Gedeelten uit ‘Zegezangen van Hermes’ Gnosis’ door George Mead

De documenten die overgeleverd zijn uit de hermetische scriptoria zijn voortbrengselen van vele handen en hoofden. Soms zijn zij zo nauw verweven met de toenmalige wetenschap, dat de opvattingen van de huidige eeuw zich er minachtend en met een gevoel van superioriteit van af zullen keren. Anderzijds blijven de schrijvers ook dikwijls op het pad van de zuivere rede, waardoor zij een onbelemmerde blik bieden op de vergezichten van de waarheid. Zij bleven hoe dan ook belangwekkend, zelfs als zij nauw aansluiten bij het wereldbeeld en de kennis van hun tijd. Hun ideeën over de levende natuur stonden mogelijk in enkele gevallen dichter bij de waarheid dan die van ons met onze moderne opvattingen die uitgaan van de onbezielde dingen. 

Hoe het ook zij, er zijn veel voorbeelden van zuiver, helder denken in de ‘logoi’ of heilige verhandelingen en gesprekken van deze school. Een van de aantrekkelijkste aspecten ervan is dat de leerling werd aangemoedigd om te denken en te vragen. De rede werd hoog in ere gehouden; een juist gebruik van de rede, of liever, de juiste rede, en niet haar imitatie, het vooroordeel, was het kostbaarste middel tot het verkrijgen van de kennis van mens en kosmos. Zo kwam men tot zelfverwerkelijking in dat hoogste goed, dat onder veel verheven namen bekend was, zoals het goede denken of de goddelijke rede (Logos). 

Er is geen christelijke gnosis of hermetische gnosis, er is slechts één gnosis. Als die gnosis voor zekere doeleinden werd verbonden met de naam van de grote leraar Jezus van Nazareth, of doorgegeven door Hermes, is het niet aan ons de twee stromingen in hoofd en hart van elkaar te onderscheiden. De twee overleveringen verklaren elkaar wederkerig en vullen elkaar aan. Zij komen uit één bron en zij zijn onderdeel van hetzelfde geordende weten. Lees de fragmenten van de twee openbaringen van dit vergeten geloof en u zult het zelf zien. 

Als ik het goed begrijp is de essentie van het gnostieke gedachtegoed het geloof dat de mens de grenzen van de dualiteit kan overschrijden en een bewust goddelijk wezen kan worden. Hij moet het probleem van zijn tijd oplossen, zijn huidige beperkingen te boven komen. 

Het is dwaas tot het verleden terug te keren, en ons opnieuw in die aloude denkwereld te storten. We zouden als het ware een mentale en spirituele reïncarnatie achterwaarts beleven. Dezelfde dwaasheid begaan theologische letterknechten, die dan ook vastlopen in dode stelsel, terwijl het getij van geestelijk leven juist gekeerd is. 

De leringen worden meestal gegeven in onderwijzende vorm van leraar tot leerling. Wij gaan van Hermes, Asclepius, Tat en Ammon houden en worden om beurten ieders vriend. Maar zij zijn geen historische personages, zij zijn typeringen. Er is een Ammon, Tat, Asclepius en een Hermes in elk van ons, daarom leren wij hen liefhebben. De ‘heilige vier’ bevinden zich in het heiligdom van ons hart. Maar overtreffend, allen omvattend is de herder van de mensheid, de goddelijke liefde waarover Hermes ons onderricht. Als Asclepius, Tat of Ammon – al naar gelang wij oren hebben om de woorden van geestkracht te horen, of ogen om de schoonheid van het onderricht van gnosis te zien. 

Nee, dit onderricht, al is het waar en prachtig, is niet de hoogste lering van het gemoed. Zij die in de geest herboren zijn, worden bij elke daad, elke gedachte en elk gevoel  door onderwezen. Het gemoed onderricht de mens eeuwig door lichaam, ziel en geest. Nu begint de mens door alle drie inzicht te verkrijgen. De mens gaat zich met zijn lagere geest, ziel en lichaam op in het hogere lichaam, de hogere ziel en de geest van de hogere mens. Hij zoekt ook geen leraar meer, want alle dingen onderwijzen hem, of liever gezegd de éne leraar onderwijst hem via alle dingen. Al het bestaande zet zich voor hem om in de gnosis van het Goede. 

Hij is niet langer iemand die hoort, maar dé toehoorder, hij heeft overal oren om te luisteren naar de stem van de natuur, de bruid van het goddelijke die is in al wat leeft en in al wat geen leven schijnt te hebben, net als de winter en zomer van de meester. 

Hij is niet langer iemand die ziet, maar dé ziener, want hij heeft overal ogen om de schoonheid waar te nemen van het geheel en het schoonste in het meest vervuilde.  

Hij is niet langer iemand die handelt, maar dé handelende, want al wat hij doet is gewijd aan hem, die zich geeft om in de mens te handelen. 

Al zijn zintuigen en energie zijn aldus gericht op het grote werk van zelfinwijding in de mysteriën Gods. Zijn  leven wordt verlicht door de glans van voortdurende vervolmaking, en hij denkt niet langer dat hij ooit anders is geweest. Want de oorspronkelijke herinnering die het gemoed is, is eeuwig en gaat aan de tijd voorbij. Deze herinnering ziet verleden, toekomst en heden in het eeuwigdurende ogenblik.  

Zoals Hermes ons leert, beginnen wij als eerste van alle heilige handelingen met God te loven en te danken.

Maar welke handeling is niet heilig, zal de leerling van de meester uitroepen, voor hem die ‘mens’ is en geen ‘opeenvolging van door het lot bepaalde handelingen’? Hij die tot inkeer komt, die van het onbewuste en dode terugkeert tot bewustzijn en verrijst tot het leven, heiligt zijn daden met steeds dieper besef van het mysterie van zijn goddelijke natuur. Want hij is niet langer een embryo in de moederschoot, gevoed door de moederziel, maar opnieuw geboren, een mens ademend in de vrije geest van het hogere leven, de kosmische sfeer van ‘de geest die de vader is’.

Elke daad en verrichting van het lichaam zal derhalve gewijd zijn aan de ziel en het gemoed. De reiziger op deze weg zal als het ware onophoudelijk bidden door elke handeling aan deze innerlijke God te wijden. Terwijl hij eet, overdenkt hij: zoals dit voedsel het lichaam voedt, moge het brood der wijsheid de geest voeden. Of als hij baadt: zoals dit water het lichaam reinigt, moge het water des levens het denken verhelderen. En: als deze verontreinigingen mijn lichaam verlaten, laat dan ook het residu van het oordelen uit mijn denken wijken!

Hij zal echter niet denken dat iets ‘onrein‘ of minderwaardig kan zijn, want alles bestaat uit goddelijke substantie en uit ‘materie’, letterlijk: moederstof. Innerlijk is hij daar al van overtuigd maar zijn lagere organen zijn daarmee nog niet in harmonie. Zij staan als het ware uit het lood en zijn niet gericht op het middelpunt van het volmaakte geheel. Hij ziet de dingen slechts uit één gezichtspunt; hij begrijpt nog niet dat het centrum overal is en dat er voor alles een gezichtspunt bestaat van waaruit het waar, juist, mooi en goed is. Dat alles omvattende gezichtspunt is de éne. Het is de al-betekenis, de van gezond verstand getuigende intelligentie waarin waarneming en begrip niet gescheiden zijn. Het is het kleine gemoed van de mens, de voortgang van het lot die uiterlijk tweevoudigheid schept. Het hogere gemoed weet dat het innerlijke en het uiterlijke twee in én zijn, zichzelf completerend, de één binnen de ander en tegelijkertijd erbuiten. 

Bron: Zegezangen van Hermes’ Gnosis door George Mead

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *