Beschouwing 6

Spirituele Pinksteren 6: zelfinwijding op basis van zelfautoriteit
Beschouwing voor vrijdagochtend voor Pinksteren

 

6 spirituele pinksteren

De mens is nog lang niet af. De microkosmos die wij bewonen beschikt over grootse ingeschapen mogelijkheden die weer werkzaam kunnen worden zodra de onsterfelijke-in-ons weer de beschikking krijgt over zijn hemelse lichaam. Sterfelijke mensen met een begrensd bewustzijn en moeilijk in te tomen ik-driften zouden met deze vermogens gemakkelijk vervaarlijke en vernietigende krachten kunnen ontketenen.

Wellicht tot ons eigen behoud en om verder onheil te voorkomen, komen deze vermogens alleen dan tot natuurlijke ontwikkeling als de ‘kennis van goed en kwaad’ voldoende rijp is. Alleen dan is de uiterlijke mens in staat zich af te wenden van zijn aangeboren ik-gerichtheid en zich te gaan wijden aan het leven van de Andere-in-hem. Het leven van die innerlijke mens, de nieuwe ziel, is van hoge zuiverheid en voltrekt zich op het levensvlak van de bewuste eenheid.

Alleen bij de innerlijke mens zijn de hoge vermogens van de microkosmos daarom in veilige handen en worden zelfs tot zijn werktuigen. Vanaf het moment dat de nieuwe ziel tot ontwikkeling komt, zal de microkosmos weer geheeld worden en zijn latente vermogens gaan activeren en ontwikkelen, zoals het bedoeld is in het goddelijke plan.

Want door ‘de val’ is de ontwikkeling van niet alleen de oorspronkelijke Mens maar ook die van de gehele schepping tot een stilstand gekomen, als het ware bevroren. Al het zichtbare, maar vooral ook het onzichtbare, leven in de schepping wacht tot de laatste gevallen microkosmos is hersteld. Pas dan kan de gehele schepping zijn weg weer vervolgen.

Als met ingehouden adem wordt dan ook gadegeslagen hoe ontwakende microkosmoï zich een weg terug naar het ware leven trachten te banen. En alle negen geestelijke hiërarchieën staan de mensheid bij.

In onze huidige staat van ontwikkeling ervaren we onszelf over het algemeen als een persoonlijkheid, als een ‘ik ben’ en als het centrum van ons bestaan. Met vier aspecten van de persoonlijkheid zijn we enigszins vertrouwd: het stoffelijke lichaam, het etherlichaam, het astrale lichaam of begeertelichaam en het denklichaam.

Deze vier lichamen zijn gedurende miljoenen jaren tot ontwikkeling gebracht, in diverse mensheidsperioden. In hun samenhang moesten zij een geschikte tijdelijke vervanging worden voor het gedesintegreerde hemelse lichaam van de gevallen Mens. Op zijn minst konden dan enkele microkosmische vermogens, zij het in afgezwakte vorm, weer werkzaam worden.

Het etherlichaam bevat de levenskracht van de mens. Het is fijnstoffelijk, doordringt het gehele stoflichaam met zijn ethers en zorgt ervoor dat het stoflichaam dat doet wat wij ‘leven’ noemen. Uit zichzelf kan het stoffelijke lichaam, dat slechts een gigantische verzameling atomen is, namelijk helemaal niets.

Het etherlichaam voegt deze atomen samen in een stoflichaam en zorgt voor de levenskracht en vitaliteit daarvan. Het levende stoflichaam speelt een sleutelrol op het spirituele pad want alleen daarmee kunnen ervaringen in de stoffelijke levenssfeer worden opgedaan. Ook dieren en planten hebben een stoffelijk lichaam en een etherlichaam.

Het astrale lichaam is ijler en groter dan het ether- en stoflichaam. Het astrale lichaam is het domein waar het hele arsenaal aan instincten en menselijke emoties, van de allerlaagste tot de allerhoogste, zich bevindt.

Zoals het stoflichaam werkzaam is door middel van ‘handelingen in de materiële wereld’, zo drukt het leven van het astrale lichaam zich uit als dat wat wij kennen als ‘aandriften’ zoals emoties en begeerten. Ook dieren beschikken over een astraal lichaam.

Aanwezigheid en werking van het astrale lichaam zijn ‘waar te nemen’ in het hart, via onze emoties, en zijn ons bloed aanwezig in de vorm van de menselijke hormonen. Hormonen sturen alle biologische handelingen: angst wordt adrenaline, werkt verlammend en vernauwt het bewustzijn tot het voorwerp van de angst. Geluksgevoel slaat neer als endorfine, geeft energie en maakt het bewustzijn opener voor de omgeving.

En het mentale lichaam, dat nog lang niet volgroeid is, biedt ons de mogelijkheid om te ‘denken’: gedachten te ontvangen en te produceren. Het bevindt zich als een bolvormig veld rondom het hoofd en zet met zijn gedachtenvonken het astrale lichaam ‘in vuur en vlam’. Daarom wordt vaak geraden een wachter bij uw gedachten te zetten. Het denklichaam behoort tot de uitrusting van het dier dat we ‘mens’ noemen.

De hele menselijke persoonlijkheid is echter niet viervoudig maar zevenvoudig. De persoonlijkheid beschikt over drie nog hogere aspecten die de viervoudige lichaamsgestalte door het leven sturen. Samen worden ze genoemd het ‘drievoudig ego’.

Een zwakke afspiegeling van dat oorspronkelijk drievoudig ego is in ieder stoffelijk mens werkzaam als denken, voelen en willen. In hun samenhang voeren ze altijd tot een zichtbare handeling en zonder deze ‘stuurlieden’ zou de viervoudige persoonlijkheid van de mens niet in beweging komen en geen kant op kunnen. Meestal overheerst echter één van de drie aspecten: zo ontstaan het denktype, het gevoelstype of het daadtype en de daaruit voortvloeiende voortdurende verwarring, het onderlinge onbegrip en disharmonie.

De drie ego-aanzichten zijn in de afgelopen duizenden jaren ontwikkeld gedurende diverse cultuurperioden: het willen in de Perzische cultuurperiode (ca. 5000 – 3000 v. Chr.), het voelen in de Egyptisch-Chaldeeuwse cultuurperiode (ca. 3000-750 v. Chr.) en het denken in de Grieks-Romeinse cultuurperiode (750 v. Chr. – 1400 na Chr.) In de laatste periode deed ook het christendom, de synthese van alle voorgaande bevrijdende religies, zijn intrede.

Maar, zoals we al opmerkten, de mens is nog niet af. In ons, sterfelijke wezens, functioneren deze vermogens nog maar op een verduisterd en afgezwakt niveau met evenwel een enorme, niet altijd verheffende, invloed op wereld en mensheid.

In de toekomst van verdere mensheidsontwikkeling zullen de drie vermogens zich moeten openbaren op steeds hogere treden van werkzaamheid. Waar de mens van nu, over het algemeen, zijn huidige wijze van denken als het allerhoogste bereiken van mens-zijn beschouwt, is het in feite nog maar een embryonaal stadium. Maar waar het denken nu al toe in staat is, kunnen we dagelijks om ons heen waarnemen.

In de theosofie worden de drie hogere aspecten van de zevenvoudige persoonlijkheid manas, boeddhi en atma genoemd. In de antroposofie spreekt men over geestzelf, levensgeest en geestmens. Ze hebben betrekking op imaginatie (verbeeldingskracht), intuïtie (innerlijk weten, wijsheid en begrip) en inspiratie.

Er wordt wel getracht methodisch en bewust de ‘hogere vermogens’ te ontwikkelen, tot verheffing van de stoffelijke mens in de ijlere gebieden. Het is begrijpelijk dat dergelijke methoden, als ze los staan van ware zieleontwikkeling, tot verdere beschadiging van de microkosmos en van de vier voertuigen kunnen leiden. Zeker leiden ik-versterkende methoden tot een krachtiger binding aan de stofsfeer en niet tot bevrijding daarvan.

Ware spiritualiteit heeft altijd betrekking op de dimensie van de ziel. De zielegestalte, het opstandingslichaam, is vooralsnog voor de mens de hoogst bereikbare staat. Maar daarin liggen wel alle mogelijkheden tot begrip van, liefde voor en dienstbaarheid aan het goddelijke besloten. De verandering van de zevenvoudige persoonlijkheid, de transfiguratie, is als het ware een logisch en natuurlijk gevolg, een bijwerking, van dat proces.

De ziel van de mens ontwaakt in het hartcentrum, in de ‘grot van Bethlehem’, daar waar ook de hartstochten van de persoonlijkheid zich aandienen. De hartstochten worden verzinnebeeld als de os en de ezel. Zodra daar, in die stal, de lichtkracht van de geestvonk – ook wel de kundalini van het hart genoemd – vrijkomt, groeit niet alleen de ziel maar verandert ook de persoonlijkheid.

De drie hogere aspecten denken, willen en voelen worden dan op een volkomen natuurlijke en veilige wijze geleidelijk op een hoger plan gebracht. Zodra een mens er bewust voor kiest om de paden van zijn oude verstokte denken, voelen en willen te verlaten, zet hij dan ook de eerste stap op het pad van zelfinwijding.

Op dat pad ontsteekt het licht van de ziel de nieuwe vermogens; de mens staat slechts voor de taak met inzicht afstand te doen ingesleten patronen van denken, voelen en willen. Het innerlijke licht doet het werk; inwijding in de christelijke mysteriën vindt dan ook plaats door het licht zelf en dan alleen in die mate waarin de mens het licht kan toelaten. Niets of niemand kan dat voor een ander doen of als tussenpersoon fungeren. De mens draagt zijn eigen priester in het hart.

Het christelijke inwijdingsmysterie heeft niets te maken met geheime kennis, oefeningen en rituelen waardoor eens mens machtiger zou worden of alles zou bereiken wat hij maar zou willen. Integendeel, door de zevenvoudige persoonlijkheid in dienst te stellen van de innerlijke mens, betreedt hij het pad van het endura, het ‘dagelijks minder worden’.

De Christuskracht die in hem en om hem is, stelt hem daartoe in staat. Inwijding in gnostieke zin wordt niet door de ene mens aan de andere voltrokken maar is een proces dat de mens met inzicht en toewijding in zichzelf voltrekt. ‘Liefde voor alles en allen’, liefhebben is daarbij essentieel maar nog niet voldoende voor inwijding.

In de christelijke mysteriën komen, op basis van de innerlijke Jezus, drie hogere vermogens in samenhang met elkaar tot ontwikkeling: begrijpen, liefhebben en dienen. ‘Begrijpen’ en ‘dienen’ kunnen niet zonder elkaar en hun verbondenheid wordt symbolisch weergegeven in het verhaal over de twee zussen Maria en Martha uit Bethanië, over wie gezegd wordt:

Toen zij verder gingen kwamen zij in een dorp waar een vrouw, Martha genaamd, hem in haar huis ontving. Zij had een zuster, Maria, die ook aan Jezus’ voeten ging zitten en naar zijn woorden luisterde. Maar Martha die gedienstig in de weer was kwam bij Jezus en zei: ‘Heer, bekommert u zich er niet om dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Vraag haar of zij mij helpt!’

Jezus antwoordde: ‘Martha, Martha, u bent zorgzaam en bezorgd over veel dingen, maar een ding is noodzakelijk en Maria heeft het goede deel gekozen en dat zal niet van haar
weggenomen worden.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 35: 9-11)

Gewoonlijk ziet men in dit symbolische verhaal de raad om de levensaccenten op het innerlijke leven te leggen, op ‘de spijs en drank die niet vergaat’. Maar als we beseffen dat Martha en Maria ‘in één huis’ wonen, in één microkosmos, kunnen we Maria zien als ‘het nieuwe begrijpen’ en haar zuster Martha als ‘het nieuwe dienen’. En dan ontvouwt zich een heel nieuw perspectief.

Een spirituele weg op basis van de innerlijke Jezus is een individuele weg die evenwel in het bewustzijn van de eenheid wordt gegaan. Maar het is ook een weg die de mens af en toe tot wanhoop drijft en in diepe vertwijfeling brengt. Want elke moeizame stap voorwaarts wordt meestal voorafgegaan door drie stappen ogenschijnlijk achterwaarts.

En dat is de onzichtbare kracht van de gnostieke weg: de al ploeterend vrijgemaakte zielelichtkracht van elke stap voorwaarts kom direct ter beschikking aan alles en allen. Elke individuele stap voorwaarts van een mens betekent een stap voorwaarts voor de wachtende schepping. Dat is dienen in gnostieke zin. Die dienende taak, Martha, kan uitsluitend juist worden verricht wanneer zij wordt vergezeld van haar zuster ‘helder begrip’, Maria.

Maria zit ‘aan de voeten van Jezus’. De aanduiding ‘aan de voeten zitten van’ is een universele aanduiding voor ‘onderricht worden’. Zo betekent het woord ‘upanishad’ letterlijk ‘neerzitten bij’ in de zin van het zitten van de leerling aan de voeten van de meester. Maria symboliseert de mens die de inwijdingsweg binnen een levende spirituele traditie gaat en daar kennis en ervaring opdoet.

Deze Maria correspondeert met de lichtkracht van de zevengeest die indaalt in de ‘neerdalende slang’ van het slangenvuurstelsel. Door de verandering van de chakra’s wordt de natuurlijke ‘ik ben-gerichtheid’ omgewend tot een gerichtheid op de ziel.

Haar zuster Martha is die mens in wie het denken zich reinigt en in wie zich louteringen voltrekken. De neerdalende lichtkracht heeft de opgerolde kundalini-slang in het heiligbeenchakra, dus de invloed van het karma, deels geneutraliseerd. Daarom kan Martha dienen vanuit de ziel. Martha staat voor de lichtkracht in de ‘opstijgende slang’.

De twee zussen Martha en Maria hebben een broer, Lazarus, die ook in hun huis woont en eveneens een discipel is van Jezus, de nieuwe ziel. Het gesluierde en intrigerende verhaal over de opwekking van Lazarus kan nu dan ook in een heel nieuw licht worden geplaatst. Die geschiedenis staat niet in de evangeliën van Matthéüs, Marcus en Lucas, maar wel in hoofdstuk 11 van Het evangelie van Johannes – het meest gnostieke evangelie in de Bijbel – en hoofdstuk 56 van Het evangelie van de heilige twaalven.

Lazarus en zijn zusters Martha en Maria wonen in het dorp Bethanië, waarvan de betekenis is: huis van de vijgen of huis van ellende, armoede. De vijgenboom een symbool is voor inwijding en ontwaken; ‘ellende, armoede’ verwijst naar de beschadigde staat van de microkosmos. In dat huis wonen zij. En daar komt Jezus bij hen op bezoek.

Het esoterisch christendom beschouwt de evangeliën als symbolische weergaven van innerlijke spirituele gebeurtenissen. Waar Maria en Martha corresponderen met de gnostieke energiestromen in de beide slangen rechts en links van het ruggenmerg, daar symboliseert hun broer Lazarus de centrale slangenvuurkolom in het ruggenmerg.

Op het pad van wedergeboorte van de ziel vermindert de vitaliteit van het biologische slangenvuur dat van nature gericht is op zelfhandhaving. Daarom wordt gezegd dat Lazarus ziek en stervende is. En als de nieuwe gnostieke krachtstroom dankzij het werk van Maria en Martha is hersteld, is het oude bewustzijnsvuur zelfs gestorven.

Het endura heeft zich dan voltrokken. De gehele lichaamsgestalte is dan zodanig gezuiverd en voorbereid dat de gnostieke lichtkracht ook werkzaam kan worden in het ruggenmerg.

Als de uiterlijke mens zichzelf zo inwijdt in de krachten van de ziel, de Andere-in-hem, dan zal het oude slangenvuur als centraal bewustzijn dus plaats gaan maken voor een nieuw slangenvuur. De oude slang sterft en een nieuw slang herrijst. Zo wordt Lazarus door Jezus, door het licht van de ziel, ‘uit de doden opgewekt’.

Als de nieuwe drievoudige slangenvuurstroom is hersteld, kan ook het opstandingslichaam worden vervaardigd. Want het is een natuurwet dat rondom elke stroom een energieveld, een lichaam, ontstaat zoals er licht uit de gloeilamp voortkomt. Uit de nieuwe slangenvuurstroom komt een nieuw astraal lichaam voort. Het is de ‘mantel der Liefde’.

Dit is het derde mysterie. De ‘dood’ van de microkosmos is overwonnen, ongedaan gemaakt en het graf wordt ledig bevonden. De oorspronkelijke vermogens van de Mens Adam-Eva worden weer werkzaam en vanuit de levende ervaring wordt dan de volle diepte van de volgende Christus-uitspraak herkend en erkend:

‘Ik ben de opstanding en het leven; hij die in mij gelooft zal leven, ook al was hij gestorven.
Ik ben de weg, de waarheid en het leven, en wie leeft en gelooft in mij, zal nooit meer sterven.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 56:10)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *