De orde van de tempel – Antoine Gadal over de tempelieren en de tempel van de geest

BESTEL PLAATSEN WAAR DE GEEST WAAIT

Veel aantekeningen van Antoine Gadal hebben betrekking op het kruis van de grootmeester, dat hij aantrof in een kleine grot in de heilige berg van Ussat, iets boven de grot die Acacia wordt genoemd. Eerder hebben we kunnen zien welk belang hij daaraan hechtte, door het symbool te verbinden met de beweging van het Rozenkruis, die van Nederland uitging. Hij verduidelijkte bovendien dat het symbool ook in direct verband stond met de orde van de tempelieren, die de bewakers waren van een Aquitaans christendom, dat vanaf de negende eeuw in de Sabarthez wortel geschoten had (denk aan het kerkje van de maagd van Sabart, la chapelle Notre-Dame de Sabart, en de burcht in Vicdessos waarvan nu nog slechts de ruïne rest), maar die ook in fysiek opzicht de vallei van de Ariège beschermden. Hieronder volgt de tekst van de pagina’s 252 en 253 uit het boek Plaatsen waar de geest waait door Peter Huijs en Mirjam Duivenvoorden.

In Gadals denken was het vanzelfsprekend dat de tempelieren die bewaking op zich namen, omdat die voortvloeide uit de opdracht die zij zich bij de oprichting van hun Orde hadden gesteld: de bescherming van de pelgrims op weg naar het heilige graf van de heiland in Jeruzalem. Ook naar de Sabarthez moesten de pelgrims – en de bonshommes – kunnen rekenen op een veilige reis en een ongestoord verblijf in dat immense stelsel van grotten in de heilige berg van Ussat en in de gigantische kathedraal van Lombrives, die met hun diverse betekenissen de wegen naar het innerlijke koninkrijk weergaven.

Gadal bewaarde een notitie over een lijn van grootmeesters van de tempelieren, een doorlopende lijst met namen die allereerst teruggaat op Hugo van Payns, in 1129 de eerste grootmeester van de Orde. Hij baseert zich hierbij op het Lévitikon, een boek dat in 1831 werd uitgegeven door de Fransman B.R. Fabré-Palaprat. Dit is een geschrift dat een gehele genealogie vermeldt van grootmeesters van hun gnostiek-christelijke beweging, die teruggaat tot de tijd van het allereerste christendom en naast de Grieks-Orthodoxe kerk en de kerk van Rome een derde kerk vormt. Tevens publiceerde Fabré-Palaprat de tekst van het zogenoemde Lévitikon-evangelie, dat veel gelijkenis vertoont met het evangelie van Johannes.

Wat Gadal aantrof in het Lévitikon onderstreepte zijn gedachte dat de oorsprong van de Orde van de Tempel van de Geest ver voor het begin van de twaalfde eeuw moest liggen. Volgens de doorlopende lijst met namen van grootmeesters werd Johannes in het jaar 33 de eerste grootmeester van die ‘derde kerk’, nóg een reden waarom zij ook de Kerk van Johannes werd genoemd. Deze Johannes leidde de kerk 66 jaar lang en werd in het jaar 99 opgevolgd door ‘broeder’ Zebedeus. De laatst bekende oosterse grootmeester in Palestina was broeder Theocletus, die zijn ambt en zetel in 1099 aanvaardde.

Toen de groep edelen uit het Westen in de eerste jaren na de inname van de hoofdstad van Palestina daar Theocletus, de grootmeester van de Kerk van Johannes ontmoette, was dat een vonk, die in 1118 resulteerde in de formele oprichting van de Orde van de Tempelieren. Het was het begin van een beweging die een grote invloed zou krijgen op drie gebieden: sociaal, door de verantwoording die ze namen voor de zorg voor zieken en zwakkeren (de Johannieters of hospitaalridders), militair, verzekerd door de deelname van telgen uit de belangrijkste huizen en families die tempelier werden, en financieel, doordat zij het eerste bancaire systeem in Europa zouden introduceren. Al vanaf de negende eeuw hadden de goedgezinde ridders uit het Westen ongeorganiseerd en met wisselend succes de pelgrims bescherming trachten te bieden, zodat ze veilig Jeruzalem konden bereiken.

Maar nu, onder leiding van Hugo van Payns en Godfried van Sint-Omaars kwam het tot de formalisering van een taak die allang werd uitgevoerd, en die de afzonderlijke beschermende groepen onder één vaandel bijeenbracht.

De kruistochten zijn in de Europese geschiedenis een ongekend groot en fascinerend fenomeen geweest. Rijp en groen nam eraan deel, arm en rijk, ridders en schurken, edelvrouwen en prostituees. Achter de legers trok een leger van uitschot mee, kermisklanten, tovenaars en kaartlezers, gaarkeukens en paardensmeden, pannengieters en wat dies meer zij. Velen die onder de schuld van hun zonden gebukt gingen, al dan niet aangepraat, was vergiffenis en schuldverlichting beloofd als ze deelnamen. In het open en ontvlambare gemoed van de middeleeuwer werkte dat ook zo. Voor de ridders, telgen uit de voornaamste adellijke families van Europa, was het een dure plicht die zij niet konden weigeren, velen wilden dat ook niet; de zucht naar avontuur was een ridder ingeschapen. Er waren er ook die diep religieus bewogen waren. Voor hen was er de mogelijkheid iets van het mysterie van het kruis te kunnen ervaren, juist daar waar Jezus had rondgelopen.

Wij kunnen ons nu nog maar moeilijk een voorstelling maken van de geestesgesteldheid van deze ridders van het Westen – waaronder de graven van Foix en van Toulouse – toen zij in Jeruzalem de heilige stad, de stenen, de Via Dolorosa en de Kruisberg van hun heer lijfelijk konden aanraken. Stellen we ons het eens voor. Aan de ene kant duizenden die onderweg stierven door ontberingen en hinderlagen; dan duizenden slachtoffers die bij de drieste en bloeddorstige inname van de stad waren vermoord. Anderzijds de heilige vervoering die zij ondergingen, oog in oog komen te staan met de heilige plaatsen waar hun heiland had vertoefd en geleefd. Hun hele innerlijk werd erdoor omvergeworpen.

In haar dagboekbladen schreef de Byzantijnse keizersdochter Anna Komnena:  ‘Het Keltische ras is hoogmoedig en wuift alle raad weg. Militaire discipline is hen vreemd en de kunst van de strategie beheersen ze niet, maar laait eenmaal de vlam van de woede in hen op dan zijn zij onoverwinnelijk.’ En Eugen Roll, de antroposofische schrijver die deze passage citeert, voegt eraan toe ‘dat het hoofd [van de ridders] door een zachte aura omstraald scheen, naar boven toe open, wat nog aan de tijd van de aandoeningsziel herinnerde. Dit was ‘het orgaan’ dat alles wat toen ‘legendarisch’ scheen voor waar aannam. En omdat het gevoel voor de harde consequenties van hun daden in het bewustzijn van deze mensen totaal ontbrak, leidden anderzijds de hevige schrik en de grote verliezen die zij leden niet tot grote [traumatische] gevolgen.’

Een kleine groep van de ridders was ontvankelijk voor wat Christus’ zending werkelijk inhield. Met name zij konden nog iets ondergaan van de atmosfeer, waarin de wereldwende van duizend jaar eerder had plaatsgevonden. Het landschap in Palestina was nauwelijks veranderd in die eerste duizend jaar; de plaatsen waar Jezus was geweest waren nog steeds herkenbaar. Zij ademden de geestelijke atmosfeer, ver buiten en boven het wapengekletter en aards geweld. Zij vonden het verborgen onderricht van de lokale religieuze orden en scholen. Zij herkenden de diepte van de werkelijke ritus van het avondmaal, die daar duizend jaar lang gecelebreerd was, en nu aan hen werd overgedragen. En de subtiele waarden ervan namen zij mee terug, ook naar Occitanië.

De verbinding die zij voelden met de oorsprong van hun geloof was enorm. Zij zwoeren de heilige eed niet alleen de uiterlijke wegen naar het heilige graf te bewaken, maar ook om hen te beschermen die de ene weg naar de Geest open hielden! Die weg kende thuis, in Occitanië een belangrijke wegwijzer, een baken dat uitstraalde over de samenleving: de Graalburcht van Montréal-de-Sos. Daarom smeedden zij zich aaneen, en zwoeren ook die plek met hun leven te beschermen.

En zo was voor de in Jeruzalem eeuwenlang bewaarde geestelijke lijn van overdracht de ontmoeting met de ridders van het Westen opnieuw een dergelijk moment: belangrijke geestelijke lijnen vonden een nieuwe weg naar Europa. Het was een voortzetting van hun arbeid naar het Westen. En voor het Westen was het een van de impulsen, waardoor bijvoorbeeld in Occitanië de innerlijke leringen van het mysterie van Christus konden worden bewaard. In de radiaties daarvan kon de kathaarse kerk van de liefde opbloeien. Dit was wat Antoine Gadal voor zich zag en overdroeg tijdens zijn verblijf op Renova:

‘In de beide dalen van de Ariège en de Sos, in de immense ruimte van het inwendige van de heilige berg van Ussat, leefden de gnostieke broederschappen die ons zo dierbaar zijn: de rozenkruisers, de katharen en de tempelieren. Welk een geluk heerste er in die ideale gemeenschap! Occitanië, dat is Zuid-Frankrijk, werd daardoor volkomen natuurlijk tot een rijk van liefde.

De ridders van de Tempel beschermden de katharen en ik verzeker u dat de inwijding bij de tempelieren dezelfde was als die van de katharen. In het begin van de twaalfde eeuw kwam de
vallei van de Sos, in 1149 de vallei van Arnave en in 1181 de vallei van Saurat onder hun gezag en zij omringden de vallei van de Sabarthez als een beschermende mantel. Elk van de drie gemeenschappen had een eigen weg, een eigen opdracht, maar zij hadden één grootmeester, om de eenheid van de Driebond van het Licht te bewaren en veilig te stellen. God is liefde – dat was een van hun geliefde uitspraken. En dit rijk van liefde leidde naar de Universele Broederschap!’

BESTEL PLAATSEN WAAR DE GEEST WAAIT