Beschouwing 5

Spirituele Pinksteren 5: het licht van de wereld volgen en zijn
Beschouwing voor donderdagochtend voor Pinksteren

 

5 spirituele pinksteren

Een leerling van de ziel die na jarenlange voorbereidingen binnen een spirituele traditie het wonder van de verheerlijking op de berg met het innerlijke oog heeft aanschouwd, kan de neiging hebben om op die berg te blijven, om zich te koesteren in het Licht.

Daarom is het voorstelbaar dat Petrus, symbool voor de wil en de daadkracht van de persoonlijkheid, voorstelt om bovenop de berg drie tenten neer te zetten: één voor Mozes, (de kennis van de Wet), één voor Elias (de liefde voor de Wet) en één voor Jezus (de vervulling van de Wet).

Maar mensen die werkelijk het geestelijke Licht, dat is Liefdekracht, hebben ontvangen kunnen dit onmogelijk voor zichzelf houden: Liefde moet zich mededelen, het is de grond van haar bestaan. Zij zullen in dienstbaarheid aan wereld en mensheid de berg afdalen.

Zij zullen het Licht dat zij hebben ontvangen, in de wereld laten stralen voor hun medemensen die nog in het duister dolen. Want door inzicht, liefde en dienstbaarheid vervullen zij hun innerlijke opdracht om een brug te zijn tussen hemel en aarde.

Jezus en zijn discipelen dalen de berg af; de mens op het spirituele pad verplaatst zijn aandacht en zielekracht naar de uiterlijke wereld. Jezus onderwijst, voedt en geneest hen die daarvoor open staan, hij geneest zelfs een blindgeborene. Daarover lezen we:

En een andere keer dat Jezus voorbijkwam, zag hij een man, die van zijn geboorte af blind was. Zijn discipelen vroegen: ‘Meester, wie heeft gezondigd, deze man of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?’

Jezus antwoordde: ‘Wat doet het ertoe of deze man of zijn ouders gezondigd hebben, als de goddelijke werken in hem geopenbaard worden? Ik moet de werken van mijn Vader-Moeder, die mij gezonden heeft, doen zolang het dag is; de nacht komt, waarin niemand werken kan. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het Licht van de wereld.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 53:1-2)

Feitelijk is elke stoffelijke mens in wie de innerlijke Jezus nog niet is geboren, een ‘blind geborene’. De gevangenschap binnen de levenssfeer van de stoffelijke zintuigen maakt dat Jezus alleen de ogen opent van diegenen die iets van het hogere leven van de ziel in zich ervaren. Hij zegt:

‘Ik ben het Licht van de wereld; die mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen, maar het Licht van het leven bezitten.’
(Het Evangelie van de heilige twaalven 50:1)

Wandelen in de duisternis duidt op meer dan het gevangen zijn in de materiële wereld, door de bindende werking van de zintuigen. Het is de existentiële staat van de stoffelijke mens. De hogere waarnemingsorganen zijn nog gesloten voor het hogere leven, de Lichtgeboorte heeft nog niet plaatsgevonden. Door de onbewustheid van de eigen goddelijkheid is iemand ‘die in duisternis wandelt’ nog niet in staat een brug te zijn tussen de Schepper en de schepping .

Maar zodra het licht van het nieuwe leven de innerlijke fakkel heeft ontstoken, zodra de slapende geestvonk in het hart is ontwaakt, kan Jezus worden waargenomen en gevolgd. Zo iemand draagt dan het licht van het nieuwe leven in zich.

De Christuskracht die vrij komt in het hart van de mens, stuwt dan een ‘mens die weer ziende is geworden’ voort op het pad van wedergeboorte. Dan volgen zij niet alleen het Licht van de wereld, maar dan zijn ze het ook. Daarom zegt Jezus in de Bergrede tot zijn discipelen:

U bent het licht der wereld. Een stad die op een berg gebouwd is, kan niet verborgen zijn. Men steekt ook geen kaars aan en zet deze onder een korenmaat, maar men zet haar op een kandelaar. Dan geeft deze licht aan allen die in het huis zijn. Laat aldus uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede daden mogen zien en uw Vader-Moeder, die in de hemel verblijft, verheerlijken.
(Het evangelie van de heilige twaalven 25:7)

Het goddelijke licht is een onaards licht, een kracht met de hoogste vibratie in dit universum. Om dat licht in de wereld te kunnen weerspiegelen zijn een vrome en moreel hoogstaande levenswijze niet voldoende; een volwaardige gnostieke lichtspiegel vraagt vernieuwing naar geest, ziel en lichaam.

De sterfelijke viervoudig gemanifesteerde lichaamsgestalte van de zevenvoudige mens, is het kleine scheepje waarmee de stormachtige levenszee wordt bevaren en waarmee het bewustzijn ‘van goed en kwaad’ wordt opgedaan. Het wordt bestuurd door willen, denken en voelen.

Het stoffelijke lichaam, het etherlichaam, het astrale lichaam en het mentale lichaam zijn de rokken van vellen waarin Adam en Eva werden gekleed. Deze lichamen echter worden gezuiverd en veranderd als de nieuwe ziel is geboren en zijn eigen lichaam weer begint op te bouwen.

In het stoffelijke lichaam zijn hiertoe zaden van hogere, spirituele vermogens gezaaid. Deze kernen openen zich onder invloed van het licht van de ziel en laten lichaam en stuurkrachten functioneren op een manier die helpend is voor de ziel. De spirituele rijkdom van het menselijk lichaam is een schat die we met ons meedragen maar waarvan maar weinigen zich bewust zijn.

Het is bekend dat alles waarop een mens zijn aandacht richt, een verandering teweeg brengt die bijvoorbeeld aantoonbaar is in de vorm van de aanmaak van een hormoon, of als het actief worden van bepaalde hersengedeelten of als het veranderen van de bloeddruk. Evenzo treden er concrete veranderingen op als een mens zijn aandacht gericht houdt op het innerlijke Licht der Wereld.

Als een mens op basis van een ervaringsvolheid vaststelt dat duurzame vervulling niet in deze wereld te vinden is, en gedreven door een diep heimwee op zoek gaat naar zijn ware bestemming, dan gaat er een specifieke en heel krachtige trilling van hem uit. Van hem of haar gaat als het ware een klank, een roep uit; zijn lichtkern staat op openbreken.

Die uitgezonden roep wordt opgevangen door de Broederschap van Levende Zielen; zij zagen al van verre dat de zielekern in het hart van deze mens op ontkiemen stond en namen hem of haar, ongemerkt, onder hun hoede. Het antwoord van de Broederschap is onverwacht: ergens gedurende de slaap wordt het bewustzijn van de ontwakende ziel opgetild en van instructies en kracht voorzien.

Zo kan de ziel, bijgestaan door de Broederschap, de persoonlijkheid door het dagelijkse leven sturen: het fluistert  zijn raadgevingen in in denken, voelen en willen. En de persoonlijkheid vindt dan tot zijn grote verbazing mensen, organisaties en publicaties op zijn weg die hem inlichten over het bestaan van een gnostiek en bevrijdend pad. Dat is het eerste antwoord van de Broederschap.

Wanneer zo’n mens door het antwoord wordt geraakt en tot inzicht komt en sterker gaat verlangen naar waarachtig leven, dan breekt de sluimerende geestvonk in het hart open. Het koninkrijk van de ziel is in het hart waargenomen. Het hart gaat letterlijk het levenslicht zien en de vonk gaat die nieuwe lichtkracht weerspiegelen zoals een maan het zonlicht: Johannes de Doper is geboren. Hij getuigt van het licht, maar is het licht niet.

Voor het menselijk lichaam is deze lichtkracht, die een Johannesmens daadwerkelijk ‘in het bloed zit’, een lichaamsvreemde stof. Lichaamsvreemde stoffen moeten met kracht worden bestreden, en Herodes, onder andere symbool voor de reinigende werking van de lever, doet zijn uiterste best deze vreemde ‘pasgeboren nieuwe koning’ uit zijn rijk te verwijderen. Het zal hem in de aanvang zeker vaak lukken.

De leerling van de ziel raakt daardoor in diepe vertwijfeling en merkt dat hij steeds weer terugvalt op oude levenspatronen. Alle lichtkracht lijkt hem steeds weer uit zijn vingers te glippen. Maar, juist door deze dynamiek van het kwijtraken, door de magnetische kracht van de verbroken eenheid, wordt zijn verlangen naar licht sterker. En hij zet door.

Uiteindelijk moet Herodes zich gewonnen geven aan het steeds sterker wordende licht; het bloed en het zenuwstelsel kunnen nu blijvend worden veranderd door de nieuwe kracht in de mens: Jezus is in de mens geboren.

Twee wezens worden waargenomen: de Johannesmens die weet dat hij zelf minder moet worden en de Andere, Jezus, die daardoor zal groeien. En de thymus achter het borstbeen, tot in de pubertijd actief bij de groei van een kind, gaat onder invloed van de lichtstraling uit het hart een hoger groeihormoon aan het bloed afgeven.

Via de bloedsomloop tussen hart en hoofd bereikt het bloed, dat nu met spirituele kracht is geladen, het hoofd. De lichtkrachten wekken ook daar latente spirituele centra waaronder de hypofyse of slijmklier. Zoals het hart door zielsverlangen werd aangeraakt door het licht, wordt nu het hoofd aangeraakt door de stroom van lichtkracht uit het hart.

Zo wordt het hoofd gereinigd. Een nieuw denken ontstaat, een nieuw zeker weten. Een heel nieuwe stroom van gedachten en inzichten welt op in de mens op het spirituele pad. Ze komen van binnen uit, het lijkt alsof ze daar altijd al aanwezig waren. Zo wordt het hoofd door de stroom van licht merkbaar voorbereid op de directe indaling van het licht, van het vuur van de heilige geest.

Gestaag ziet Johannes Jezus tot zich komen, van over de Jordaan en Jezus wordt door Johannes gedoopt, wordt gereinigd door water. Dan volgt de vuurdoop: de geest, het vuur, gesymboliseerd door de duif, daalt neer in de hypofyse en blijft daar.

Dit is nog maar het begin van de ‘omwandeling van Jezus op aarde’: het gehele lichaam en de gehele persoonlijkheid moeten nog worden gereinigd en vernieuwd. De lammen, de blinden en de kreupelen worden stap voor stap genezen in de mens op het gnostieke pad.

Het centrale bewustzijnsvuur zetelt in het stelsel dat gevormd wordt door de hersenen en het ruggenmerg. Het bevindt zich in de wervelkolom van 33 wervels en de energie die erin circuleert wordt kundalini genoemd.

In deze levensboom, die verbonden is met het hele zenuwstelsel, circuleren de energieën die de mens verbinden met het aardse leven en die onder andere via de zeven chakra’s worden ingeademd. Dit kanaal, waarlangs het menselijke bewustzijn zich verbindt met het lichaam, wordt wel aangeduid als het slangenvuur.

Twee slangen kronkelen zich om onze levensboom: een koperen slang en een vurige slang. Zij symboliseren respectievelijk het vrouwelijke en het mannelijke beginsel in ons, die werkzaam zijn in de materiële wereld. Daarom zijn ze bij voortduring in onwetendheid, in duisternis, in twist. Ze hebben kennis van goed en kwaad, de eenheid zijn zij vergeten.

Maar, door de gerichtheid op het leven van de ziel ontwikkelt de mens een nieuw bewustzijn, van een hogere aard. Naast het oude slangenvuur ontwikkelt zich spontaan, zonder oefeningen of technieken, een geheel nieuw slangenvuur. Een nieuwe lichtkracht daalt in: het is de lichtkracht die het hoofd kan ontvangen sinds de vuurdoop in de Jordaan en die nu zijn afdaling aanvangt tot in het diepste diep van de menselijke persoonlijkheid, de plexus sacralis.

De stroom nieuwe lichtkracht volgt de zogeheten nervus sympathicus, zenuwstrengen die rechts en links van het ruggenmerg lopen. In de oude Indiase wijsheid worden deze wel aangeduid als ida en pingala. Die lichtkracht daalt via de rechterstreng naar beneden. Op die weg ontmoet het de instromingspunten van zes van de zeven hoofdchakra’s: het voorhoofdschakra, het keelchakra, het hartchakra, het miltchakra, het heiligbeenchakra en het stuitchakra.

Een chakra (betekenis: wiel) is een soort ademhalingsorgaan: elk chakra ademt door te draaien levenskrachten in en uit, en elk chakra is zo individueel als een vingerafdruk. Een nieuwe levenskracht zoals gnostieke lichtkracht, zal op zijn weg dan ook weerstand ondervinden van de chakra’s: er ontstaat een krachtmeting tussen licht en duisternis.

De meest bijzondere ontmoeting is wel die in het stuitchakra, ook wel de plexus sacralis genoemd. Daar bevindt zich de zogeheten opgerolde slang van de kundalini, het punt waar het karma zich met de mens verbindt. Daar bindt de nieuwe slang de strijd aan met de oude slang, in de evangeliën symbolisch beschreven als de verzoeking in de woestijn.

Na de overwinning van de nieuwe slang in de plexus sacralis stijgt de gnostieke stroom op in de linkerstreng en ontmoet daar weer de chakra’s, maar dan in omgekeerde volgorde. Die hernieuwde ontmoeting heeft bijzondere gevolgen voor de werking van de chakra’s. Want door de invloed van de lichtkracht raken zij afgestemd op het innerlijke leven, gaan in tegengestelde richting draaien en andere krachten inademen.

Zo worden de koperen slang en de vurige slang vervangen door gouden slangen; de Mercuriusstaf wordt in zijn oorspronkelijke glorie hersteld en het pinkstervuur, het vuur van de heilige geest, kan zich manifesteren.

mecuriusstaf-caduceus

Maar de reis ‘naar Golgotha’, naar de hoofdschedelplaats, is nog niet ten einde. Want het zevende chakra, het kruinchakra, verbonden met de epifyse – ook wel  pijnappelklier of pinealis genoemd – is nog niet door de lichtkracht aangeraakt.

Als ook hier de nieuwe lichtkracht in zijn natuurlijke loop, zonder forceren en zonder oefeningen, het kruinchakra weet te openen, dan is de symbolische omwandeling op aarde voltooid. Deze overwinning van de gerichtheid op het nieuwe leven wordt in het evangelie beschreven in de besproken verheerlijking op de berg.

Beide nieuwe slangen zullen zich gaan strengelen om de slangenstaf tot een drie-eenheid: de Boom des Levens is weer opgericht in de microkosmos. Dan wordt gezegd tot de drie-eenheid geest, ziel en lichaam:

Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede daden mogen zien en uw Vader-Moeder die in de hemel verblijft, verheerlijken.
(Het evangelie van de heilige twaalven 25:7)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *