Maria en Martha, symbolen voor het schouwende en het werkende leven

De aanraking van de Heilige Geest, zijn straalwerking, voert de leerling midden in het werkelijke leven in en tot een intense arbeid. Want de redding van één mensenkind betekent tegelijkertijd de roeping en de opwekking van vele anderen.

U staat op het pad zodra de Heilige Geest u aangeraakt heeft met zijn stralingskracht, u daarvoor vatbaar blijkt en u daarop reageert. En als u dan reageert, dan is het altijd zo, dat u door de Heilige Geest wordt weggeleid in de woestijn. Dat duidt op een taak in het eigen wezen en één in de wereld.

Wie in de stralingskracht van de Elohim staat, weet wat hij te doen heeft. De Heilige Geest zegt het hem. En de signatuur van zulk een leerling is dan ook in overeenstemming hiermee, tweevoudig van aard. In dit verband mogen wij u wijzen op Martha en Maria (Lucas 10:38-42).

Martha, de dienende, en Maria, die aan de voeten van Jezus zat. Martha was een meer gevorderde leerling dan Maria. Martha kende het schouwende en het werkende leven. Maria was nog slechts aan het schouwende leven toe, de voorbereiding tot haar arbeid.

Zonder het schouwende leven heeft het werkende leven geen zin en biedt het geen enkel resultaat. De vraag van Martha was erop gericht te onderzoeken of haar geliefde zuster Maria reeds uit de schouwende fase was opgerezen en tot het grote werk van het heil zou kunnen overgaan.

Het antwoord van Jezus maakte haar evenwel duidelijk, dat die fase voor Maria nog niet aangebroken was. Daarom volgde Maria op dat moment de juiste weg, door aan de voeten van de meester zittende, zich in innerlijke beschouwing te verliezen. In haar toestand had zij het beste deel gekozen.

Zonder de aanraking uit de Heilige Geest zijn wij niets, en kunnen wij niets. Zonder de aanraking door de stralingskracht van de Universele Broederschap is geen particuliere bevrijding mogelijk en geen bevrijdend werk voor de mensheid tot ontwikkeling te brengen.

Wat wij roeping noemen en ‘mandaat’, is aanraking uit de Heilige Geest. De discipelen gingen aan de arbeid, pas na de uitstorting van de Heilige Geest. Maria en de andere heilige vrouwen hielpen hen pas daarna bij de uitvoering van hun mandaat.

De wil van de leerling moet in God ontstoken zijn. Wanneer in hem of haar nog de eigen wil brandt, de wil van de natuur, dan wordt ieder werk dialectische ambitie en dan ontwikkelen zich altijd moeilijkheden. Dan ontstaat er gedrang om de voorste plaatsen en dan ontstaat er, evenals bij de discipelen in hun voorbereidingsfase, twist wie toch wel de beste zou zijn.

Het schouwende en het werkende leven zijn nimmer met elkaar in tegenspraak. Beiden volgen zij de ster, die geleiden gaat naar het Broodhuis, naar Bethlehem, naar de geboren koning van de joden. En de leerling die in Bethlehem aankomt, is hij of zij die de geboren koning ontdekt in het eigen wezen, de geboorte van de nieuwe mens in de microkosmos.

Als de koning van de joden in de microkosmos oprijst, dan is de oude wil gestorven, dan is de koning van de natuur verdwenen.

Bron: De broederschap van Shamballa van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *