De Egyptische Oergnosis en haar roep in het eeuwige nu: vier boeken met het Corpus Hermeticum en toelichtingen van J. van Rijckenborgh

In het midden van de jaren vijftig openen J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri voor hun leerlingen nog een deur: die van ‘de schatkamer van de hermetische wijsheid’. Die schatkamer zijn de zeventien boeken van het Corpus Hermeticum en de Tabula Smaragdina – de teksten van Hermes Trismegistus. Dat J. van Rijckenborgh ook het Corpus Hermeticum regel voor regel heeft bestudeerd, blijkt wel uit zijn vierdelig werk met verklarende tekst dat hij als titel meegeeft: De Egyptische Oergnosis en haar Roep in het Eeuwige Nu.

Zijn vriend en naaste medewerker C.G. Stratman brengt hem in kennis met de boeken van G.R.S. Mead, tot die tijd in Nederland praktisch volledig onbekend. Terwijl hij pargraaf na paragraaf vertaalt, en hem op tal van details wijst, pakt J. van Rijckenborgh de draad op waarvan het begin vijftig jaar eerder was gesponnen. Meads Engelse vertaling van het Corpus Hermeticum in zijn indrukwekkende boek Thrice-Greatest Hermes is de basis van de Nederlandse tekst, die in vier delen verschijnt. Van Rijckenborgh hanteert de volgende volgorde van de hermetische geschriften:

  1. Corpus Hermeticum 1: Pymander
  2. Corpus Hermeticum 2: Pymander tot Hermes
  3. Corpus Hermeticum 3: Dat het grootste kwaad in de mensen is, dat zij God niet kennen
  4. Corpus Hermeticum 4: Hermes rede ter ere van God
  5. Corpus Hermeticum 5: Uit een rede van Hermes tot Tat
  6. Corpus Hermeticum 6: Algemene dialoog tussen Hermes en Asclepius
  7. Corpus Hermeticum 7: Hermes tot Tat over het mengvat en de eenheid
  8. Corpus Hermeticum 8: Hermes tot zijn zoon Tat: dat de onzienlijke God het meest openbaar is
  9. Corpus Hermeticum 9: Dat niets van hetgeen werkelijk bestaat verloren gaat, maar dat men in dwaling de veranderingen vernietiging en dood noemt.
  10. Corpus Hermeticum 10: Dat het goede alleen in god en nergens anders te vinden is.
  11. Corpus Hermeticum 11: Over het verstand en de zintuigen
  12. Corpus Hermeticum 12: De sleutel van Hermes Trismegistus
  13. Corpus Hermeticum 13: Hermes Trismegistus tot Tat: Over het algemene gemoed of de heilige geest
  14. Corpus Hermeticum 14: De geheime rede op de berg, betreffende de wedergeboorte en de belofte van stilzwijgendheid
  15. Corpus Hermeticum 15: Hermes Trismegistus tot Asclepius: Over het juiste denken
  16. Corpus Hermeticum 16: Hermes tot Ammon: Over de ziel
  17. Corpus Hermeticum 17: Hermes tot Tat: Overde waarheid

J. van Rijckenborgh wijst erop dat Hermes de Oergnosis ziet als de oorspronkelijke kennis, de eeuwige wijsheid én de bevrijdende kracht die door alle tijden heen principieel dezelfde is. Beter gezegd: altijd hetzelfde bedoelt over te dragen. Hij spreekt tegen de achtergrond van zijn eigen tijd en laat zien dat die roep inderdaad nog altijd actueel is. Als geen ander is hij in staat de universele lijn aan te geven, die steeds hetzelfde principe uitdraagt. Vandaar de toevoeging in de titel: haar roep in het eeuwige nu.

Zijn toehoorders (en later lezers) plaatst hij voor het diepe inzicht van de oude Egyptische wijsheid in de samenhang van God – wereld – mens. Want behalve dat deze weg in het oorspronkelijke christendom oplicht, is deze ook van alle tijden. Op elke bladzijde van zijn boeken en lezingen probeert hij de aandacht weg te halen van de vervormde inzichten van de wereldse mens. Het doel is om de gevormde groep een helder beeld te geven van de positieve levensweg, die er altijd is geweest, het pad dat er nog steeds is, en dat leidt tot de bevrijding van de ziel. 

Daarbij neemt hij een advies van Hermes ter harte, waarin deze aangeeft dat ‘de mensen die na ons komen’ zich zullen laten misleiden door de arglistigheid van deskundigen. Daarom zullen ze zich afwenden van de ware, zuivere en heilige wijsbegeerte. Want de echte filosofie, die niet besmet is met ongepaste nieuwsgierigheid van het blote verstand, bestaat hierin dat de mens met eenvoud van geest en ziel de godheid vereert, zijn daden beaamt en dank brengt aan Gods wil, die louter goedheid is.

Het geestelijke schouwen, de levensvolheid en het besef dat ‘waarheid’ in het Corpus Hermeticum en in de Tabula Smaragdina (Tafel van Smaragd) tot uitdrukking komt, dit alles vat hij samen onder de noemer: ‘De Egyptische Oergnosis’. Ook al zijn deze teksten in het hellenistische begin van onze jaartelling op schrift gesteld, zij vinden hun oorsprong in de Egyptische wijsheid van ver voor de jaartelling. Modern onderzoek bevestigt dit. Het is een wijsheid die – verminkt en veruiterlijkt – wellicht moeilijk terug te vinden is in de hiërogliefen van de piramides, de koningsgraven en de papyri, maar die daarin wel degelijk als één en dezelfde bevrijdingsleer doorklinkt, voor wie het kan zien.

Het is een inzicht dat anno 2008 door iemand als Erik Hornung volledig wordt gedeeld. Deze schrijver en wetenschapper bevestigt in zijn boek De verborgen kennis van het oude Egypte dat de figuur van Hermes Trismegistos, een combinatie van de Egyptische godheid Thot en de Griekse Hermes, terecht door de eeuwen heen is gezien als het symbool van verborgen wijsheid. Hornung noemt zijn kennis: Egyptosofie en hij durft de strijd aan met de officiële egyptologie, die tot nu toe voor een groot deel aan dit fenomeen voorbij gaat. Eindelijk eens iemand die wetenschappelijk aantoont welk een invloed het esoterische Egypte heeft gehad op tweeduizend jaar Europese geschiedenis. Want, aldus Hornung, ‘al in het oude Egypte zijn de ervaringen met een waarheid, die onveranderlijk is, zodanig opgetekend dat ze bepalend zijn voor de wijze waarop de Europese mens eeuwen later de geest nadert!’

J. van Rijckenborgh hanteert vijftig jaar eerder al een boeiende stijl om het licht van de Egyptische Oergnosis te laten schijnen over de grote filosofische vragen die Europa sinds haar oorsprong bezighouden. Hoe is de verhouding tussen geest en natuur, tussen ziel en materie? Kan de mens God kennen, en hoe kan hij dat? Wat is goed, wat is kwaad? Bestaan onsterfelijkheid en verlossing voor de mens, en hoe worden die dan verkregen? Het zijn deze vragen die worden aangesneden in de dialogen van het Corpus Hermeticum, enerzijds tussen Pymander en Hermes, anderzijds tussen Hermes en Tat, respectievelijk Asclepius; namen die opnieuw metaforen zijn voor de geestkracht en zielekrachten ín de mens.

In het eerste deel van de serie beschrijft hij de toestand van de mens die gebonden is aan het tijdelijke, terwijl de eeuwigheid zijn bestemming is. 

Het tweede deel behandelt uitvoerig hoe je daarvan vrij komt. Als uitgangspunt neemt hij het inzicht dat de mens in zijn huidige bestaan God niet kent. Neem afstand, zegt de schrijver, laat de binding met de natuurkrachten los. Dan neem je ook de oorzaak van de dood, de ‘tegenbeweging’, weg, en verkrijg je onsterfelijkheid, door éénwording met de onsterfelijke waarheid.

De moeilijkheden die je als strevende mens bij dit proces tegenkomt, beschrijft de auteur in deel drie. Deze bestaan uit onder meer de verwarring omtrent goed en kwaad, de werking van het verstand, en tenslotte de neiging van de mens om alles voor eigen zaak te gebruiken. Daarmee stelt deze zich diametraal tegenover de geest, het pneuma (levensgeest, levensadem), die universeel is, voor allen en in allen, en daarmee beginnen de problemen van het bestaan in de wereld van de materie.

Een hoogtepunt bereikt de schrijver in het vierde deel, waarin hij diep doordringt in de reiniging van het hart en het denken door waarheid, een zuiverende vibratie, toe te laten. Eén gevolg van waarheid in jezelf toe te laten is de zuivering van het bewustzijn. De lotsverknoping, het karma van de Indiërs, verliest zijn dwingende invloed. Er ontstaan een nieuw bewustzijn en een nieuw denken, waarmee je steeds beter waarheid leert zien, binnen, buiten en boven je, maar in eerste instantie in je innerlijk. Je schept geen beelden meer van de waarheid, maar leeft in overeenstemming met haar structuur.

In zijn verklaringen gebruikt J. van Rijckenborgh elementen die voortkomen uit het hermetische en het gnostieke denken, maar ook uit het denken van Mani (210-276), de stichter van een gnostieke religie, die bekend werd als het manicheïsme. Hij wijst erop dat het hermetisme, in zijn absoluut positieve en zekere weten van de onverbrekelijke eenheid tussen God, kosmos en mens, in wezen toch niet verschilt van de visie van Mani, die ons bestaansveld ziet in haar verschijnende ‘boosheid’. Mani ziet een wereld en een bewustzijn die worden samengevoegd én verscheurd door de tegenstellingen: goed en kwaad. Lyrisch stelt Mani de mens voor om absoluut en met hart en ziel de Gnosis te omarmen en bewust afscheid te nemen van de lagere natuur. Zijn gnosis is Christus, het reddende geestelijke beginsel in de kosmos en in de mens. 

Hermes vraagt de mens zich boven de wereld van de zinnen te stellen, zich met ‘de wezenlijke dingen’ bezig te houden en zijn gemoed te verheffen, opdat Pymander zich in hem kan vrijmaken. En ‘Pymander is geen afzonderlijk wezen’, aldus J. van Rijckenborgh, maar ‘een ontvlammen van een levende werkelijkheid die van het geestveld geheel en al deel uitmaakt’.

De vier delen van De Egyptische Oergnosis vormen een belangrijke pijler in het werk van het Lectorium Rosicrucianum. Het is een grote vreugde wanneer de mens het eerste schijnsel van het Licht in zijn innerlijk ervaart; en J. van Rijckenborgh doet niet anders dan deze vreugde bevestigen en verklaren. ‘God is Licht!’ – een leerling van Hermes is de eerste die deze uitspraak als waarheid zal kunnen onderschrijven. Als alle deelhebbers dit werk in de brandpunten van de School van het Rozenkruis gewetensvol ter hand nemen, legt hij uit, tekent zich na verloop van tijd een nieuw menstype af, en kan er sprake zijn van een ‘grote, nieuwe wereldactiviteit van de broederschap’.

Bron: Geroepen door het Wereldhart door Peter Huijs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *