Over dialoog – klassieker van filosoof en natuurkundige David Bohm nu in het Nederlands verkrijgbaar

BESTEL OVER DIALOOG

Filosoof en natuurkundige David Bohm laat in ‘Over dialoog’ zien hoe we problemen bij de wortel aan kunnen pakken door ons denkproces te veranderen. Nooit eerder was er een grotere noodzaak om goed naar elkaar te luisteren, in onze organisaties, bedrijven en maatschappij. David Bohm beschrijft in dit boek een creatieve dialoog, waarin we onze aannames en vooroordelen aan de kant kunnen zetten. Door onze overtuigingen te delen kunnen we, individueel en als samenleving, meer leren over onszelf en anderen. Deze klassieker van een van de origineelste denkers van de twintigste eeuw is nu eindelijk in het Nederlands verkrijgbaar.

VOORWOORD

Toen ik vandaag opnieuw David Bohms essay Over de dialoog las, was het alsof ik een kostbaar geschenk uitpakte. Het is niet alleen een eer, maar ook een geweldige kans om te worden gevraagd een voorwoord te schrijven voor een nieuwe editie van dit klassieke artikel van Bohm.

Ik ontmoette David en Saral Bohm halverwege het jaar 1989 aan het befaamde Massachusetts Institute of Technology, het MIT. In die tijd werden de toespraken gehouden die de basis vormen van dit boek. We spraken er samen vele uren over de dialoog. Ik vond het achteraf jammer dat die gesprekken niet werden opgenomen, want ik herinner me dat er veel was dat diepe indruk op me maakte en realiseerde me dat ik er weinig van zou kunnen onthouden. Mijn geest kon de finesses van Davids gedachten eenvoudigweg niet bevatten. Ik heb het gevoel dat veel van wat ik toen niet begreep, hier wordt gepresenteerd en hopelijk zijn velen van ons er nu beter op voorbereid.

Sinds deze ontmoeting zijn er vele pogingen gedaan om de dialoog te praktiseren in vaak heel complexe situaties, en het idee is inmiddels beter uitgewerkt. Het woord wordt tegenwoordig voor allerlei bijeenkomsten gebruikt: ‘stakeholder dialogues’ (tussen aandeelhouders), ‘cross-sector dialogues’ (tussen verschillende branches), ‘civic dialogues’ (tussen burgers). Toen Kofi Annan en de zijnen bijvoorbeeld het United Nations Global Compact oprichtten om wereldwijd een stimulans te geven aan sociale, ecologische en arbeidsrechterlijke standaarden, was ‘policy dialogue’ (tussen beleidsmakers) een van de sleutelelementen om ondernemingen, vakbonden en de samenleving aan te moedigen om ‘innovatieve oplossingen te zoeken voor complexe problemen’.

Binnen allerlei organisaties zijn er serieuze pogingen gedaan om de dialoog in de dagelijkse werkzaamheden te integreren – met eenvoudige praktijken zoals ‘check-ins’ en ‘check-outs’: het aan het begin of aan het einde van een vergadering luisteren naar de gedachten en de gevoelens van de deelnemers. Een senior vicepresident van een wereldwijd opererende multinational organiseerde jarenlang elke maand een ‘agendaloze’ vergadering die was bedoeld om te werken aan ‘collectief leiderschap’.

Uit dat alles blijkt wel dat steeds meer mensen zijn gaan inzien dat de complexe problematiek van organisaties en samenlevingen vraagt om beter luisteren en een meer open vorm van communicatie. ‘Win/verlies’-politiek en hiërarchische gezagspatronen zijn nu eenmaal niet in staat om het hoofd te bieden aan klimaatverandering, de groeiende kloof tussen arm en rijk en de dilemma’s van de genetische technologie. Dat mensen ‘met elkaar praten’ is niet genoeg om wederzijds begrip te kweken, de neuzen eenzelfde kant op te zetten en samen in actie te komen. Er moeten alternatieven worden bedacht, zowel intern als tussen de instituten onderling.

Die toegenomen belangstelling voor de dialoog is de reden waarom deze heruitgave van Bohms toespraak zo goed getimed is. Het zou kunnen leiden tot een bredere waardering voor zijn dialoogopvatting en de veranderingen die daarmee gepaard gaan. Voor Bohm was de dialoog niet alleen een manier om gesprekken vruchtbaarder te maken, hoewel hij ook dat doel niet onbelangrijk vond. De dialoog was ook niet in de eerste plaats bedoeld om mensen te laten nadenken, hoe wezenlijk hij dat ook vond. En het was zeker niet alleen een methode om de effectiviteit van ondernemingen en andere gevestigde organisaties te vergroten. Hij stond daar nogal ambivalent tegenover, omdat hij wist dat een grotere effectiviteit van dit soort organisaties de bestaande problematische patronen in de industriële ontwikkeling zou versterken.

Bohm was van mening dat de samenleving bijeengehouden wordt door een ‘onbewuste laag’. Hij hoopte dat de veranderingen die hij beoogde daaruit zouden voortvloeien. ‘Onze gedachten borrelen op uit een onbewuste laag,’ zei hij, ‘en elke fundamentele verandering in het denken is afkomstig uit deze stilzwijgende grond.’ Hij heeft herhaaldelijk onderstreept dat een goed functionerende samenleving een ‘coherent’ stilzwijgend fundament nodig heeft, en dat het daaraan in onze tijd ontbreekt. ‘Een gedeelde betekenisgeving is het cement dat de samenleving bijeenhoudt, en je zou kunnen stellen dat het cement van onze huidige maatschappij nogal broos is (…) De samenleving in het groot hanteert een flink aantal incoherente betekenissen. Deze “gedeelde betekenissen” zijn zo incoherent dat het moeilijk te zeggen is of ze eigenlijk wel zinvol zijn.’

Een goed begrip van de dialoog begon voor Bohm bij een juist verstaan van wat hij bedoelde met ‘incoherentie’. Onder maatschappijcritici, en zeker onder sociaal activisten, is dat geen gebruikelijke term. Maar voor natuurkundigen is het een bekend begrip. Een laser genereert uitzonderlijk veel energie door de coherentie van het licht, en hij heeft niet meer kracht nodig dan een ‘incoherente’ gloeilamp. Maar wat zegt die vergelijking over de sociale wereld?

In zijn toespraak spreekt Bohm vaak over de uitdaging om in de dialoog meerdere gezichtspunten toe te laten. We hebben sterk de neiging om onze eigen visie te verdedigen, het eens te zijn met mensen die onze mening delen en het oneens te zijn met mensen die een andere mening hebben. Daardoor wordt het tolereren van andere visies een lastige zaak. ‘De grootste hindernis voor een dialoog,’ zo zegt Bohm, ‘is dat mensen allerlei vooronderstellingen en meningen hebben en die gaan verdedigen.’ Onze neiging om te oordelen en ons te verdedigen is verankerd in zelfverdedigingsmechanismen in onze biologische structuur. Dat is de bron van de incoherentie.

Onze persoonlijke betekenisgeving wordt incoherent als ze een vastgeroeste mening wordt. De incoherentie neemt toe als betekenisgeving uit het verleden wordt opgelegd aan situaties uit het heden. In dat geval worden betekeniskaders van gisteren de dogma’s van vandaag, waarbij in dat proces veel van de oorspronkelijke zin en betekenis verloren gaat. Als dat in collectief verband gebeurt worden samenlevingen gedomineerd door schaduwen uit het verleden, uitgeholde mythen die worden toegepast als ongeschonden waarheden voor het heden. Dat leidt tot incoherentie op grote schaal, denkpatronen en handelingsmodellen die mensen scheiden van elkaar en van de grotere werkelijkheid waarin ze proberen te leven.

Ongecontroleerde incoherentie wordt een absurditeit. Bohm vertelt het verhaal van een psychiater die met een verward meisje werkte. Ze wilde met niemand praten, totdat ze boos naar hem uithaalde en zei dat ze hem geen antwoord gaf omdat ze hem ‘haatte’. Toen de psychiater haar vroeg hoe lang ze hem zou blijven haten, zei ze:

‘Voor altijd.’ Toen hij vroeg hoe lang ze hem ‘voor altijd zou haten’ drong de absurditeit van haar gedrag tot haar door. Ze barstte in lachen uit. Haar boosheid verdween. Maar absurde situaties die door vrijwel alle mensen van een cultuur worden gedeeld zijn veel minder makkelijk te doorzien – zoals de gedachte dat onze economie op een begrensde planeet moet blijven groeien in materiële productie (en verspilling), of het idee dat een unilaterale benadering van problemen nationale veiligheid kan bewerken in een wereld die in toenemende mate wordt bedreigd door dodelijke wapens die steeds makkelijker te krijgen zijn, of de gedachte dat het levenstempo altijd maar weer kan worden versneld – zoals een tiener zei: ‘De mensen lopen sneller en sneller naar een plek waar niemand wil zijn.’

Anders geformuleerd: Bohm besefte dat het kernprobleem is dat we niet weten hoe we samen moeten leven in een veranderende wereld. Het enige wat we weten is hoe we leven op grond van oude waarheden, wat er onvermijdelijk toe leidt dat er groepen ontstaan die hun waarheid proberen op te leggen aan anderen. We herkennen dat gemakkelijk bij anderen – zoals bij fanatieke ‘terroristen’, radicale fundamentalisten die erop gericht zijn om de moderne democratische samenleving omver te werpen. Maar verschilt hun visie werkelijk van die van ‘democratische fundamentalisten’ die hun waarheid willen opleggen als de enige ware weg?

Bohm besefte dat het verdedigen van kernovertuigingen en de daaruit voortvloeiende incoherentie kenmerkend zijn voor onze moderne wereld. Hij vertelt een leerrijke anekdote over Einstein en Bohr. Beide mannen hadden aanvankelijk een warme vriendschapsband, maar spraken later niet meer met elkaar, ‘omdat ze elkaar niets meer te zeggen hadden. Ze hadden niets gemeenschappelijk, omdat beiden ervan overtuigd waren dat ze gelijk hadden.’ Als een dergelijke verstarring kan plaatsvinden bij twee briljante mensen, wie zou daar dan immuun voor zijn?

Omgekeerd kunnen collectieve manieren van denken en handelen die coherent zijn alleen ontstaan als er een zingevingsflow ontstaat die meerdere visies toelaat, een benadering die verdedigingsmechanismen uitsluit. Maar coherentie is een levenswijze en geen toestand die vastligt, en Bohm besefte heel goed hoe moeilijk dat kon zijn.

Bovenal besefte hij als wetenschapper dat de incoherentie van de samenleving niet losstaat van het wetenschappelijk rationalisme dat in de moderne westerse wereld heilig lijkt te zijn. Hoewel de meeste wetenschappers fundamentalisme afwijzen, toont het functioneren van het wetenschappelijk establishment aan dat er weinig terechtkomt van de veelgeroemde openheid van de wetenschap. ‘In zekere zin,’ aldus Bohm, ‘is wetenschap de religie geworden van de moderne tijd. Door ons waarheid te geven heeft zij de rol overgenomen die de religie speelde.’

Dit intellectueel fundamentalisme is nauwelijks zichtbaar, omdat het diep verankerd zit in de culturele vooronderstellingen die de meeste mensen in onze moderne samenleving delen. We zouden niet weten hoe we er vraagtekens bij zouden kunnen plaatsen. Vanaf onze vroegste momenten op school leren we dat wetenschappers mensen zijn die ons vertellen ‘hoe de dingen in elkaar zitten’. Het probleem is volgens Bohm dat de hedendaagse wetenschap is ‘gebaseerd op het concept (…) [van] het vinden van een unieke waarheid. Het idee van de dialoog is vreemd aan de huidige structuur van de wetenschap, zoals dat ook het geval is bij de religie’.

Bohm wist dat de zoektocht naar een ‘unieke waarheid’ de potentie in zich draagt om mensen te verdelen in plaats van te verbinden. De Chileense bioloog Humberto Maturana formuleerde het zo: ‘Als de ene groep mensen een andere groep vertelt wat “echt” is, vragen ze in feite gehoorzaamheid. Ze beweren dat ze een bevoorrechte visie op de werkelijkheid bezitten.’

Volgens Bohm biedt de dialoog een andere weg naar de waarheid – of liever gezegd: een andere waarheidsopvatting. ‘We zullen de waarheid nooit vinden tenzij de algemene betekenis coherent is,’ zegt hij. Door het scheppen van een groot veld van coherente en gedeelde betekenissen kunnen er echt nieuwe en indringende inzichten ontstaan. Dat gebeurt veelal onverwacht. ‘Waarheid ontstaat niet uit meningen,’ zegt Bohm, ‘ze moet uit iets anders ontstaan – misschien vanuit een vrijere dynamiek van deze stilzwijgende geest.’ En hij vervolgt: ‘Betekenisgeving zal coherent moeten zijn als we de waarheid willen zien of deel willen nemen aan de waarheid.’

Die vreemde uitdrukking ‘deelnemen aan de waarheid’ wijst volgens mij op een ander fundamenteel punt van Bohm: namelijk wat het betekent om het geheel te zien. Onze reductionistische wetenschap vindt haar kracht in het isoleren van dingen en het toepassen van die kennis bij het creëren van nieuwe dingen zoals technologische uitvindingen. Maar de doeltreffendheid daarvan is gebaseerd op de mogelijkheid om de wereld op te delen in fragmenten. Reductionistische wetenschap kan niets met het geheel en staat tegenover het geheel met de handen in het haar. Ze moet dan immers opereren in een context waarin alles van alles afhankelijk is. Dat is een van de redenen waarom het in deze moderne wereld vol verbazingwekkende uitvindingen steeds moeilijker wordt om samen te leven. 

Het fundamentele probleem is volgens Bohm dat ‘het geheel te veel is. Ons denken kan het geheel onmogelijk in de greep krijgen, omdat gedachten altijd een abstractie zijn. Denken beperkt en begrenst.’ Het idee van abstractie versus de waardering voor het geheel is heel mooi verwoord door de Joodse existentialistische filosoof Martin Buber, toen hij het had over de manier waarop we het geheel van een persoon zien, namelijk door iemand te zien als ‘een Jij’: 

Stel ik mij tegenover een mens als tegenover mijn Jij, (…) dan is hij geen ding onder dingen en bestaat hij niet uit dingen.

Niet Hij of Zij is hij, begrensd door andere Hij’s of Zij’s (…) Maar hij is Jij, zonder buren, zonder voegen en vult het hemelrond. (…)

Zoals een melodie niet is samengesteld uit tonen, een vers niet uit woorden, een zuil niet uit lijnen – men moet eraan rukken en trekken om van de eenheid een veelheid te maken – zo is het ook met de mens tot wie ik Jij zeg. Ik kan de kleur van zijn haar of de kleur van zijn taal of de kleur van zijn goedheid uit hem halen, ik moet het telkens weer, maar dan is hij al niet meer Jij.

Bohm was ervan overtuigd dat het participerend denken het alternatief is om het geheel te begrijpen tegenover de abstractie. ‘Er kan een nieuw soort bewustzijn onder ons ontstaan, een participerend bewustzijn.’ In een ware dialoog ‘is elk mens deelnemer. Ieder maakt deel uit van het geheel van de betekenisgeving van een groep en neemt daar zelf ook deel aan.’ Dat is niet altijd een aangename ervaring, zo waarschuwt Bohm. De systemen waarin we tegenwoordig leven impliceren zowel pijn als schoonheid, en zowel woede als onvoorwaardelijke liefde. Als we ons losmaken van het geheel kunnen we er niet aan deelnemen – en vallen we terug in het abstraheren, het oordelen en het verdedigen. We zeggen dan: ‘Ik ben gelukkig niet zoals die persoon,’ of: ‘Die ander deugt niet, ik wel,’ of: ‘Hij ziet niet wat er aan de hand is, ik wel.’

Dit is de eerste stap bij het genereren van een dialoog en het zoeken van een onbewuste laag die meer coherentie vertoont. Om te kunnen participeren in de waarheid moeten we ons eigen deel daarin zien. Er zijn geen ‘good guys’ en ‘bad guys’ buiten ons. Als leden van de moderne samenleving maken we deel uit van de krachten die alles wat er is doen ontstaan: zowel dat wat we waarderen als dat wat we verafschuwen.

De dichteres Maya Angelou vertelde het verhaal van haar verzoening en bewustwording. Als tiener werd ze verkracht door iemand uit de familiekring. Uiteindelijk wist ze daarmee in het reine te komen door te erkennen dat de emoties en het geweld van haar verkrachter ook aanwezig waren in haarzelf. Wanneer ze dit verhaal vertelt eindigt Angelou vaak met de woorden van Publius Terentius Afer, een Afrikaan die naar het oude Rome kwam als slaaf en later vrijkwam: ‘Ik ben een mens. Niets menselijks is me vreemd.’ Dat is deelnemen aan de waarheid.

Kortom, het belangrijkste doel dat David Bohm had was een nieuwe en betere weg vinden naar een echte samenleving. In een wereld van toenemende onderlinge afhankelijkheid besefte hij dat mensen die daar niet mee kunnen omgaan, onvermijdelijk aansturen op een escalatie van conflicten. Als natuurwetenschapper had hij zijn leven gewijd aan het begrijpen van een participerend universum dat zijn betekenis in een constant proces ontvouwt. Als mens was hij ervan overtuigd dat de huidige crisis een unieke kans biedt om eenzelfde visie over te brengen naar het verstaan van de wereld van de mensen.

Je zou Bohm gemakkelijk een romantische idealist kunnen noemen – hij voorzag ‘een soort cultuur die, zover ik kan zien, nooit echt heeft bestaan (…) (behalve misschien) heel lang geleden’. Maar mijn ervaringen van de laatste vijftien jaar met de mogelijkheden en uitdagingen van de dialoog hebben me een heel ander beeld gegeven. Ik zou David Bohm juist een groot realist willen noemen. Hij besefte dat geen samenleving vóór ons ooit de globaliserende dilemma’s heeft gekend waarvoor wij staan, en dat we daar niet uitkomen als we geen radicale verandering aanbrengen in onze manier van leven en samenleven.

Peter M. Senge
SOL (Society for Organizational Learning) en MIT 13 januari 2004

INLEIDING

Deze bundel teksten van natuurkundige en filosoof David Bohm is een geschenk met een aansporing. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat dit boek je ingrijpend verandert. Het is dan ook met recht een game changer te noemen. David Bohm is een gids die hints geeft om in de huidige tegenspraak tussen maatschappelijke crises en technologische utopieën zin te geven aan alles wat gaande is en… om ‘zin’ te krijgen in het avontuur van de filosofische zoektocht naar verborgen vooronderstellingen.

Veel van de inhoud kun je direct op jezelf toepassen, al lijkt dat soms ongemakkelijk, omdat Bohms inzichten het beeld dat we van onszelf koesteren soms deels ontmaskeren.

Het boek ondergraaft eigenlijk alle zekerheden die je als gewone burger hanteert. Het maakt korte metten met de ‘normale’ manier waarop we over ons zelf denken en hoe we vervolgens de wereld waarnemen. Slimheid, abstract denken, scherp discussiëren, wetenschap, ‘peace and love’ – het wordt allemaal ontmaskerd als meer van hetzelfde: we hebben een radicale wending nodig om ons los te maken van onze hyperatomaire ik-cultuur, waarin de mens een stand-alone is, opgesloten in het denken, dat te vaak wordt gezien als je identiteit of zelfs als de ruimte van vrijheid. Het gaat hier om een omkering van waarden!

Toestand van de wereld 

Toen Bohm deze teksten schreef – eind vorige eeuw – was er nog niet zo’n explosieve groei. Er was ook nog geen iPhone. Het lijkt erop dat we met name nu dit boek goed kunnen gebruiken. De Nederlandse vertaling van dit boek komt op het juiste moment.

In de geïndustrialiseerde wereld zijn – naast de gigantische positieve ontwikkelingen in cultureel en sociaal-economisch opzicht – veel ontbindingsverschijnselen zichtbaar. Zowel in de waarneembare als in de niet-waarneembare wereld is er een stapeling van kwesties die zowel de samenleving als onszelf raken. Het gaat dan enerzijds om zaken als klimaatcrisis, nucleaire dreigingen, vervuiling, vluchtelingenstromen en politieke instabiliteit, en anderzijds om verschijnselen als depressies, burn-outs, smartphone- en drugsverslavingen en simpelweg eenzaamheid.

Of het niet al erg genoeg is beweegt er zich een tsunami door onze samenleving, die we net als bij het natuur- verschijnsel niet hebben ‘zien’ aankomen. Deze tsunami wordt veroorzaakt door de exponentiële technologische ontwikkeling. Wij konden die niet zien omdat we tot nu toe steeds de technologische ontwikkeling de baas waren. Ons menselijke verstand denkt lineair. De technologische ontwikkeling daarentegen volgt die lineaire lijn niet, maar verloopt volgens een gekromde curve die we exponentieel noemen. Die gaat stijl omhoog. Eerst was er niks aan de hand, we ontkenden de roepende in de woestijn, die ons waarschuwde voor de robots, kunstmatige intelligentie (AI), hypercontrol, big data en wat al niet. Maar ineens is die curve wel zichtbaar: dat is de tsunami, die uit de misleidende periode van rust omhoogkomt en de rechte lijn snijdt. Dat snijpunt is het singuliere punt waar we nu ons bevinden: we kunnen ons geen voorstelling meer maken van wat er morgen gaat gebeuren.

Noodzaak voor nieuwe concepten

Het lijkt erop dat alles wat we in honderden jaren hebben opgebouwd, aan denken, handelen en voelen; aan rituelen, gebruiken, wetten; maar ook aan theorieën en filosofieën over onszelf en de wereld, niet meer adequaat is. En dat dit misschien wel een blok aan ons been vormt om een nieuw verhaal te maken. We hebben kortom totaal nieuwe concepten nodig en misschien wel een grote schoonmaak van ons denksysteem. Wellicht andere beelden van onszelf en van ons denken. 

Het fenomenale van Bohm is dat hij de binnenwereld en de buitenwereld weet te verbinden in een diepgaande analyse, die ‘gezamenlijk bewust handelen’ mogelijk maakt.

Fouten in ons denksysteem

Met name in de moderne tijd is er sprake van belangrijke ontsporingen, en wel op de volgende gebieden: de wijze waarop wij denken en hoe wij denken óver denken; de wijze waarop wij over voelen denken; het model dat wij hebben van ons ‘ik’ of van het ‘zelf’; de manier waarop wij discussiëren en debatteren; de manier waarop wij abstracte kennis verheerlijken; de manier waarop wij waarnemen; de wijze waarop wij alles in hokjes en silo’s opdelen (onderwijs, overheid, bedrijven, onszelf); de wijze waarop wij geobsedeerd zijn door feiten, die wij verdedigen als de objectieve waarheid en de manier waarop wij rationeel, resultaatgericht alle problemen willen oplossen. Wij hebben niet door dat de wereld van gebouwen, wegen, scholen, bedrijven, kazernes en huizen een gevolg is van ons denken: het is een design geproduceerd door ons denken.  Maar die buitenwereld bepaalt omgekeerd ook hoe wij zelf denken.

Het belangrijkste drama is dat we niet echt denken, maar gedachtes herhalen (gedacht is de verleden tijd van denken); eigenlijk draaien we steeds in dezelfde cirkels rond.

Het komt doordat onze prefrontale neo-cortex, waarin ons reflectieve denken plaatsvindt, direct verbonden is met de evolutionair oudste hersendelen (zoals de amygdala) in de hersenstam. In deze hersenstam spelen overlevingsinstincten, vlucht- of vechtreflexen, driften en emoties nog steeds de hoofdrol.

Ons reptielenbrein kunnen we niet zomaar afleggen. Denken is gekoppeld aan onze ontelbare neurale circuits, die bestaan uit draden of zenuwen verbonden door synapsen. Het betekent dat een circuit dopamine of serotonine af kan scheiden, als er weer een gedachte is herhaald door dat circuit. Dat geeft een lekker gevoel. Zo kun je begrijpen dat het steeds maar herhalen van de gedachte dat asielzoekers crimineel zijn, een steeds sterker circuit maakt dat steeds meer dopamine af kan scheiden (‘when you fire you wire’).

Deze gedachte is dus niet puur mentaal, maar direct gekoppeld aan ons neuraal netwerk met hormonen en endorfines, kortom aan ons lichaam. Het misleidende is dat deze gedachte als een virus werkt, het zegt eigenlijk ‘denk mij’.

Je krijgt dan ook de indruk dat je aan het denken bent. Hier ontpopt zich ‘de eerste systeemfout’in ons denken. Bovenstaand effect is nog sterker bij verborgen vooronderstellingen of zogenaamd noodzakelijke gedachten, die vaak collectief van aard zijn.

Wanneer iemand zegt ‘Altijd ga ik ervan uit dat…’, dan is er sprake van een verslavende noodzakelijkheid. Overigens weten collega’s vaak al wat persoon X of Y gaat zeggen over dit of dat thema; maar de persoon zelf denkt dat hij of zij echt denkt.

De noodzakelijke gedachten (zoals ‘Iedereen doet alles uit eigen belang’) zijn zo sterk dat ons neuro-endorfinesysteem op elke bedreiging van deze noodzakelijkheden reageert met een defensieve reflex.

Het gaat zo ver, stelt Bohm, dat we elke aanwijzing dat de gedachte fout zou kunnen zijn a priori vermijden. De vooronderstellingen zijn afkomstig van de ouderlijke opvoeding, de school, kerk en – tegenwoordig steeds meer – media en zogenaamde sociale media. Maar ook in de gebouwen en de omgeving die ons omringen zitten vooronderstellingen. Ons denken zit niet opgesloten in ons hoofd, het denken ontwerpt de buitenwereld en de buitenwereld stuurt het denken onbewust.

Veel van wat nu via sociale media binnenkomt is dan ook explosief viraal materiaal, dat het denken en voelen grondig door elkaar schudt. Inmiddels beginnen de makers van deze platforms te erkennen dat er sprake is van een ernstige manipulatie van de geest: een ‘hacking of the mind’. In feite verklaart het model van Bohm waarom Facebook en Instagram zoveel invloed hebben: binnen- en buitenwereld staan in een open verbinding met elkaar, en ons denken en voelen zijn vatbaar voor dopamineverslaving.

Een belangrijke bron van vooronderstellingen zijn je eigen ervaringen. Veel vooronderstellingen zijn op een pijnlijke manier ontstaan, vaak in je vroegste jeugd, toen je kwetsbaar was. Een moeder vertelde me in een socratische-dialoogtraining dat haar dochter op de uitreiking van haar masterdiploma Engels pas besefte dat haar hele leven, vanaf haar achtste jaar, beheerst was door de vooronderstelling dat ze dom was. De onderwijzer had tegen haar gezegd: ‘Je bent een lantaarnpaal zonder licht.’ Al die tijd had ze geen zelfvertrouwen gehad, en haar handelen was erop gericht om te bewijzen niet dom te zijn.

Veel vooronderstellingen zijn verborgen aanwezig; het is te pijnlijk om te beseffen dat ze er zijn, maar ze doen ondertussen wel hun werk in ons denken. Er is vaak sprake van een paradox, aldus Bohm. Hij vertelt het verhaal van een man die vatbaar is voor vleierij. Hij weet dat en wil dat bestrijden. De vooronderstelling die hieraan ten grondslag ligt is echter ontstaan door een zeer vernederende, pijnlijke ervaring als kind. Het denken probeert die pijn te vermijden, maar tegelijkertijd zorgt de vleierij voor veel dopamine-afscheiding. Het prettige gevoel dat dopamine oplevert, suggereert dat de man zich goed voelt. Hij kan dus niet bij de oorzaak komen van zijn ongewenste of incoherente verhouding tot de wereld. Bohm stelt in dit verband dat gevoelens en gedachtes beide op dezelfde wijze ontstaan en dat negatieve vooronderstellingen (‘Ik ben dom’, ‘Ik heb geen zelfvertrouwen’) even verslavend kunnen zijn als positieve gedachten!

Een ‘tweede systeemfout’ die Bohm heeft benoemd is dat het denken verbergt wat het doet: het toont de wereld als een feitelijk gegeven, het doet alsof het een passief medium is dat doorgeeft wat er ‘buiten’ gaande is. Het veroorzaakt de hele wereld en zegt vervolgens: ‘Dit heb ik niet gedaan.’ Het denken dat problemen in de wereld signaleert, negeert dat die problemen zijn veroorzaakt door juist dat denken. De wereld is een gevolg van ons denken. Dat we naties hebben is een gevolg van de collectieve noodzakelijkheid die we aan dat begrip toekennen. We kunnen blij- ven debatteren, maar we kunnen ook aandachtig kijken naar wat het denken hier aanricht, en wat daar de grond voor is.

We maken ook steeds abstracties in het denken en nemen dan die abstracties voor waar aan. De plattegrond van Rotterdam is een abstractie (letterlijk: af-treksel) van de echte stad. Stel dat we die plattegrond voor waar aannemen – dat zou een gekke boel worden. Nu, dat doen we eigenlijk continu met onze abstracties (modellen) die het denken ons voorhoudt… De filosoof John Dewey noemde deze systeemfout ‘de intellectuele drogreden’. Hoe abstracter iets is hoe meer het ‘waar’ wordt gevonden. Vandaar dat wetenschap de religie van nu is.

Een ‘derde systeemfout’, die verband houdt met de vorige, is ons totale onvermogen om te luisteren. We zijn zo verslaafd aan het herhalen van onze eigen gedachtes en van onze ‘gevoeldes’ (verleden tijd van voelen), dat we alleen datgene binnenlaten dat past bij onze gedachtes en gevoeldes.

De misleiding is zo sterk dat mensen die beweren dat ze hebben geluisterd, vervolgens niet kunnen weergeven wat iemand heeft gezegd. We luisteren niet omdat we soms onbewuste vooronderstellingen (verbonden met kwetsbaarheid of angst) verdedigen via de defensieve reflex: we zijn op onze hoede. Luisteren is echt een kunst en maakt geheel nieuwe interacties mogelijk. Aandacht – een cruciaal begrip voor Bohm – is een katalysator in dit proces.

De ‘vierde systeemfout’ is de idee van het geïsoleerde ik (de ‘stand-alone’). Dit ik redeneert zo: Onze gedachtes en gevoelens moeten veroorzaakt zijn door mij als denker, en al mijn gevoeldes en gedachtes zijn dus van mij.

Het externe en collectieve karakter wordt in deze gedachtegang volledig ontkend. De idee van het ‘ik-denk’ is een van de sterkste noodzakelijkheden in onze cultuur, een idee die zich ook manifesteert in de wijze waarop we steeds worden aangesproken op ons unieke, ‘vrije’ ik.

In groepen leidt dit volgens Bohm tot discussies, wat eigenlijk vooral neerkomt op elkaar slagen uitdelen (de woorden ‘discussie’ en ‘percussie’ hebben dezelfde stam).

In debatten sluiten we ons op in een misleidend zelfbeeld. Het evolutionair oudste deel van het brein domineert. Hartslag, bloeddruk, adrenaline – alles is betrokken in het debat.

Wat te doen? Het boek geeft een heldere reactie op de door Bohm geschetste hiaten in ons denksysteem. We moeten beseffen dat ons denksysteem, gekoppeld aan het schrift, ontwikkeld is in de laatste drieduizend jaar. Daarvoor was er uitsluitend de orale methode van communicatie, beoefend in de dialoog. Dit gebeurde altijd in collectieve verbanden. Tribale gemeenschappen kenden vooral het ritueel van de gemeenschappelijke aandacht. Het schrift maakt geïsoleerde reflectie mogelijk (een ontwikkeling die nog wordt versterkt door internet en mail). De dialoog komt los van het denken. 

In dit boek laat Bohm zien dat we altijd in dialoog moeten gaan om ons denken goed te doorgronden. Je kunt met jezelf in dialoog gaan door je eigen gedachten en gevoelens te observeren als impulsen die van buitenaf komen. Je kunt een opkomende negatieve gedachte, bijvoorbeeld over je partner of je collega, ‘opschorten’. Je vraagt je dan af: Wil ik dit denken? Deze ‘zelf-waarneming’ noemt Bohm proprioceptie. We zijn gewend om ons lichaam regelmatig te bekijken (bijvoorbeeld elke ochtend in de spiegel); dit zou je ook met je denken en voelen moeten doen. Door proprioceptie kun je dieper doordringen in je eigen vooronderstellingen. Je geest komt op deze manier in zijn creatieve modus.

In groepen kunnen we een dialoog voeren die discussies en debatten overstijgt. De kunst van het luisteren staat dan centraal. In onze samenleving is moderatie nodig om mensen weg te leiden van hun ik-gerichtheid en van het resultaatgerichte denken naar die houding van luisteren. Wanneer er verschillende standpunten worden ingenomen, dan gaat het niet in de eerste plaats om het uitdiscussiëren en uitwisselen van argumenten, maar vooral om verdieping: van beide standpunten worden de vooronderstellingen opgedolven. De hele groep kijkt via ‘gezamenlijke geconcentreerde aandacht’ naar de onderliggende gedachten. De gezamenlijke proprioceptie die dan ontstaat, creëert een gemeenschapsgevoel.

In de dialooggroep ontstaat door de gemeenschappelijke aandacht een ‘participerend bewustzijn’, waarin en waaraan allen deelnemen. Dit participerend bewustzijn is veel ruimer dan het abstracte denken, omdat het vanuit stilzwijgende vooronderstellingen veel diepere inzichten kan voortbrengen.

Dit lukt niet in je eentje, want de meeste noodzakelijke vooronderstellingen zijn collectief van aard. Maar in een minicultuur – wat een groep is – kunnen we de storende vooronderstellingen ontmaskeren en gezamenlijk nieuwe betekenissen voortbrengen. Doordat je echt luistert ga je andere gedachten opnemen en kom je los van je eigen systeem.

Het participerend bewustzijn helpt ons dus om in ons normale denken concrete technische vraagstukken op te lossen. Daarnaast is het participerend bewustzijn een fantastisch antwoord op de beschreven ontbindingsverschijnselen van onze tijd. Denkend vanuit dit bewustzijn zijn we in staat volstrekt nieuwe werkelijkheden te ontwerpen.

Het participatiebewustzijn is een natuurlijke activiteit en kan fragmentaties voortkomend uit het ‘stand alone’-denken, helen. Het maakt het mogelijk dat we de exponentiële technologische groei met totaal nieuwe concepten beheersen, omdat onze intelligentie – die ontstaat in ons gezamenlijk participatiebewustzijn – niet meer gebonden is aan de oude ballast. De gezamenlijke aandacht valt niet samen met rationeel denken, maar is per se ook lichamelijk. Daardoor kan kunstmatige intelligentie (AI) ons hierbij hoogstens ondersteunen.

De uitdaging

Ik noemde Bohms bundel (in navolging van Peter Senge) een geschenk en een aansporing. Wat het laatste betreft: het is de uitdaging om tribale contexten te scheppen waarbinnen we nieuwe betekenis kunnen geven aan ons bestaan, betekenis die rechtdoet aan de authentieke verlangens van mensen. De betekenis zit al in de gezamenlijke, aandachtige concentratie op onze stilzwijgende grond.

Het geniale is dat je hier morgen mee kunt beginnen: je krijgt een nieuw zelf binnen een significant wij. Maar dat gaat niet van de ene dag op de andere. Het is aan te raden om dit boek een tijd te koesteren, het komt pas tot zijn recht als je de inhoud rustig tot je door laat dringen.

De uitdaging is om alle producten die voortgebracht zijn door ons ‘stand alone’-denken en -voelen, kritisch te herwaarderen en zonodig te vervangen door creaties van het participerend bewustzijn. Dat geldt voor individuen, voor bedrijven, maar ook bij grote politieke conflicten.

Humberto Schwab
Sant Climent Sescebes, Spanje

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord bij de Routledge Classics-editie – Peter M. Senge

Inleiding – Humberto Schwab

  1. Over communicatie
  2. Over de dialoog
  3. De aard van collectief denken
  4. Het probleem en de paradox
  5. De waarnemer en het waargenomene
  6. Opschorting, het lichaam en proprioceptie
  7. Participerend denken en het onbegrensde

Bibliografie
Register
Dankwoord

BESTEL OVER DIALOOG

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN MET DIALOGEN EN OVER DIALOOG