Het schrijven, distribueren en publiceren van de manifesten van de rozenkruisers en de vele gedrukte reacties daarop in de zeventiende eeuw

Johann Valentin Andreae (1586-1654) was in 1608 in de Kring van Tübingen van Tobias Hess opgenomen. Andreae, wiens grootvader Jacob Andreae een naaste medewerker van Luther was, en zijn vader een Lutheraans geestelijke, treedt aanvankelijk in diens sporen, maar moet na een schandaal waarin hij is verwikkeld zijn studie afbreken. Na omzwervingen door Frankrijk, Zwitserland en Italië maakt hij zijn studie theologie af. Zijn kandidatuur voor een kerkelijke functie wordt evenwel afgewezen. 

Andreae wordt in 1607 huisleraar in Lauingen, waar hij in datzelfde jaar de Chymische Hochzeit schrijft. Als in de daarop volgende jaren het ideaalbeeld van de Rozenkruisers Broederschap vaste vormen begint aan te nemen, schrijft Andreae, geïnspireerd en gestimuleerd door zijn Tübinger vrienden, in 1608 de Fama en in 1609 de Confessio. Vervolgens beginnen vanaf 1610 de manifesten in handschrift te circuleren onder sympathisanten. Een van de eersten die een kopie van de Fama Fraternitatis in handen krijgt, is Adam Haslmayr, musicus, filosoof, alchemist en theosoof uit Tirol. Haslmayer geldt als de eerste die in een gedrukte tekst de naam rozenkruiser gebruikt (tot zijn ongeluk, zoals spoedig zou blijken). In het daarop volgende jaar verspreidt de zwervende alchemist Benedictus Figilus afschriften van de Fama in Augsburg, Straatsburg en Kassel. Dat de inspiratoren en schrijver van de manifesten de controle over de verspreiding beginnen te verliezen, blijkt als in 1612 Carl Widemann op verzoek van prins August von Anhalt bij Tobias Hess een exemplaar van de Confessio vraagt. 

Wanneer in 1613 en 1614 andere gedrukte reacties en antwoorden op de oproep van de rozenkruisers verschijnen (onder andere in Praag), zien Hess en Andreae zich geconfronteerd met een snel groeiende fuore. Voor Tobias Hess komt die bijval te laat: hij sterft in november 1614. 

De eerste editie van de Fama Fraternitatis, die buiten medeweten of toestemming van de schrijver om in maart 1614 door Wilhelm Wessel te Kassel wordt gedrukt, veroorzaakt een algehele beroering en euforie. Als dan in 1615 en 1616 de Confessio Fraternitatis en de Chymische Hochzeit het licht zien, is het hek van de dam. De Europese boekenmarkt wordt weldra overstroomd door geschriften pro en contra de rozenkruisers. De overstelpende reacties, minstens 400 alleen al de eerste 10 jaar na de verspreiding, zouden de gemoederen nog lange tijd bezig houden. […]

De drukken van de manifesten uit de jaren 1614 tot en met 1616 raken zeer snel verspreid door Duitsland, en eenmaal vertaald, door Europa. De eerste vertaling van zowel de Fama als de Confessio, was in het Nederlands in 1615. In 1652 volgde de eerste gedrukte Engelse vertaling van de manifesten, maar al in 1620 circuleerden handschriften in Engeland en Schotland. In Frankrijk zorgden plakkaten van de ‘Rose-croix’ in 1623 een grote ophef; van een Franse vertaling is pas officieel sprake in 1921. Russische vertalingen dateren van 1784. Mogelijk heeft de lijfarts van de Tsaar, Wendelin Sybellestia, die goed bevriend was met J.V. Andreae, reeds in de jaren 1630-1640 geschriften van de rozenkruisers, die hij naar Rusland had gebracht, vertaald. 

De gigantische beroering laat zich misschien nog het beste aflezen aan simpele getallen: 400 gedrukte reacties in de eerste 10 jaar na het verschijnen, circa 1700 in de 17e en 18e eeuw. De tamelijk radicale toon van de manifesten droeg ook bij aan de commotie; dat een totale verandering van religie, wetenschap en politiek werd beoogd, was iets volkomen nieuws. Even radicaal als de hervormingsplannen was de tegenstand die ze opriep. Vaak wordt in onderzoeken en commentaren gewezen op de negatieve echo van de oproep van de rozenkruisers: de felle tegenstanders, de vervolgingen van hen die zich openlijk voor de rozenkruisersidee uitspraken, de ombuiging van de utopieen in de richting van materialisme en nuttigheidsgedachte, de algehele chaos waarin het bedat verzonk. 

Daarnaast moet benadrukt worden de misschien wel even zo vele positieve reacties: tussen 1614 en 1625 verschenen meer dan 150 antwoorden van sympathisanten uit de Duitse vorstendommen, Oostenrijk, Bohemen, Zwitserland, Nederland, Engeland, Frankrijk, Italië en de Baltische Staten. Een groot aantal (geheime) gezelschappen werd opgericht, die zich uitdrukkelijk op de rozenkruisers beriepen. Bovendien bestonden er, eveneens in de zeventiende eeuw, vele utopische gezelschappen met elementen uit het hervormingsprogramma van de manifesten. 

Het waren niet alleen theologen en wetenschappers, publicisten van allerlei snit, die zich in het debat wiepen. Ook enkele vorsten en andere vooraanstaande lieden zouden bij de hervormingsplannen van de rozenkruisers betrokken zijn, zoals Frederik van Palts en Gustav Adolf van Zweden. Overal doken daarnaast mensen op die beweerden rozenkruiser te zijn. Het bleek al snel gevaarlijk te zijn er openlijk voor uit te komen de ideeën van de rozenkruisers aan te hangen. Dat ondervond Adam Haslmayr uit Tirol, de eerste die middels een publicatie positief op de Fama antwoordde, aan den lijve. Hij werd op bevel van de jezuïeten gevangen genomen en veroordeeld tot vier en een half jaar slavernij op een galeischip. In Nederland werd de schilder Johannes Torrentius ervan verdacht leider van de rozenkruisers in Haarlem te zijn, en op instigatie van orthodoxe calvinistische theologen gearresteerd. Hoewel hij, ook na vreselijke martelingen, de aantijgingen bleef ontkennen, werd hij veroordeeld tot twintig jaar gevangenschap, maar door toedoen van prins Hendrik en de Engelse koning Karel I voortijdig vrijgelaten. 

Naast felle tegenstand oogsten de manifesten zoals we hiervoor al zagen ook veel bijval. Behalve de al genoemde Adam Haslmayr, waren de eersten die steun betuigden aan de hervormingsideeen van de rozenkruisers, Johann Combach uit Marburg en zijn Praagse vrienden, onder wie de zwager van Tycho Brahe, Erik Lange. Eveneens uit Praag stamt het antwoord van de arts J. Berger Pannonius. In Duitsland is het Michael Maier, die enige tijd als lijfarts aan het hof van Rudolf II in Praag verbonden is geweest, die in positieve zin over de rozenkruisers begint te schrijven. Ook meldt zich reeds in 1616 de Engelse medicus en alchemist Robert Fludd, die zich aan de zijde van de rozenkruisers schaart. 

De aanvallen op de manifesten kwamen van orthodox-wetenschappelijke zijde, bijvoorbeeld van de conservatieve Andreas Lobavius, en van kerkelijke zijde, zowel uit lutheraanse, calvinistischeals katholieke hoek. Omdat deze drie kerken elkaar bestreden, werden de rozenkruisers door de lutheranen beschouwd als verkapte calvinisten, en andersom. Andere protestanten verdachten de jezuïeten ervan zich achter de rozenkruisers te verschuilen. Mogelijk werden zij hiertoe aangezet, doordat sommige schrijvers in de rozenkruisers de ware jezuïeten (dienaren van Jezus) zagen, zich beroepend op de spreuk uit de Fama: ‘Jesus mihi omnia’ (Jezus is mij alles. De jezuïeten op hun beurt bestreden de rozenkruisers en hun sympathisanten ook, zoals het voorbeeld van Haslmayr laat zien. 

Ook dienen nog vermeld te worden de tientallen spotschriften, afkomstig van onder andere de jezuïeten, waarin voorstanders van de rozenkruisers door het slijk werden gehaald. En om de verwarring te vergroten, schreef Friedrich Grick onder verschillende pseudoniemen pamfletten voor en tegen de broederschap. 

De broederschap zelf bleef temidden van al die stemmen hardnekkig zwijgen. Ook ging zij niet in op de vele steunbetuigingen en verzoeken om als lid te worden opgenomen. Wel bestaat er een geheimzinnig Antwort van de broederschap, dat in 1613 naar Praag zou zijn gestuurd, maar waarvan de herkomst en de identiteit van van de opsteller niet achterhaald kon worden. Het uitblijven van een officieel antwoord van de zijde van de rozenkruisers had tot gevolg, dat ten eerste menigeen aan het bestaan van de broederschap ging twijfelen, en ten tweede dat schrijvers als Michael Maier en Daniel Mögling deze stilte (‘Silentium post clamores’, zoals de titel van een van hun werken luidt) probeerden te verklaren. Hun interpretatie van de boodschap van de rozenkruisers droeg alleen maar bij aan de toenemende verwarring en onzekerheid. Speelden de rozenkruisers slechts komedie? Waren zij een stelletje tovenaars of een bende landlopers? Of ging het om ‘dronken broeders, die hun geheimen slechts in de herberg publiceren’, als we de jezuïet François Garasse moeten geloven?

In 1619 ondernam Andreae een poging om de zuivere kern van de boodschap van de manifesten te redden, middels zijn geschrift Turris Babel. Daarin schrijft hij, dat hij zich van het hele spel distantieert: ‘Men heeft met de mensen al meer dan genoeg spot gedreven. Welaan, gij stervelingen, jullie hoeven niet meer op een broederschap te wachten. De komedie is uit. De Fama heeft haar opgevoerd en ook weer afgevoerd. De Fama zei ja; nu zegt zij nee.’ Hij legde ook uit, dat de Fama door schaamteloze komedianten was verraden en bedorven. Maar, zo voegde hij eraan toe: ‘Zo laat ik deze broederschap weliswaar varen, maar nooit de ware christelijke broederschap, die onder het kruis naar rozen geurt […] Tot zo’n broederschap van vrome, verstandige en rijk aan ideeen zijnde mensen, ben ik altijd bereid te besluiten.’

Bron: De roep van het Rozenkruis – vier eeuwen levende traditie van Frans Smit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *