Inleiding van het boek ‘Mysteriën en uitdagingen van geboorte, leven en dood’ door Daniël van Egmond

 

Ik geloof aan geen dood: sterf ik alle stonden
dan heb ik telkens weer een beter leven gevonden
        
Angelus Silesius, Cherubinischer Wandermann I, 30a

Leven en dood zijn mysteriën. Wat betekent dit? Een mysterie is niet een probleem of puzzel waar we een oplossing voor kunnen vinden. Een mysterie heeft een onpeilbare diepte en iedere keer dat we ons er mee bezig houden, neemt onze verwondering toe. Maar, zoals de klassieke wijsgeren ons leerden, verwondering leidt tot wijsheid, terwijl het oplossen van een probleem slechts een  toename van onze kennis betekent. Dus als we ons met de Sophia, de Wijsheid, willen verbinden, als we ernaar verlangen door haar bemind te worden (dat is de letterlijke betekenis van het woord filosofie), moeten we ons wel met mysteriën bezig houden.

Waarom zouden we de Wijsheid willen beminnen en door haar bemind willen worden? Ja, wie is zij eigenlijk? Jacob Boehme  vertelt ons dat zij ons de poort toont die toegang geeft tot het Paradijs (Drey Principien xx, 40). Alleen via deze poort kunnen we op de juiste wijze de ‘wereld van het licht’ en het eeuwige leven binnengaan. Verschaffen we ons op eigen kracht toegang tot die wereld, dan blijkt zij niet langer een paradijs te zijn. De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis verhaalt hoe op de tweede dag van Christiaans avontuur velen die niet uitgenodigd waren voor de bruiloft van bruid en bruidegom, over de muren klimmen om toch in het kasteel te komen. Zij worden uiteindelijk allemaal veroordeeld. Dit verwijst naar de bekende Bijbeltekst:

‘Wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover.’ (Johannes 10: 1)

De Wijsheid moet ons helpen om deze deur te vinden. Forceren wij die met onze eigen handen of op basis van onze eigen kennis, dan zullen wij verstrikt raken in onze eigen denkbeelden, theorieën en illusies. Al onze kennis over dood en leven kan slechts voorlopig van aard zijn. Zij bestaat uit aardse begrippen die hoogstens een zeer povere schaduw zijn van de volheid van de symbolische werkelijkheid van de hemelen.

De mysteriën van leven en dood kunnen niet in gewone taal en met behulp van het gewone denkvermogen doorgrond worden. Proberen we dit toch, dan verengen we ze tot gewone theorieën die niet in staat zijn om ons leven richting te geven. In plaats van dat zij ons toegang verschaffen tot de werkelijkheid van de Wijsheid, sluiten ze ons voor haar af, omdat we immers menen de oplossing van het mysterie reeds gevonden te hebben.

De Wijsheid wijst ons naar boven, maar niet in ruimtelijke zin want zij heeft niets met de chronologische tijd en de fysische ruimte te maken, niets met evolutie of met reizen naar verre sterrenstelsels. Zij wijst naar een andere werkelijkheid en een ander niveau van bewustzijn dan die van ons dagelijks leven.

Die werkelijkheid kan daarom niet in gewone begrippen en taal worden gevangen, maar openbaart zich aan ons door middel van oersymbolen die we in alle culturen en authentieke spirituele tradities vinden. Elk van die symbolen is een toegang tot de hemelse werkelijkheid, mits we geleerd hebben ze in ons leven toe te laten.

Daarvoor hebben we de Wijsheid nodig. Alleen als zij ons bemint en wij haar beminnen, leren we symbolen te bevatten in plaats van te begrijpen. Ons begripsvermogen ‘grijpt’ door middel van begrippen een uiterst selectief deel van de werkelijkheid. Ons bevattingsvermogen – dat door de klassieke wijsbegeerte het ‘passieve intellect’ werd genoemd – ontvangt en omvat daarentegen de symbolische werkelijkheid en weerspiegelt haar naar ons waakbewustzijn. Doch dan moet ons bevattingsvermogen eerst door de Wijsheid wakker gekust worden. Dat vermogen heeft immers met liefde, ontvankelijkheid en het hart te maken.

De koortsachtige activiteiten van ons gewone denkvermogen en van onze psyche of persoonlijkheid moeten eerst tot rust zijn gekomen voordat het passieve intellect open gaat om de hemelse, symbolische werkelijkheid te omvatten. Dan zullen de mysteriën zich meer en meer aan ons onthullen – een proces waar nimmer een einde aan komt.

Wij zijn zo vergroeid met onze psyche en ons denkvermogen dat we vergeten zijn dat wij, alleen als zij tot rust zijn gekomen, ontvankelijk genoeg zijn om de Wijsheid te ontvangen. Als we proberen om van binnen stil te worden, merken we al snel hoe gedachten, gevoelens, wilsimpulsen, fantasieën, emoties, enz. komen en gaan, of we dit nu willen of niet. Ja, voor een enkel moment slagen we er soms in om een schijnbare rust te creëren, waarna alles weer in volle hevigheid door ons heen golft.

Nu blijkt dat we niet zomaar bij machte zijn om deze stroom te stoppen, moeten we wel constateren dat we gewoonlijk niet zelf de bron zijn van al die gedachten en gevoelens. Dat is een uiterst belangrijke constatering, omdat daardoor ogenblikkelijk de vraag opkomt wie we dan wel zijn, als wij niet degene zijn die gewoonlijk al deze gedachten, fantasieën, wilsimpulsen en dergelijke produceren.

Op velerlei wijzen vertellen de meeste spirituele tradities ons dat we een onderscheid moeten maken tussen de ‘uiterlijke mens’ en de ‘innerlijke mens’. In vrijwel alle middeleeuwse teksten wordt de uiterlijke mens ‘lichaam’ genoemd, met als gevolg dat wij tegenwoordig menen dat zij daarmee uitsluitend ons biologische lichaam bedoelen. Op een enkele uitzondering na is dit echter niet het geval; zij bedoelen daarmee dat wat wij tegenwoordig de ‘persoonlijkheid’ noemen, dus de ondeelbare eenheid van psychische, mentale en biologische processen. De ‘innerlijke mens’ noemden zij vaak ‘ziel’ of ‘psyche’, maar onder invloed van de psychologie van Freud en Jung bedoelen we met deze woorden nu meestal de uiterlijke mens. Zo moeilijk is het om oude teksten goed te begrijpen!

De uiterlijke mens is onafscheidelijk verbonden met de aardse wereld, die niet alleen biologische en fysische, maar ook psychische en mentale processen omvat. Deze uiterlijke mens wordt beheerst door de ‘prins van de wereld’ en vrijwel al onze gedachten, gevoelens, verlangens vinden hun oorsprong in diens wereld. Omdat wij ons voortdurend vereenzelvigen met al deze processen, menen wij dat wij onze gedachten, gevoelens en verlangens zijn. Dus als we stil zouden worden, als we zouden ophouden ons met ons gewone denken en onze gewone fantasieën te identificeren, zouden we het gevoel hebben dat we sterven.

De innerlijke mens behoort bij de hemel en leeft daarom voortdurend in een symbolische werkelijkheid, die soms, heel soms, tot ons bewustzijn doordringt, bijvoorbeeld via dromen of in bepaalde vormen van contemplatie. In beide gevallen is de uiterlijke mens min of meer tot rust gekomen: of hij slaapt, of hij heeft geleerd om zich niet langer met alle zintuiglijke, psychische en mentale processen te vereenzelvigen. Dan is het passieve intellect in staat om de symbolische werkelijkheid die hij omvat aan de uiterlijke mens door te geven. We kunnen dit ook anders formuleren: dan zijn we door de poort van de slaap of door de poort van de contemplatie heen gegaan en mochten we even in het paradijs zijn.

Deze hemelse werkelijkheid kan echter alleen tot het bewustzijn van de uiterlijke mens doordringen als hij geleerd heeft om met symbolen te leven, om met mysteriën te leven en hij dus niet langer probeert ze te begrijpen met zijn gewone denkvermogen. Want de begrippen die we ontwikkeld hebben, zijn niet in staat om uitdrukking te geven aan de mysteriën die door deze symbolen tegenwoordig worden gesteld.

Tussen de innerlijke en de uiterlijke mens bestaat er een ‘afgrond’ – tenminste, vanuit de uiterlijke mens gezien. De innerlijke mens omvat de uiterlijke mens, maar het omgekeerde is niet het geval. Als onze uiterlijke mens sterft, gaan we daarom nergens naar toe, want de innerlijke mens bevindt zich reeds in de hemelen; het is voor hem echter onmogelijk geworden om zich nog via de uiterlijke mens op aarde uit te drukken.

Hieruit volgt dat we bij iedere overgang van de uiterlijke naar de innerlijke mens (en van deze wereld naar het paradijs) een deur door moeten. Voor de uiterlijke mens is dat een vorm van sterven, iedere keer opnieuw. Vandaar dat Angelus Silesius ons oproept om ‘iedere stonde’ te sterven om steeds opnieuw het hemels leven te ontvangen.

Niets is moeilijker dan deze kunst van het dagelijks sterven. Net als alle andere kunsten vraagt dit een voortdurende oefening onder de begeleiding van iemand die al enige stappen in deze richting heeft gezet. Alle authentieke religieuze tradities benadrukken dat het er niet om gaat om uit de wereld weg te vluchten en zo snel mogelijk de hemel te bestormen want dan zijn we als de dieven en rovers van het Johannes Evangelie.

Het gaat erom deurwachter te worden, middelaar te zijn tussen hemel en aarde en dus ook tussen de innerlijke en de uiterlijke mens. Alleen zo kunnen we iedere stonde sterven en opnieuw geboren worden. Alleen dan zijn we in staat de mysteriën te omvatten en tegenwoordig te stellen in deze wereld, en anderen te helpen om de juiste poort te vinden.

Dan moeten we echter wel filosofen worden en ons door de Wijsheid laten beminnen, en bereid zijn de moeizame en gevaarlijke reis te ondernemen die Christiaan Rozenkruis in ‘zeven dagen’ aflegde. Dit is niet een reis die als doel heeft bewoner van de hemelen te worden, maar één die ons voorbereidt op de belangrijke taak om deurwachter te zijn. Van welke deur of poort? Van de poort der mysteriën.

Daniël van Egmond
Bilthoven, juni 2017

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *