dan neem ik aan dat je de informatie hebt?’
‘Ze zeiden alle vier hetzelfde. Onafhankelijk van elkaar.’
‘En geloofde je hen?’
‘De overeenkomst in wat ze zeiden was te groot om toeval te zijn.’

Een opgewonden ademhaling. ‘Uitstekend. Ik was bang dat de fameuze geheimhoudingsplicht van de broederschap ons parten zou spelen.’
‘Het vooruitzicht van de dood is een sterke motivering.’
‘Goed, m’n leerling, zeg me wat ik moet weten.’

Silas wist dat de informatie die hij uit zijn slachtoffers had losgekregen als een schok zou komen. ‘Leermeester, ze bevestigden alle vier het bestaan van de clef de voûte, de legendarische sluitsteen.’ Hij hoorde dat er snel werd ingeademd en voelde de opwinding van de Leermeester. ‘De sluitsteen. Precies zoals we al dachten.’ 

Volgens de overlevering had de broederschap een landkaart van steen gemaakt – een clef de voûte of sluitsteen – een gegraveerde tablet waarop de plek werd onthuld waar het grootste geheim van de broederschap zich bevond, informatie die zo belangrijk was dat de bescherming ervan de bestaansreden vormde van de broederschap.

‘Als we de sluitsteen hebben,’ zei de Leermeester, ‘is het nog maar één stapje.’
‘We zijn er dichter bij dan u denkt. De sluitsteen is hier in Parijs.’
‘In Parijs? Ongelooflijk. Het is bijna te makkelijk.’
Silas vertelde wat er die avond was gebeurd, hoe alle vier zijn slachtoffers vlak voordat ze stierven wanhopig hadden geprobeerd hun goddeloze leven terug te kopen door hun geheim te vertellen. Ieder van hen had Silas precies hetzelfde verteld: dat de sluitsteen,vernuftig verborgen was op een bepaalde plek in een van de oudste kerken van Parijs, de Eglise Saint-Sulpice.
‘In een godshuis nog wel,’ riep de Leermeester uit. ‘Ze spotten met ons!’
‘Dat doen ze al eeuwen.’

De Leermeester zweeg, alsof hij de triomf van dit ogenblik tot zich liet doordringen. Ten slotte zei hij: ‘Je hebt God een grote dienst bewezen. Hier hebben we eeuwen op gewacht. Je moet de steen voor me bemachtigen. Onmiddellijk. Vannacht. Je weet wat er op het spel staat.’
Silas wist dat er oneindig veel op het spel stond, maar toch leek de opdracht die de Leermeester hem nu gaf hem onuitvoerbaar. ‘Maar die kerk is een vesting. Vooral ’s nachts. Hoe kom ik er binnen?’
Op de zelfverzekerde toon van een man die altijd wordt gehoorzaamd, legde de Leermeester hem uit wat hij moest doen.

Toen Silas ophing, tintelde zijn huid van hoopvolle verwachting. Eén uur, hield hij zichzelf voor, dankbaar dat de Leermeester hem tijd gunde om de vereiste boete te doen voordat hij een godshuis binnenging. Ik moet mijn ziel verlossen van de zonden die ik vandaag heb begaan. Die zonden hadden een heilig doel gediend. Oorlogsdaden tegen de vijanden van God werden al eeuwenlang begaan. Hij was zeker van vergiffenis.

Maar toch was er voor absolutie een opoffering nodig, wist Silas. Hij trok de rolgordijnen dicht, kleedde zich uit en knielde naakt midden in zijn kamer. Hij sloeg zijn ogen neer en keek naar de boetegordel, de cilice, die strak om zijn dij zat. Alle ware volgelingen van De Weg droegen er een: een leren gordel, bezet met scherpe, metalen stekels die in het vlees sneden, als een voortdurende herinnering aan het lijden van Christus. De pijn die het ding veroorzaakte, hielp ook bij het onderdrukken van vleselijke verlangens. Silas had zijn cilice vandaag al langer om dan de vereiste twee uur, maar dit was geen gewone dag. Hij pakte de gesp en trok de riem een gaatje strakker, waarbij hij ineenkromp toen de stekels dieper in zijn vlees drongen. Terwijl hij langzaam uitademde, genoot hij van het louterende ritueel van zijn pijn.

‘Pijn is goed,’ fluisterde Silas, en hij herhaalde de heilige mantra van pater Josemaría Escrivá, de Leermeester van alle Leermeesters. Escrivá was in 1975 gestorven, maar zijn wijsheid leefde voort, zijn woorden werden nog steeds door duizenden trouwe dienaren over de hele wereld gefluisterd als ze op de vloer knielden en het heilige gebruik van zelfkastijding beoefenden.

Nu richtte Silas zijn aandacht op een touw met knopen erin, dat netjes opgerold op de vloer naast hem lag. Het geselkoord. Aan de knopen zat opgedroogd bloed. Verlangend naar het louterende effect van zijn eigen pijn, zei Silas snel een gebed. Toen pakte hij het touw bij één uiteinde, sloot zijn ogen en zwaaide het hard over zijn schouder; hij voelde de knopen tegen zijn rug slaan. Hij zwiepte het weer over zijn schouder en ranselde zijn vlees af. Steeds opnieuw geselde hij zichzelf.
Castigo corpus meum.
Uiteindelijk voelde hij dat het bloed begon te vloeien.

3

De frisse aprilbries sloeg door het open raampje van de Citroën ZX naar binnen toen die de Rue Saint-Honoré afreed. Robert Langdon, die naast de chauffeur zat, zag de stad langs zich schieten terwijl hij probeerde zijn gedachten op een rijtje te krijgen. Nu hij snel had gedoucht en zich had geschoren, zag hij er redelijk toonbaar uit, maar daar was zijn ongerustheid niet minder door geworden. Het beangstigende beeld van het lijk van de conservator liet hem niet los.
Jacques Saunière is dood.

Langdon kon een sterk gevoel van verlies om de dood van de conservator niet onderdrukken. Saunière had de reputatie een teruggetrokken leven te leiden, maar zijn toewijding aan de kunst maakte dat Langdon hem bewonderde. Zijn boeken over de geheime codes die verborgen waren in de schilderijen van Poussin en Teniers behoorden tot Langdons favoriete lesmateriaal. Hij had zich zeer verheugd op de afspraak van die avond, en hij was teleurgesteld geweest toen de conservator niet was komen opdagen. Opnieuw zag hij het beeld van de dode conservator voor zich. Heeft Jacques Saunière dat zelf gedaan? Langdon keek uit het raampje om het beeld uit zijn gedachten te verdrijven.

Buiten bereidde de stad zich voor op de nacht: straatverkopers reden karretjes met suikeramandelen weg, kelners droegen vuilniszakken naar de rand van de stoep, en een stel late geliefden kroop dicht tegen elkaar aan om warm te blijven in een bries die naar jasmijn rook. De Citroën navigeerde met gezag tussen de chaos door; zijn luidruchtige tweetonige sirene deed het verkeer uiteen wijken alsof er een mes doorheen sneed.

Le capitaine was blij dat u vannacht nog in Parijs was,’ zei de agent. Het was het eerste dat hij zei sinds ze het hotel hadden verlaten. ‘Een gelukkig toeval.’
Langdon voelde zich helemaal niet gelukkig, en in het concept toeval geloofde hij niet erg. Doordat hij zijn hele leven had besteed aan het onderzoeken van het verborgen onderlinge verband tussen verschillende symbolen en ideologieën, zag Langdon de wereld als een netwerk van nauw verstrengelde gebeurtenissen uit heden en verleden. ‘Het verband mag dan onzichtbaar zijn,’ verkondigde hij vaak tijdens zijn colleges symboliek aan Harvard, ‘maar het is er altijd, net onder het oppervlak verscholen.’

‘Ik neem aan,’ zei Langdon, ‘dat de Amerikaanse Universiteit van Parijs u heeft verteld waar ik logeerde?’
De chauffeur schudde zijn hoofd. ‘Interpol.’
Interpol, dacht Langdon. Natuurlijk. Hij was vergeten dat het schijnbaar onschuldige verzoek van alle Europese hotels om een paspoort te laten zien als je je inschreef meer was dan een curieuze formaliteit; het was wettelijk voorschrift. In een willekeurige nacht konden functionarissen van Interpol door heel Europa precies vaststellen wie waar sliep. Het had waarschijnlijk niet meer dan vijf seconden gekost om te ontdekken dat hij in het Ritz te vinden was.

Terwijl de Citroën door de stad reed, zagen ze het licht van de Eiffeltoren over de daken strijken. Toen hij die zag, dacht Langdon aan Vittoria en aan hun schertsende belofte van een jaar geleden dat ze elkaar elk halfjaar op een andere romantische plek op aarde zouden ontmoeten. De Eiffeltoren was een goede kandidaat voor hun lijstje geweest, vermoedde Langdon. Helaas had hij Vittoria meer dan een jaar geleden voor het laatst gekust, op een lawaaiig vliegveld in Rome.

‘Hebt u haar bestegen?’ vroeg de agent, die naar hem keek. Langdon keek op; hij wist zeker dat hij het verkeerd begreep. ‘Pardon?’
‘Ze is schitterend, nietwaar?’ De agent gebaarde door de voorruit naar de Eiffeltoren. ‘Hebt u haar bestegen?’
Langdon rolde met zijn ogen. ‘Nee, ik heb de toren niet beklommen.’

‘Ze is het symbool van Frankrijk. Ik vind haar volmaakt.’ Langdon knikte afwezig. Deskundigen op het gebied van de symboliek merkten vaak op dat Frankrijk – een land dat bekendstond om het machismo en versiergedrag van de mannelijke inwoners en om hun kleine, op dat gebied onzekere staatshoofden, zoals Napoleon en Pepijn de Korte – geen toepasselijker nationaal symbool had kunnen kiezen dan een fallus van driehonderd meter hoog.

Toen ze de kruising met de Rue St. Honoré bereikten, stond het stoplicht op rood, maar de Citroën minderde geen vaart. De agent gaf gas en de auto schoot over het kruispunt en reed met grote snelheid een door bomen omgeven deel van de Rue de Castiglione op, die de noordelijke toegang vormde tot de beroemde Jardin des Tuileries. De meeste toeristen dachten dat de naam Jardin des Tuileries iets te maken had met de duizenden tulpen die in het park bloeiden, maar het woord ‘Tuileries’ was een verwijzing naar iets veel minder romantisch. Eens was dit park een enorme, vervuilde uitgegraven kuil geweest, een plek waar door Parijse aannemers klei werd gewonnen voor de vervaardiging van de beroemde rode dakpannen of tuiles van de stad.

Langdon had de Tuileries altijd als heilige grond beschouwd. Dit was het park waar Claude Monet had geëxperimenteerd met vorm en kleur, en de grondslag voor het,impressionisme had gelegd. Vannacht hing er echter een vreemde, onheilspellende sfeer. De Citroën sloeg af en reed om het park heen naar het oosten. Nu zag Langdon het einde van de Jardin des Tuileries, gemarkeerd door een gigantische stenen poort.
De Arc du Carrousel.

Eens werden er rituele orgiën gehouden bij de Arc du Carrousel, maar voor kunstliefhebbers was deze plek om een geheel andere reden belangrijk. Gezien vanaf de esplanade aan het einde van de Jardin des Tuileries lagen vier van de beste kunstmusea van de hele wereld, in elke windrichting een.

In het zuiden, aan de overkant van de Seine en de Quai Voltaire, bevond zich de indrukwekkend verlichte gevel van het oude treinstation, nu het alom gewaardeerde Musée d’Orsay. Links lag het ultramoderne Centre Pompidou, waarin het Musée d’Art Moderne gevestigd was. In het westen wist Langdon, stond de obelisk van Ramses uit de oudheid met daarnaast het Musée du Jeu de Paume. Maar recht voor zich uit, in het oosten, door de poort heen, zag Langdon het kolossale renaissancepaleis dat een van de beroemdste kunstmusea ter wereld was geworden.
Het Musée du Louvre.

Langdon voelde een bekende zweem van verwondering toen hij een vergeefse poging deed om het hele gebouw in één blik te vangen. Aan de overkant van een enorm plein rees de indrukwekkende gevel van het Louvre als een fort tegen de hemel boven Parijs op. Het Louvre had de vorm van een gigantisch hoefijzer en was het langste gebouw van Europa, langer dan drie Eiffeltorens als je die plat op de grond zou leggen. Zelfs het uitgestrekte plein tussen de vleugels van het museum kon de imponerende breedte van de gevel niet kleiner doen lijken. Langdon was eens helemaal om het Louvre heen gelopen, en dat was een wandeling van bijna vijf kilometer geweest.

Het zou een bezoeker naar schatting vijf weken kosten om de 65.300 kunstwerken in dit gebouw goed te bekijken, maar de meeste toeristen kozen voor een ingekort bezoek dat Langdon ‘de flitstour’ noemde: een sprint door het museum langs de drie beroemdste werken, de Mona Lisa, de Venus van Milo en de Nike van Samothrace. Art Buchwald had eens gepocht dat hij alle drie de meesterwerken in vijf minuten en zesenvijftig seconden had gezien.

De chauffeur trok een walkie-talkie te voorschijn en sprak in razendsnel Frans: ‘Monsieur Langdon est arrivé. Deux minutes.’ Er kwam krakend een onverstaanbaar antwoord.
De agent stak het apparaat weer weg en wendde zich tot Langdon. ‘U zult de capitaine bij de hoofdingang ontmoeten.’
De chauffeur negeerde de borden die autoverkeer op het plein verboden, gaf nog eens gas en reed de stoeprand op. De hoofdingang van het Louvre was in zicht; in de verte rees die duidelijk op, omringd door zeven driehoekige vijvertjes waaruit verlichte fonteinen omhoog spoten.
La Pyramide.

De nieuwe ingang van het Louvre was al bijna net zo beroemd als het museum zelf. De controversiële, moderne glazen piramide, die was ontworpen door de Amerikaanse architect van Chinese afkomst I.M. Pei, kon nog steeds op minachtend commentaar rekenen van traditionalisten, die vonden dat ze de statigheid van de renaissance-binnenplaats tenietdeed. Goethe had architectuur omschreven als bevroren muziek, en Peis critici vergeleken deze piramide met vingernagels over een schoolbord. Maar vooruitstrevende bewonderaars noemden de eenentwintig meter hoge, doorzichtige piramide van Pei een schitterende versmelting van een oude vorm en een moderne methode, een symbolische schakel tussen het oude en het nieuwe, die het Louvre klaarmaakte voor het volgende millennium.

‘Wat vindt u van onze piramide?’ vroeg de agent.
Langdon fronste zijn voorhoofd. Dit was een vraag die de Fransen Amerikanen dolgraag leken te stellen. Het was natuurlijk een beladen vraag. Als je toegaf dat je de piramide mooi vond, was je een typische Amerikaan zonder smaak, en als je je afkeuring erover uitsprak, beledigde je de Fransen.

‘Mitterrand was een dapper man,’ antwoordde Langdon bij wijze van compromis. De voormalige Franse president, die opdracht had gegeven tot de bouw van de piramide, zou aan een ‘farao-complex’ hebben geleden. François Mitterrand, die overal in Parijs Egyptische obelisken, kunst en kunstvoorwerpen had laten neerzetten, had zo’n allesverterende passie voor de Egyptische cultuur dat de Fransen hem nog steeds de Sfinx noemden.

‘Hoe heet de hoofdinspecteur?’ vroeg Langdon, om van onderwerp te veranderen.
‘Bezu Fache,’ zei de chauffeur, terwijl ze de hoofdingang van de piramide naderden. ‘We noemen hem le Taureau.’
Langdon wierp hem een blik toe. ‘Noemt u uw hoofdinspecteur de Stíér?’
De man trok zijn wenkbrauwen op. ‘Uw Frans is beter dan u wilt doen geloven, monsieur Langdon.’
Mijn Frans is waardeloos, dacht Langdon, maar mijn kennis van sterrenbeelden mag er wezen. Taurus was altijd de stier. In de astrologie werden over de hele wereld dezelfde symbolen gebruikt.

De agent bracht de auto tot stilstand en wees tussen twee fonteinen door naar een grote deur in de zijwand van de piramide. ‘Daar is de ingang. Succes, monsieur.’
‘Gaat u niet mee?’
‘Mijn opdracht is om u hier af te zetten. Ik heb andere bezigheden.’
Langdon slaakte een zucht en stapte uit. Jullie mogen het zeggen. De agent gaf gas en de auto schoot weg.

Toen Langdon, eenmaal alleen, naar de kleiner wordende achterlichten stond te kijken, bedacht hij dat hij best kon terugkomen op zijn besluit en de binnenplaats af kon lopen om een taxi naar zijn hotel te nemen en weer naar bed te gaan. Maar iets zei hem dat dat waarschijnlijk een slecht idee was.

Terwijl hij naar de nevel van de fonteinen liep, had Langdon het onbehaaglijke gevoel dat hij een denkbeeldige drempel overstapte naar een andere wereld. De avond kreeg weer het karakter van een droom. Twintig minuten geleden had hij nog liggen slapen in zijn hotelkamer. Nu stond hij voor een doorzichtige piramide die was neergezet door de Sfinx en wachtte hij op een politieman die ze de Stier noemden.
Ik ben in een schilderij van Salvador Dalí terechtgekomen, dacht hij.

Langdon liep naar de hoofdingang, een enorme draaideur. De hal erachter was zwak verlicht en verlaten.
Zou ik moeten kloppen?
Langdon vroeg zich af of een van Harvards eerbiedwaardige egyptologen weleens op de voordeur van een piramide had geklopt en een antwoord had verwacht. Hij hief zijn hand om tegen het glas te bonzen, maar uit het donker van de lagere verdieping verscheen een gestalte, die de gebogen trap opliep. De man was gedrongen en donker, bijna als een Neanderthaler, en droeg een donker, double-breasted pak dat strak om zijn brede schouders spande. Hij bewoog zich met onmiskenbaar gezag voort op korte, gespierde benen. Hij sprak in zijn mobiele telefoon, maar beëindigde het gesprek toen hij boven aankwam. Hij wenkte Langdon.

‘Ik ben Bezu Fache,’ kondigde hij aan toen Langdon door de draaideur binnenkwam. ‘Hoofdinspecteur van de Dienst Centrale Recherche.’ Zijn stem paste bij hem: een achter uit de keel komend gerommel, als een naderend onweer.
Langdon stak zijn hand uit. ‘Robert Langdon.’
Faches enorme hand vouwde zich met een verpletterende kracht om de zijne.
‘Ik heb de foto gezien,’ zei Langdon. ‘Uw agent zei dat Jacques Saunière dat zélf had…’
‘Meneer Langdon.’ Faches gitzwarte ogen keken in de zijne. ‘Wat u op de foto ziet, is nog niet de helft van wat Saunière heeft gedaan.’

4

Hoofdinspecteur Bezu Fache had de houding van een kwade os, met zijn brede schouders naar achteren en zijn kin ingetrokken tegen zijn borst. Zijn donkere haar was met olie naar achteren gekamd, waardoor de v-vorm van zijn haarimplant duidelijk zichtbaar was. Die V deelde zijn uitpuilende voorhoofd in tweeën en ging hem voor als de steven van een slagschip. Als hij zich voortbewoog, leken zijn donkere ogen de grond te verschroeien; ze straalden een vurige helderheid uit waaraan zijn reputatie was af te lezen: een man die, wanneer dan ook, meedogenloos streng was.

Langdon liep achter de hoofdinspecteur de beroemde marmeren trap af naar het verzonken atrium onder de glazen piramide. Op hun weg naar beneden kwamen ze tussen twee agenten van de recherche met machinegeweren door. De boodschap was duidelijk: vanavond komt er niemand in of uit zonder toestemming van hoofdinspecteur Fache.

Toen ze onder de grond afdaalden, moest Langdon zich verzetten tegen een opkomende onrust. Fache had niet bepaald een verwelkomende persoonlijkheid, en het Louvre zelf had op dit tijdstip een bijna naargeestige uitstraling. Net als het gangpad in een donkere bioscoop was de trap verlicht door kleine lampjes in de treden.

Langdon hoorde zijn eigen voetstappen weerkaatsen tegen het glas boven zijn hoofd. Toen hij opkeek, zag hij de verlichte flarden nevel van de fonteinen wegtrekken boven het transparante dak. ‘Vindt u het mooi?’ vroeg Fache, terwijl hij met zijn brede kin naar boven wees.
Langdon zuchtte; hij was te moe voor spelletjes. ‘Ja, uw piramide is schitterend.’
Fache gromde. ‘Een litteken op het gezicht van Parijs.’

Eén-nul. Langdon had het gevoel dat zijn gastheer niet gauw tevreden was. Hij vroeg zich af of Fache enig idee had dat deze piramide, op uitdrukkelijk verzoek van president Mitterrand, was gemaakt van precies 666 glazen ruiten, een bizar verzoek dat altijd een heet hangijzer was geweest onder liefhebbers van complottheorieën, die beweerden dat 666 het getal van Satan was. Langdon besloot er niet over te beginnen.

Naarmate ze dieper de ondergrondse hal in daalden, werd de gapende ruimte langzaam zichtbaar. De nieuwe entreehal van het Louvre, die zeventien meter onder de grond lag en achtduizend vierkante meter groot was, spreidde zich als een onafzienbare grot uit. De hal was bekleed met marmer in een warme okerkleur om bij de honingkleurige stenen van het bovengrondse Louvre te passen, en meestal was het er vol toeristen en zonlicht. Maar vannacht was het er kaal en donker, wat de hele ruimte een koude sfeer gaf, die deed denken aan een grafkelder.

‘En het reguliere beveiligingspersoneel van het museum?’ vroeg Langdon.
‘En quarantaine,’ antwoordde Fache, en hij klonk alsof Langdon de integriteit van Faches team in twijfel had getrokken. ‘Het is duidelijk dat er vanavond iemand binnen is gekomen die daar niet had mogen zijn. Alle nachtwakers van het Louvre worden in de Sully-vleugel ondervraagd. Mijn eigen agenten hebben voor vannacht de bewaking van het museum overgenomen.’

Langdon knikte, terwijl hij zich haastte om Fache bij te houden. ‘Hoe goed kende u Jacques Saunière?’ vroeg de hoofdinspecteur. ‘Eerlijk gezegd helemaal niet. We hebben elkaar nooit ontmoet.’ Fache keek verrast. ‘Vanavond zou uw eerste ontmoeting zijn?’ ‘Ja. We hadden afgesproken elkaar na mijn lezing bij de receptie van de Amerikaanse Universiteit te treffen, maar hij is niet komen opdagen.’

Fache krabbelde wat aantekeningen in een boekje. Terwijl ze verder liepen, ving Langdon een glimp op van de minder bekende piramide van het Louvre, la Pyramide Inversée, een enorm dakraam in de vorm van een omgekeerde piramide, die als een stalactiet vanaf het plafond naar beneden hing in een aangrenzend deel van het souterrain.

Fache nam Langdon mee een korte trap op naar de ingang van een gekromde tunnel met een bord erboven waarop stond: denon. De Denon-vleugel was de beroemdste van de drie hoofdafdelingen van het Louvre.
‘Wie heeft het initiatief genomen voor de ontmoeting van vanavond?’ vroeg Fache plotseling. ‘Hij of u?’
Het leek een vreemde vraag. ‘Meneer Saunière,’ antwoordde Langdon terwijl ze de tunnel in liepen. ‘Zijn secretaresse heeft me een paar weken geleden een e-mailtje gestuurd. Ze zei dat de conservator had gehoord dat ik deze maand een lezing zou geven in Parijs en dat hij iets met me wilde bespreken als ik hier was.’
‘Wat wilde hij bespreken?’
‘Dat weet ik niet. Kunst, neem ik aan. We hebben dezelfde interesses.’
Fache keek sceptisch. ‘Hebt u geen enkel idee waar uw gesprek over zou gaan?’

Dat had Langdon inderdaad niet. Hij was er wel nieuwsgierig naar geweest, maar had niet om bijzonderheden willen vragen. Het was algemeen bekend dat de eerbiedwaardige Jacques Saunière erg op zijn privacy was gesteld en maar zelden mensen te woord wilde staan; Langdon was dankbaar voor de kans hem te ontmoeten.

‘Meneer Langdon, kunt u dan misschien ráden wat ons slachtoffer met u had willen bespreken op de avond dat hij vermoord is? Het zou nuttig kunnen zijn.’
De bitsheid van de vraag trof Langdon onaangenaam. ‘Ik heb echt geen idee. Ik heb het niet gevraagd. Ik voelde me vereerd door het feit dat hij contact met me opnam. Ik bewonder het werk van meneer Saunière. Ik gebruik zijn publicaties vaak bij mijn colleges.’ Fache noteerde dat feit in zijn boekje.

De twee mannen waren nu halverwege de tunnel naar de Denon-vleugel, en Langdon zag de twee roltrappen aan het einde ervan, allebei bewegingloos.
‘Dus hij en u hadden dezelfde interesses?’ vroeg Fache.
‘Ja. Ik ben zelfs het grootste deel van het afgelopen jaar bezig geweest met een boek over het vakgebied waarop meneer Saunière het meest deskundig was. Ik verheugde me erop het naadje van de kous te weten te komen.’
Fache keek op. ‘Pardon?’
Blijkbaar begreep hij die uitdrukking niet. ‘Ik verheugde me erop te horen wat hij over het onderwerp dacht.’
‘Aha. En wat is het onderwerp?’
Langdon aarzelde, omdat hij niet precies wist hoe hij dat onder woorden moest brengen. ‘In wezen gaat het manuscript over de iconografie van godinnenverering; over het concept van de vrouwelijke heiligheid, en de kunst en symbolen die daar betrekking op hebben.’

Fache streek met een brede hand over zijn haar.
‘En daar had Saunière verstand van?’
‘Als geen ander.’
‘Ik snap het.’
Langdon had het gevoel dat Fache het helemaal niet snapte. Jacques Saunière werd beschouwd als de belangrijkste godinneniconograaf ter wereld. Niet alleen had Saunière persoonlijk een passie voor voorwerpen die verband hielden met vruchtbaarheid, godinnenvereringen, Wicca en de heilige vrouwelijkheid, maar gedurende zijn twintig jaar als conservator had Saunière ervoor gezorgd dat het Louvre de grootste collectie van godinnenkunst ter wereld had vergaard: labrys uit het oudste Griekse heiligdom van priesteressen in Delphi, gouden Mercuriusstaven, honderden ankhs die op rechtopstaande engeltjes leken, sistrums die in het oude Egypte werden gebruikt om kwade geesten te verdrijven, en een verbazingwekkende verzameling beelden van Horus aan de borst van de godin Isis.

‘Wist Jacques Saunière misschien wat u aan het schrijven was?’ opperde Fache. ‘En wilde hij u ontmoeten om zijn hulp aan te bieden?’
Langdon schudde zijn hoofd. ‘Niemand heeft mijn manuscript gelezen. Het is nog maar een ruwe versie en ik heb het alleen aan mijn uitgever laten zien.’
Fache zweeg.
Langdon vertelde niet wat de réden was dat hij het manuscript aan niemand anders had laten zien. In de kladversie van driehonderd bladzijden, die de voorlopige titel ‘Symbolen van de verloren heilige vrouwelijkheid had’, gaf hij een paar zeer ongebruikelijke interpretaties van religieuze werken, die afweken van wat algemeen werd aanvaard en die ongetwijfeld controversieel zouden zijn.

Langdon naderde de stilstaande roltrappen, maar hij bleef staan toen hij besefte dat Fache niet meer naast hem liep. Hij draaide zich om en zag dat Fache een paar meter achter hem bij een dienstlift stond.
‘We nemen de lift,’ zei Fache terwijl de liftdeuren openschoven. ‘Zoals u vast wel weet, is het te voet nog een heel eind naar de galerij.’
Hoewel Langdon wist dat de lift de lange klim van twee verdiepingen naar de Denon-vleugel overbodig zou maken, bleef hij roerloos staan.

‘Is er iets?’ Fache hield met een ongeduldige blik de deur tegen. Langdon blies zijn adem uit en wierp een lange blik achter zich, op de roltrappen. Er is helemaal niets, loog hij zichzelf voor, terwijl hij terug sjokte naar de lift. Toen hij een jongetje was, was Langdon in een ongebruikte put gevallen en had urenlang watertrappend overleefd in die kleine ruimte voordat hij op het nippertje was gered. Sinds die tijd leed hij aan een fobie voor afgesloten ruimtes: liften, metro’s, squashbanen. De lift is een volkomen veilig apparaat, hield hij zichzelf voortdurend voor, maar hij geloofde het nog steeds niet. Het is een kleine, metalen doos die in een dichte schacht hangt! Met ingehouden adem stapte hij de lift in, en hij voelde de bekende tinteling van adrenaline toen de deuren dichtschoven.

Twee verdiepingen. Tien seconden.
‘Meneer Saunière en u,’ zei Fache toen de lift in beweging kwam, ‘u hebt elkaar nooit gesproken? Nooit gecorrespondeerd? Elkaar nooit iets toegestuurd?’
Weer een vreemde vraag. Langdon schudde zijn hoofd. ‘Nee. Nooit.’
Fache hield zijn hoofd schuin alsof hij hier in gedachten een aantekening van maakte. Zonder iets te zeggen staarde hij recht voor zich uit naar de chromen deuren.

Terwijl ze omhooggingen, probeerde Langdon zich op iets anders te concentreren dan op de vier wanden om hem heen. In de glanzende liftdeur werd de dasspeld van de hoofdinspecteur weerspiegeld, een zilveren kruis met dertien ingelegde stukjes zwart onyx. Langdon vond dat enigszins verrassend. Het symbool werd een crux gemmata genoemd, een kruis met dertien edelstenen, en het was het christelijke ideogram voor Jezus en Zijn twaalf apostelen. Om de een of andere reden had Langdon niet verwacht dat een hoofdinspecteur van de Franse recherche zo openlijk voor zijn godsdienst uit zou komen. Aan de andere kant was dit Frankrijk; het christendom was hier niet zozeer een godsdienst als wel een geboorterecht. ‘Het is een crux gemmata,’ zei Fache plotseling.

Geschrokken keek Langdon op en zag dat Faches blik in de spiegelende deur op hem was gericht.
De lift kwam met een schok tot stilstand en de deuren gingen open. Langdon stapte snel de gang in, verlangend naar de grote open ruimte die de galerijen van het Louvre met hun beroemde hoge plafonds boden. Maar de wereld die hij binnenstapte, leek in niets op wat hij had verwacht.
Verrast bleef Langdon staan.
Fache wierp een blik op hem. ‘U hebt het Louvre zeker nog nooit na sluitingstijd gezien, meneer Langdon?’
Blijkbaar niet, dacht Langdon, terwijl hij probeerde zich te oriënteren.

De galerijen van het Louvre, die anders zo goed verlicht waren, waren vannacht schrikwekkend donker. In plaats van het gebruikelijke gelijkmatige, witte licht dat van boven naar beneden viel, leek er nu een zwakke rode gloed uit de plinten naar boven te stralen; met gelijke tussenruimten vielen er plassen rood licht op de tegelvloer.

Terwijl Langdon de schemerige gang in keek, besefte hij dat hij dit tafereel had kunnen verwachten. Vrijwel alle grote musea gebruikten ’s nachts rode verlichting; strategisch geplaatste lampen met een kleine lichtopbrengst, die het voor stafleden mogelijk maakten hun weg te vinden en er tegelijk voor zorgden dat de schilderijen relatief in het donker bleven, waardoor ze minder snel zouden verbleken dan wanneer ze werden blootgesteld aan licht.

Vannacht deed het museum bijna benauwend aan. Overal loerden lange schaduwen, en in plaats van de hoge, gewelfde plafonds zag hij nu een lage, zwarte leegte.
‘Deze kant op,’ zei Fache, en hij sloeg naar rechts af en liep een reeks onderling verbonden galerijen in.

Langdon volgde hem, en zijn ogen raakten langzaam gewend aan het donker. Overal om hem heen begonnen grote olieverfschilderijen te materialiseren, als foto’s die voor zijn neus in een enorme donkere kamer werden ontwikkeld; hun ogen volgden hem op zijn weg door de zalen. Hij proefde de bekende, scherpe smaak van museumlucht: een droge, van ionen gezuiverde lucht met een vleugje koolstof, geproduceerd door industriële luchtdrogers met koolstoffilters die vierentwintig uur per dag werkten om het schadelijke kooldioxide dat de bezoekers uitademden te neutraliseren. Hoog aan de muren hingen zichtbare beveiligingscamera’s als duidelijke boodschap aan de bezoekers: we zien jullie. Raak niets aan.

‘Zijn daar echte bij?’ vroeg Langdon, en hij gebaarde naar de camera’s.
Fache schudde zijn hoofd. ‘Natuurlijk niet.’
Dat verraste Langdon niet. Videobewaking in musea van deze afmetingen was onbetaalbaar en inefficiënt. Met de vele galerijen die bewaakt moesten worden, zou het Louvre alleen al een paar honderd man nodig hebben om de beelden te bekijken. De meeste grote musea werkten tegenwoordig met ‘insluitingsbeveiliging’. Doe geen moeite om dieven buiten te sluiten. Als je ze maar binnen weet te houden. Die beveiliging werd na sluitingstijd ingeschakeld, en als een indringer een kunstwerk wegpakte, werd de betreffende galerij afgesloten en dan zat de dief al achter de tralies voordat de politie ter plekke was.

Door de marmeren gang voor hen uit weergalmde het geluid van stemmen. Het leek uit een grote alkoof aan de rechterkant van de gang te komen. Er scheen fel licht de gang in.
‘Het kantoor van de conservator,’ zei de hoofdinspecteur.
Toen Fache en hij dichter bij de alkoof kwamen, zag Langdon een korte gang en daarachter Saunières luxueuze werkkamer; warm gekleurd hout, schilderijen van oude meesters en een enorm antiek bureau met een zestig centimeter hoog schaalmodel van een geharnaste ridder erop. Er was een handjevol politieagenten druk bezig; ze waren aan het telefoneren en maakten aantekeningen. Een van hen zat met een laptop aan Saunières bureau. Blijkbaar was het privékantoor van de conservator voor vanavond ingericht als de geïmproviseerde commandopost van de dcpj.

‘Messieurs,’ riep Fache, en de mannen draaiden zich om. ‘Ne nous dérangez sous aucun prétexte. Entendu?’
Iedereen in het kantoor knikte, ten teken dat ze het begrepen hadden.
Langdon had genoeg bordjes met ne pas deranger aan deuren van hotelkamers gehangen om de essentie te begrijpen van wat de hoofdinspecteur had gezegd. Fache en Langdon mochten onder geen enkele voorwaarde worden gestoord.

Ze lieten het groepje agenten achter en Fache liep met Langdon verder de donkere gang in. Dertig meter voor hen uit was vaag de doorgang zichtbaar naar het meest geliefde deel van het Louvre, de Grande Galerie, een schier onafzienbare galerij waarin de kostbaarste Italiaanse meesterwerken van het Louvre hun plek hadden. Langdon had al begrepen dat Saunières lijk daar lag; de beroemde parketvloer van de Grande Galerie was duidelijk zichtbaar geweest op de foto.

Toen ze naderbij kwamen, zag Langdon dat de doorgang werd versperd door een enorm stalen hek dat eruitzag als iets dat bij een middeleeuws kasteel werd gebruikt om plunderende legers buiten te houden.
‘Insluitingsbeveiliging,’ zei Fache toen ze bijna bij het hek waren. Zelfs in het donker zag de barrière eruit alsof die een tank zou kunnen tegenhouden. Toen hij erbij aankwam, tuurde Langdon tussen de tralies door naar de flauw verlichte spelonken van de Grande Galerie.
‘Na u, meneer Langdon,’ zei Fache.
Langdon draaide zich om. Na mij, waarheen?
Fache wees naar de grond onder het hek.

Langdon keek naar beneden. In het donker had hij het niet gezien. De versperring was ongeveer een halve meter opgehesen, waardoor er een onpraktische doorgang was gecreëerd.
‘Dit deel van het gebouw is nog verboden terrein voor de beveiligingsdienst van het Louvre,’ zei Fache. ‘Mijn team van Police Technique et Scientifique is net klaar met het onderzoek.’ Hij gebaarde naar de opening. ‘Kruipt u er alstublieft onderdoor.’

Langdon staarde naar de lage opening aan zijn voeten en toen omhoog naar het zware ijzeren hek. Dat meent hij toch niet? De versperring zag eruit als een guillotine die klaar hing om indringers te verpletteren.
Fache bromde iets in het Frans en keek op zijn horloge. Toen liet hij zich op zijn knieën zakken en schoof zijn omvangrijke lijf onder het hek door. Aan de andere kant stond hij op en keek tussen de tralies door om naar Langdon.

Langdon zuchtte. Hij legde zijn handen plat op het gewreven parket, ging op zijn buik liggen en trok zichzelf naar voren. Toen hij onder het hek door gleed, haakte de kraag van zijn tweedjasje vast achter de onderkant van een tralie, en hij stootte zijn achterhoofd tegen het ijzer.
Erg elegant, Robert, dacht hij, terwijl hij zich los frunnikte, zodat hij ten slotte onder het hek door kon kruipen. Toen hij overeind kwam, begon Langdon te vermoeden dat het een lange nacht zou worden.

5

Murray Hill Place, het nieuwe Amerikaanse hoofdkantoor en congrescentrum van het Opus Dei, staat aan Lexington Avenue 243 in New York. De torenflat, met een vloeroppervlak van twaalf- duizend vierkante meter, heeft zevenenveertig miljoen dollar gekost en is bekleed met rode baksteen en kalksteen uit Indiana. Het gebouw is ontworpen door May & Pinska en heeft meer dan honderd slaapkamers, zes eetzalen, bibliotheken, zitkamers, vergaderzalen en kantoren. Op de eerste, de zevende en de vijftiende verdieping bevinden zich kapellen, versierd met kabinetwerk en marmer. De zestiende etage is een woonverdieping. Mannen gaan het gebouw binnen door de hoofdingang aan Lexington Avenue. Vrouwen gebruiken een zij-ingang en zijn in het gebouw altijd ‘akoestisch en visueel gescheiden’ van de mannen.

Eerder op de avond had bisschop Manuel Aringarosa in zijn rustige dakappartement een kleine reistas ingepakt en een traditionele zwarte soutane aangetrokken. Normaal zou hij een paarse sin- gel om zijn middel hebben gewikkeld, maar vanavond zou hij zich onder de mensen begeven, en hij vestigde liever niet de aandacht op zijn hoge ambt. Alleen de oplettende toeschouwer zou zijn 14-karaats gouden bisschopsring opmerken, die gezet was met een paarse amethist, grote diamanten en een mijter en staf in handgemaakt oplegwerk. Nadat hij de reistas over zijn schouder had gehangen, zei hij geluidloos een gebed, verliet zijn appartement en daalde af naar de vestibule, waar zijn chauffeur wachtte om hem naar het vliegveld te brengen.

Nu zat Aringarosa in een passagiersvliegtuig naar Rome en hij keek uit het raam naar de donkere Atlantische Oceaan. De zon was al onder, maar Aringarosa wist dat zijn eigen ster rijzende was. Vannacht zal de strijd gewonnen worden, dacht hij, verbaasd dat hij zich nog maar een paar maanden geleden machteloos had gevoeld tegenover degenen die dreigden zijn rijk te vernietigen.

Als hoofd van het Opus Dei had bisschop Aringarosa zich de laatste tien jaar gewijd aan het verspreiden van de boodschap van het ‘werk van God’, letterlijk Opus Dei. De congregatie, die in 1928 was opgericht door de Spaanse priester Josemaría Escrivá, pleitte voor een terugkeer naar de conservatieve katholieke waarden en moedigde haar leden aan grote persoonlijke offers te brengen om het werk van God te doen.

De traditionalistische filosofie van het Opus Dei had in eerste instantie voet aan de grond gekregen in Spanje voordat Franco daar aan de macht was, maar nadat Josemaría Escrivá in 1934 zijn religieuze boek De Weg publiceerde – 999 punten van meditatie om het werk van God in je eigen leven te doen – werd Escrivá’s boodschap over de hele wereld bekend. Intussen waren er meer dan vier miljoen exemplaren van De Weg in tweeënveertig talen in omloop en had het Opus Dei over de hele wereld volgelingen. In bijna elke wereldstad was er wel een kantoor, een onderwijscentrum of zelfs een universiteit van de organisatie te vinden. Het Opus Dei was de snelst groeiende en financieel best draaiende katholieke organisatie ter wereld. Helaas had Aringarosa ondervonden dat in een tijd van cynisme, sektes en tv-evangelisten de toenemende rijkdom en macht van het Opus Dei achterdocht wekten.

‘Velen noemen het Opus Dei een sekte die mensen hersenspoelt,’ zeiden verslaggevers vaak uitdagend. ‘Anderen noemen u een ultraconservatief christelijk geheim genootschap. Welke van de twee bent u?’
‘Het Opus Dei is geen van tweeën,’ antwoordde de bisschop dan geduldig. ‘We zijn een katholieke Kerk. We zijn een congregatie van katholieken die ervoor hebben gekozen de katholieke leer zo zorgvuldig mogelijk door te voeren in ons dagelijks leven.’

‘Is het bij het doen van Gods werk echt noodzakelijk een kuisheidsgelofte af te leggen, tienden te betalen en voor zondes te boeten door middel van zelfkastijding en de cilice?’
‘U beschrijft slechts een gering aantal van de leden van het Opus Dei,’ zei Aringarosa. ‘Je kunt op allerlei niveaus meedoen. Duizenden Opus Dei-leden zijn getrouwd, hebben een gezin en doen het werk van God in hun eigen gemeenschap. Anderen kiezen een leven van ascese binnen de kloostermuren van onze leefgemeenschappen. Die keuzes zijn persoonlijk, maar iedereen in het Opus Dei streeft naar een betere wereld door het werk van God te doen. Dat is toch een bewonderenswaardig streven?’

Maar redelijkheid had zelden effect. De media werden altijd aangetrokken tot schandalen, en het Opus Dei had, net als de meeste grote organisaties, een paar dolende zielen onder haar leden die een schaduw over de hele groep wierpen.
Twee maanden geleden was een Opus Dei-groep aan een universiteit in de Midwest van de Verenigde Staten betrapt op het drogeren van nieuwe leden met mescaline in een poging bij hen een euforische toestand op te roepen die de nieuw bekeerden zouden aanzien voor een religieuze ervaring. Een andere student had zijn boetegordel vaker gebruikt dan de aanbevolen twee uur per dag en had zichzelf een bijna dodelijke infectie bezorgd. Kortgeleden had een ontgoochelde jonge bankier in Boston al zijn spaargeld overgemaakt naar het Opus Dei en daarna geprobeerd zelfmoord te plegen.

Dolende schapen, dacht Aringarosa, en zijn hart ging naar hen uit. En ze waren natuurlijk pas goed in verlegenheid gebracht door de rechtszaak tegen fbi-spion Robert Hanssen, die veel publiciteit had gekregen. Behalve dat de man een vooraanstaand lid van het Opus Dei was geweest, was gebleken dat hij seksueel afwijkend gedrag had vertoond; er was bewijs ter tafel gekomen dat hij verborgen videocamera’s in zijn slaapkamer had gemonteerd, zodat zijn vrienden konden toekijken hoe hij seks had met zijn vrouw. ‘Niet echt de aangewezen hobby voor een vroom katholiek,’ had de rechter opgemerkt.

Helaas hadden al die gebeurtenissen geleid tot de oprichting van een nieuwe waakhond, het Opus Dei Awareness Network (odan). Op de populaire website van de groep – www.odan.org – stonden angstaanjagende verhalen van vroegere Opus Dei-leden, die waarschuwden voor de gevaren van het lidmaatschap. De media noemden het Opus Dei nu ‘Gods maffia’ en ‘de Sekte van Christus’. We vrezen wat we niet begrijpen, dacht Aringarosa, en hij vroeg zich af of die critici wel enig idee hadden van alle levens die door het Opus Dei verrijkt werden. De groep genoot de volledige steun en zegening van het Vaticaan. Het Opus Dei is een persoonlijke prelatuur van de paus zelf.

De laatste tijd werd het Opus Dei echter bedreigd door een macht die veel invloedrijker was dan de media, een onverwachte vijand waarvoor Aringarosa zich onmogelijk kon verbergen. Vijf maanden geleden was de caleidoscoop geschud, de machtsverhoudingen waren totaal veranderd, en Aringarosa was nog steeds duizelig van de klap.

‘Ze weten niet welk een oorlog ze zijn begonnen,’ fluisterde Aringarosa voor zich uit, terwijl hij door het vliegtuigraampje naar de donkere oceaan onder zich staarde. Even stelden zijn ogen zich op iets anders scherp, op de weerspiegeling van zijn eigenaardige gezicht, donker en langwerpig, gedomineerd door een platte, scheve neus die was gebroken toen hij in Spanje, als jong missionaris, een stomp in zijn gezicht had gekregen. Die lichamelijke onvolkomenheid viel hem nu nauwelijks meer op. Aringarosa leefde in de wereld van de ziel, niet die van het vlees.

Toen het vliegtuig boven de kust van Portugal vloog, begon de mobiele telefoon in Aringarosa’s soutane te trillen. Volgens de reglementen van de vliegmaatschappij was het gebruik van mobiele telefoons tijdens de vlucht verboden, maar Aringarosa wist dat hij dit gesprek niet kon laten lopen. Er was maar één man die dit nummer had, de man die Aringarosa de telefoon had toegestuurd. Opgewonden zei de bisschop met zachte stem: ‘Ja?’

‘Silas weet waar de sluitsteen is,’ zei de beller. ‘In Parijs. In de Eglise Saint-Sulpice.’
Bisschop Aringarosa glimlachte. ‘Dan hebben we hem bijna.’ ‘We kunnen hem meteen bemachtigen. Maar daar hebben we uw invloed bij nodig.’
‘Natuurlijk. Zeg me maar wat ik moet doen.’
Toen Aringarosa de telefoon uitschakelde, bonsde zijn hart. Hij keek weer de leegte van de nacht in en voelde zich nietig in het licht van wat hij in beweging had gezet.

Achthonderd kilometer verderop stond de albino Silas bij een kleine waskom en depte het bloed van zijn rug; hij keek hoe de rode kleur door het water wervelde. Raak met hysop mij aan, ik zal rein zijn, bad hij een citaat uit Psalmen. Was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
Silas voelde een opgewonden verwachting die hij niet meer had gekend sinds zijn vorige leven. Het verraste en prikkelde hem. De afgelopen tien jaar had hij De Weg gevolgd en zich gereinigd van zonden, zijn leven opnieuw opgebouwd en het geweld uit zijn verleden uitgewist. Maar vannacht was alles in één keer weer teruggekomen. De haat die hij met zoveel moeite had begraven, was weer tot leven gewekt. Het had hem geschokt dat zijn verleden zo snel weer boven was gekomen. En daarmee natuurlijk zijn vaardigheden. Roestig, maar nog steeds bruikbaar.

De boodschap van Jezus is vrede, geweldloosheid en liefde. Dat was de boodschap die Silas van het begin af aan was geleerd, de boodschap die hij in zijn hart meedroeg. Maar diezelfde boodschap dreigden de vijanden van Christus nu te vernietigen. Zij die God met geweld bedreigen, zullen geweld ontmoeten. Onverzettelijk en standvastig.

Bron: De Da Vinci Code van Dan Brown

BESTEL DE DA VINCI CODE VOOR € 7,99

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *