Reins Licht – roman over de gnosis in gewone mensentaal van Ingrid Hutink-van Niejenhuis

BESTEL REINS LICHT

‘Voor het eerst in mijn leven begreep ik dat het heimwee dat ik al heel lang heb – ik noem het heimwee naar hoe het was toen alles begon – van alle tijden is. Mensen in alle eeuwen hebben dat heimwee gekend. De een werd er religieus van, de ander schreef er boeken over, een derde vereerde Moeder Aarde.’ 

De in oktober 2020 verschenen roman ‘Reins licht’ van Ingrid Huting-van Niejenhuis gaat over Rein, over zijn leven en zoektocht naar het waarom van het leven, aangewakkerd door de drie beroemde levensvragen uit de oudheid. Gedurende zijn leven blijft Rein zich vragen stellen, maar de antwoorden vindt hij dichterbij dan hij vermoedt. In het boek de schrijfster ook in op bekende spirituele leraren:  Hermes Trismegistus, Lao Zi, Rumi, Max Heindel (fakkeldrager van het Rozenkruis 19), Jiddu Krishnamurti en Etty Hillesum. Ook besteedt zij aandacht aan onder andere de katharen en het Aramees ‘Onze Vader’.

INLEIDING

De gnosis is een niet alledaags onderwerp, omdat het over de kennis van het hart gaat. Dit is het orgaan dat ons het meest na staat, het is letterlijk de kern van ons leven. Toch is het velen onbekend dat het hart niet alleen een mechanische pomp is, maar ook kennis bevat over het leven, dat het een diepe wijsheid herbergt.

Hoe kom je dan bij die wijsheid? De zoektocht naar de kennis van het hart heb ik vervat in het levensverhaal van Rein. Hij gaat de reis naar binnen, ontmoet weerstanden, stilte en moet afscheid nemen. Komt hij op zijn levensweg in het reine met zichzelf?

Het ontstaan van dit boek begint met een telefoongesprek. Een goede vriend belde mij op een avond en zei: ’Ik wil nog altijd een boek schrijven over gnosis, het innerlijk weten, de kennis van het hart, in gewone mensentaal .’

‘Maar,’ zei ik, ‘dan moeten wij samen dat boek schrijven.‘
Even was het stil aan de andere kant van de lijn.
‘Laten we dat doen!’ zei hij. En dat was het begin van onze reis.

De reis van het innerlijk weten begon met een grote groep mensen, enthousiastelingen van geest. Met een kerngroep is de vorm van dit boek gekozen: een hoofdlijn over Rein en losse verhalen over het hart, wijsheid, gnostieke stromingen en de kracht van verlangen. Dat dit boek een licht mag doen schijnen op je eigen pad.

Ingrid Huting-van Niejenhuis

BESTEL REINS LICHT

PROLOOG

Wanneer en hoe is mijn zoektocht begonnen? Ik denk al heel vroeg in mijn leven. Mijn belangrijkste leidraad was altijd: wie ben ik, waar ga ik naartoe en waar kom ik vandaan? Deze vragen kwamen vanuit een verlangen, zo sterk dat mijn hart er soms pijn van deed. Ik dacht altijd dat ik de enige was met deze vragen. Niemand die ik kende stelde zichzelf deze levensvragen: mijn moeder niet – zij verzorgde ons en deed haar werk – mijn vader niet – met zijn werklust klom hij op tot voorman. Hoewel hij optimistisch was over zijn kansen in het leven, zag ik hem soms voor het haardvuur zitten met gesloten ogen en zijn mondhoeken naar beneden. Als hij somber was, sprak hij daar niet over.

Leeg was de horizon buiten het dorp. De koeien loeiden in het gras; de paarden steigerden. Mijn hele jeugd vermaakte ik me met tekenpotloden en papier, buiten het dorp in Friesland en ik verwonderde me over de natuur en het leven. Hoewel wij niet kerkelijk waren, wist ik heel zeker van binnen dat religie diep in mij verankerd lag. Al snel begreep ik dat het allerhoogste mij zeer nabij was, maar woordeloos. Tot mijn geluk vond ik mensen die ook de oorsprong van alle leven wilden leren kennen. Was ik op mijn twaalfde Hans niet tegengekomen, dan had ik een zeer eenzame tienertijd gehad maar nu kon ik met hem eindelijk spreken over wijsheid en waarheid. 

Mijn levensvragen, die ik alleen dacht te hebben, bleken al opgetekend in de tempel van Delphi in 500 voor Christus. Hans leerde me: ‘Rein, antwoord vinden op deze vragen, dat is de opdracht van ieder mens, in dit leven en in elk ander leven dat iemand gaat meemaken. Deze vragen zijn universeel en jij hebt geluk, jij kent die vragen nu al dus je hebt je hele leven om een antwoord te vinden. Wanneer je je oorsprong vindt, zul je daar ook weer naar terugkeren .’

Zo kreeg ik bevestiging van mijn opdracht en weg was mijn eenzaamheid, althans, voor dat moment. Ik had nog heel wat meer vragen, maar Hans wuifde ze weg die dag .
Er zouden nog ontelbaar veel gesprekken volgen .

De openbaring van de oorsprong der werkelijkheid gaat eeuwig door en schijnt zonder ophouden te blijven bestaan. Voeg u naar deze levensstroom en ge zult niet behoeven te bewegen.

Lao Zi (Daodejing, strofe 6)

HOOFDSTUK 1 – HEEMSTEDE

Met een schok wordt Rein wakker. Traag glijdt zijn oog langs de wanden, de deur. Vaal licht van buiten schijnt door het halfverduisterde raam. Een spijkerbroek over de leunstoel, zijn kamerjas aan de kast. Maar niet die van haar.

Thuis, hij is thuis. Versuft laat hij zich in zijn kussen vallen. Hij weet het, Marion komt niet meer terug. Het is al een half jaar geleden sinds haar heengaan en toch is het gemis nog rauw. Zo pijnlijk soms, dat hij zijn hart voelt samenknijpen. Hij wist van tevoren niet, ook niet toen ze ziek werd, dat rouw zich kan vastzetten in je lichaam, althans, zo voelt het voor Rein. 

Weemoedig kijkt hij opzij; de digitale klok aan de wand wijst 3.00 uur aan. Hij zucht en staat moeizaam op, zijn stijve benen strekkend. Voorlopig kan hij toch niet meer slapen. Hij doet de schuifdeur open en loopt de trap af naar beneden. In de keuken maakt hij een kopje thee. De krant ligt op tafel maar hij schuift hem opzij. ‘Niet al die negativiteit nu,’ moppert hij. Rein bijt op zijn lip; hij is ontzettend moe en desondanks ontegenzeggelijk helder. Rommelend in zijn la komt hij de wonderlijkste poeders en thee tegen, maar niet zijn avondthee. ‘Barst,’ gromt hij. Alsof ze zijn nare humeur aanvoelt, komt de poes miauwend op hem af.

‘Lies, daar ben je.’ Rein ontdooit wat; hij aait de poes over haar grijze vacht. ‘Poes, lieverd’, en hij beantwoordt haar kopjes. Gelukkig blijven sommige dingen een leven lang hetzelfde, denkt hij opgelucht. Rein kijkt om zich heen. De maan verlicht de hele tuin. Hij opent de schuifpui en stapt naar buiten. Een diepe ademtocht lucht op. De frisse muntblaadjes lichten als het ware op in het maanlicht en hij plukt er wat van. Heerlijke thee op een nachtelijk terras, met Lies op zijn schoot Ze wordt er soezerig van, haar pootjes in de lucht. Wat een overgave!

Zo was het voor Marion ook. Verschrikt kijkt Rein naar de poes. Waar komt die gedachte nu weer vandaan? En het is alsof Rein weer in hun slaapkamer is. Hij verzorgt haar. Hij helpt haar met wassen en aankleden. Hij trekt haar haar kousen aan en schoenen. Ze zucht; hij hijst haar in een stoel en Marion vertrekt haar mondhoek. Het zitten doet pijn, dat weet hij, maar ze wil naar beneden, hoe dan ook. Hij tilt haar op de traplift en ze duwt op het knopje naar beneden. Eenmaal beneden, rijdt hij haar rolstoel naar de woonkamer. Ze is alweer moe. Het is een kwestie van tijd, zeggen de artsen. Hij smeert een boterham en met een kopje thee loopt hij naar de bank, Lies achter zich aan, maar Marions ogen zijn gesloten; ze slaapt. Er loopt een traan over zijn wang; dit duurt niet lang meer. Ze is nu al zo moe. Rein herkent de achteruitgang van zijn moeder destijds, dertig jaar geleden. De sluier komt dichterbij, de definitieve sluier aan het einde van het leven.

Merkwaardig vreedzaam ligt de poes op zijn schoot. Hij schrikt op uit zijn overpeinzing. ‘Lies?’ vraagt hij en kroelt haar onder haar kin. Prrrrr, wat een harde snorgeluiden maakt ze weer. Hij haalt opgelucht adem. Een zucht van verlichting? Hij moet er ook van grinniken, maar definitief afscheid nemen voelt nu zo zwaar. Als Lies ook komt te overlijden, dan moet hij weer afscheid nemen, weer iemand uit zijn leven wegdragen. Wie blijft er dan nog over?

De volgende ochtend staat hij in de keuken koffie te zetten als zijn dochter binnenkomt.‘Hé pa, hoe gaat het?’ en Julia geeft hem een kus. ‘Ben je al buiten geweest?’ Ze haalt zijn nachtelijke theekopje binnen. Rein schudt zwijgend zijn hoofd en zet een kop koffie voor Julia neer. ‘Dank je. ’Julia bestudeert zijn wallen: ‘Kon je niet slapen vannacht?’‘De oude kwaal,’ moppert Rein, ‘sinds je moeder weg is…’Hij maakt zijn zin niet af.

Julia kijkt hem schalks aan: ‘…kun je eindelijk naar de sterren kijken. En in plaats van een kop thee, kun je ook een glas wijn proberen, pa. Dat kan ook helpen bij slapeloosheid.’ Julia grinnikt. ‘Of mag dat nog steeds niet van jezelf?’

Rein gooit een theedoek naar haar. ‘Oeps!’ Grandioos mis natuurlijk, maar de koffie ligt over de hele tafel. ‘Pa, wat doe je nu toch!? Jij met je ochtendhumeur…’ Quasi-mopperend maakt Julia de tafel schoon. Rein gaat uitgeblust zitten .

‘Ja, dat krijg je ervan als je je zo opwindt op jouw leeftijd. Hier, een vers kopje koffie voor je.’ Rein wrijft in zijn ogen en neemt een slok van zijn koffie. ‘Ach Juul, het is zo gek voor mij om terug te kijken.

Ik heb zo gezocht, al jaren, naar wat toch het doel kan zijn van het leven, van mijn leven… Eigenlijk is er geen moment geweest dat die gedachte er niet was, zelfs als schooljongen vroeg ik me dat al af.’

‘En weet je dat dan nu?’ Julia tilt de poes op haar schoot.
‘Ach, wat zocht ik? Hoe word je een compleet en zuiver mens?’
Julia kijkt op. ‘Maar pap, ik ken geen mooier streven dan dat, echt niet.’ Haar onderlip verraadt haar opkomende emotie. ‘Jouw zoektocht heeft voor mama, Roan en mij heel veel betekend.’ Rein kijkt haar aan, weemoed in zijn ogen. Dan schudt hij zijn hoofd. ‘Ik heb zo vaak gedacht: waar ben ik in terechtgekomen? In een leven met moeiten en soms zware opgaven. Vergis je niet, ik ben heel dankbaar dat ik met Marion aan mijn zij en met jullie samenleefde. Als ik twijfels had, was Marion mij tot steun.’
Julia pakt zijn hand en zwijgt. Alsof ze wil zeggen: ik ben er.

Lies springt van Reins schoot en verdwijnt naar buiten. Julia kijkt haar na en zucht. Hier is ze niet voor gekomen. Ze wil iets zeggen, en dat wil ze al heel lang maar ze durfde niet. Ze houdt gewoon te veel van haar vader, maar zijn gedrag zit haar niet lekker. Ze klapt met haar hand op haar knie om zichzelf moed te geven, haalt diep adem en steekt van wal.

‘Pa, ik snap het niet. Ik heb je altijd gekend als een beschouwende man. Ik vind je nog altijd wijs; daar gaat het niet om. Samen met mama had je gesprekken, ging je naar lezingen; samen lazen jullie boeken.

Al was je er de man niet naar om bij een of andere groep te gaan, toch kwam je na een lezing hier of daar vaak opgetogen ervandaan.’
‘Dat heb ik de laatste jaren niet meer gedaan, Julia. Zeker niet toen Marion ziek werd, maar daarvoor ook niet meer, want ik merkte: om echt een innerlijk geloof te beleven heb ik geen boek of spreker nodig.’ 

‘Wacht nou even, pap. Dat weet ik toch. En je zei: ik zoek de oorsprong en vind die nergens in de wereld. Dat vond ik juist zo’n positieve ontdekking! Het uiterlijke zoeken kwam bij jou tot een einde.’ Rein neemt nog een slok van zijn koffie en zet het kopje licht trillend neer. ‘Ik kwam erachter dat er maar twee dingen helpen: dat ik de waarheid in mijzelf zoek en mij verbind met mensen die dat ook doen. Alleen een broeder- en zusterband heeft dat voor mij. Ik ben zo weinig mensen tegengekomen die echt het zwaartepunt in hun leven hebben verlegd van de uiterlijke dingen naar innerlijke bewustwording.’

‘Dat weet ik toch, pa. Maar waarom ben je dan nu steeds zo boos?
Ik word er moedeloos van!’ Julia kijkt hem smekend aan. Ze roert in haar kopje. ‘Hoe kan dat nou, dat je zo wijs bent als jij, en zo de waarheid met een hoofdletter zoekt. En dan toch… toch ben je zo boos op het leven omdat mama dood is.’ Een traan rolt over haar wang. Rein knippert met zijn ogen en weet even geen woord uit te brengen. Julia staat op en pakt een zakdoek. Nog altijd staart Rein naar haar, maar ze kijkt weg.

Stilletjes gaat ze zitten. Zal hij het snappen? Dat ze zo graag haar oude vader terug wil? Dat zij ook haar moeder is verloren, maar dat ze al die maanden eigenlijk ook haar vader kwijt was? Rein heeft een brok in zijn keel. Zijn ogen dwalen door de keuken alsof hij een houvast zoekt. ‘Maar ik weet toch niet hoe?’ brengt hij uit met gebroken stem. ‘Hoe kom ik uit het gemis, Juul? Ik wil haar bij me houden.’ Een traan loopt over zijn wang.

Julia’s lippen trillen, een golf van medelijden overspoelt haar. ‘Hoe kan dat nu, dat je dat wilt? Als je weet waar ze is, als ze haar weg verder gaat naar de oergrond – zoals jij dat altijd hebt gezegd.’ Julia kan geen woord meer zeggen. Ze schudt haar hoofd. Rein kijkt op. ‘Ik ben onwetend geworden Julia . Ik weet niets meer zeker .’
Leeg. Dat is zijn gevoel.

THUIS

Wanneer wij iemand niet herkennen,
wanneer we niet weten waar iets vandaan komt,
wanneer we niet weten wat iets is,
of wanneer wij ergens geen weg mee weten,
dan hebben we daar een mooie Nederlandse uitdrukking voor.
We zeggen dan: ik kan het niet thuisbrengen.
Wanneer je jezelf onderzoekt, dan ken je in jezelf een constant zoeken.
Zoeken naar wie je bent.
Zoeken naar wat bij je hoort.
Zoeken naar de betekenis van je leven.
We kennen duizenden verlangens in onszelf met als grondslagen:
verlangen naar vrijheid;
verlangen naar liefde;
verlangen naar zekerheid.
We weten niet exact wie wij zijn;
we weten niet precies waar we vandaan komen;
we weten niet precies wat ons leven is;
we weten niet precies waar we naar toe moeten
en we zoeken in de wereld om ons heen;
we zoeken ons een slag in de rondte .
We zouden ook tegen onszelf kunnen zeggen:
ik kan me niet thuisbrengen.

Er is een universeel weten, dat in verschillende vormen door alle tijden heen het volgende tegen ons, mensen, zegt: een mens is een tweevoudig wezen, een wezen in de tijd en een wezen uit eeuwigheid.
Met dit wezen in de tijd is een opdracht verbonden: breng het eeuwigheidswezen, de goddelijke vonk in je, terug naar zijn thuis. Al het zoeken, al het verlangen is te verklaren uit de goddelijke vonk in je hart.

Dwars door al het beweeg, het lawaai en de verwarring in en om ons heen is het een grote vreugde wanneer iemand deze goddelijke wezenskern in zichzelf ontdekt, herkent.
Want zodra deze gevonden is weten we wie wij zijn,
weten we waar we vandaan komen,
weten we waar ons thuis is.

HERMES TRISMEGISTOS

We gaan terug naar het begin van onze jaartelling in Egypte, de tweede en derde eeuw na Christus. Hermes Trismegistos is een mythische figuur, die leefde in het bewustzijn van de Egyptenaren en Grieken in die tijd. Zijn naam betekent Hermes de driemaal grote, want hij was groot zowel in godsdienst, als in kunst en wetenschap. Aan Hermes zijn talloze geschriften toegeschreven, waaronder het Corpus Hermeticum en de Smaragden Tafel. Het Corpus Hermeticum bevat een tweegesprek tussen Hermes de Ingewijde en zijn discipel Tat. 

De hermetische geschriften zijn door alle eeuwen heen bewaard gebleven en ze zijn een bron van inspiratie geweest voor vele zoekers en gnostici, zoals Marsilio Ficino en Giordano Bruno. Hermetici en gnostici hebben altijd hetzelfde doel: de mens tot intuïtieve godskennis te laten komen en zo tot een directe ervaring van God. Hermes toont een weg van zelfkennis, waardoor de mens kennis krijgt van het goddelijke en het universum.

Hermes legt in het Corpus Hermeticum in gespreksvorm het verband uit tussen God, kosmos en mens. Tat herinnert zich zijn goddelijke oorsprong niet, maar Hermes legt het geheim van de mens op aarde uit. In het hart van de mens ligt een goddelijk aanraakpunt, een zielekern die de mens met zachte stem roept tot wederkeer. Deze zielekern is onzichtbaar voor het oog, maar voelbaar in het hart voor de mens die ikgerichte gedachten tot staan weet te brengen. 

Hermes Trismegistos geeft zijn volgeling en lezers onderricht om hen zich bewust te laten worden van hun ware bestemming. De mens is wonderlijk, zo zegt Asclepius in het Corpus Hermeticum. De mens is naar zijn lichaam sterfelijk maar naar zijn zielekern onsterfelijk. De mens die zich daar niet meer van bewust is maar zich aangetrokken voelt tot deze gnostiek-hermetische leringen, begint te ontwaken.

De mens wordt zich bewust van zijn goddelijke afkomst, verlegt het zwaartepunt van zijn leven door zijn ‘ik’ over te geven. Het Corpus Hermeticum bevat hulp en onderricht voor de mens die hunkert naar het goddelijke veld, want een ontwakende heeft kracht en begeleiding nodig. Toch zijn de gesprekken van Hermes aanwijzingen voor het ‘ik’ en voor de ziel; de innerlijke weg bewandelen dient de mens zelf te doen. Ware geestelijke verlichting kan niet uit boeken worden geleerd. Inwijding kan alleen in het hart van de mens gerealiseerd worden door de ziel .

Wanneer ik loslaat wat ik ben, 
Word ik wie ik zou kunnen zijn
Lao Zi

INHOUD

Inleiding

Proloog

  1. Heemstede – Thuis
  2. Loslaten – Heel veel is niet wat het lijkt
  3. Reins dagboek: Hans – Hermes Trismegistos
  4. Helder Licht – Lao Zi
  5. De Broeder- en Zusterband – Aan alles ligt een idee ten grondslag
  6. Zwierig bezoek – Roemi
  7. Maurice en Céleste – Katharen
  8. Marion I
  9. Marion II – Wie of wat ik ben? Een vertelling
  10. Rein – moeder – Aramees ‘Onze Vader’
  11. Rein, pubers – Anders denken
  12. Ontmoeting – Max Heindel
  13. Stilte
  14. Kennismaking – Jiddu Krishnamurti
  15. Eigen wijsheid
  16. Samen – de wereld op zijn kop
  17. Patmos
  18. Overgave – Etty Hillesum

Dankwoord

Bron: ‘Reins Licht – fragmenten van een zoektocht naar het licht’ door Ingrid Huting-van Niejenhuis

BESTEL REINS LICHT

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *