Onophoudelijk ontwaken – voordracht van professor André van der Braak op het symposion ‘Het hart dat weet’

BESTEL HET HART DAT WEET

Toen ik als zeventienjarige puber mijn voorzichtige eerste schreden op het spirituele pad zette, werd ik geraakt door een prachtig boek van Jiddu Krishnamurti. De enige revolutie heette het, en zijn boodschap kwam erop neer dat de enige revolutie die echt de moeite waard was een revolutie in je eigen bewustzijn was, een innerlijke revolutie. lk was meteen grenzeloos nieuwsgierig. Wat is dat, zo’n innerlijke revolutie? En hoe bereik je die?

Het boeddhisme beschrijft zo’n innerlijke revolutie als asraya paravríttí: een omwenteling van de fundamenten. Het is een radicaal andere manier van zien en voelen, die voorbij alle woorden en begrippen gaat. Al onze modellen, theorieën en systemen schieten tekort en dus ook alle boeddhistische modellen, hoe mooi ze ook zijn. En
met name het model van het bereiken van verlichting. We kunnen verlichting nooit bereiken, want verlichting is er al. Niet als een ervaring of een inzicht, als iets wat zich binnen mijn hoofd afspeelt, maar als iets wat zich tussen ons allemaal afspeelt. Verlichting is iets wat voortdurend stroomt, wat voortdurend gaande is, wat voortdurend bezig is en al onderweg is maar alleen: we zien het niet.

De vraag is dus niet, hoe word ik verlicht? Maar: waarom zie ik niet wat zo obvious is? Omdat we met ons denken zo verkokerd zijn, dat we ons maar blijven verzetten tegen het idee dat het er al lang is. De innerlijke revolutie betekent dat we afstand doen van die verkokering zodat wat voortdurend al gaande is, onbelemmerd aan het licht komt. Dat is verlichting; het aan het licht komen van wat al gaande is.

Zen is het Japanse woord voor chan, en dat Chinese chan is weer de vertaling van het Indiase djana en die woorden betekenen allemaal hetzelfde, namelijk meditatie. In veel boeken lezen we dat deze boeddhistische school een weg biedt tot een dergelijke radicale transformatie van ons bewustzijn – namelijk de weg van de meditatie. Door veel in meditatie te zitten, zo lijkt de chanbenadering te zijn, kunnen we door de beperkingen van ons alledaagse bewustzijn heen breken en een radicaal andere staat van geest realiseren.

Er bestaan prachtige verhalen over Chinese en Japanse zenmeesters die na jarenlang vergeefs mediteren plotseling zo’n transformatie doormaken, waarin de gehele wereld plotseling in een radicaal ander licht verschijnt. Maar hoe moeten we zo’n transformatie begrijpen? En hoe bereik je zo’n transformatie? In de chantraditie is daar veel over geschreven. 

De revolutie van een keukenhulpje 

Een van de belangrijkste momenten in de vorming van die Chinese chantraditie vond volgens de overlevering plaats in de loop van de zevende eeuw, zo rond 660. Toen liet een jong en ongeletterd keukenhulpje in een Chinees klooster een gedicht op een muur schrijven dat de gebruikelijke boeddhistische visie op verlichting totaal onderuithaalde. De hoofdmonnik van het klooster had een gedicht geschreven waarin het bewustzijn als een met stof bedekte spiegel werd voorgesteld. De boeddhistische beoefening bestond er dan uit om de spiegel voortdurend te poetsen en stofvrij te houden. Met andere woorden: door ons bewustzijn voortdurend te schonen van beperkende verlangens, gehechtheden, en verkeerde ideeën kunnen we een zuiver, verlicht bewustzijn realiseren. 

Het keukenhulpje maakte korte metten met deze benadering. Het bewustzijn is helemaal geen spiegel, zo liet hij optekenen, dus waar zou zich dan stof kunnen verzamelen? En wat zou er dan geschoond moeten worden? De voortdurende poging om denkbeeldig stof van een denkbeeldige spiegel te verwijderen houdt ons gevangen in onwetendheid. We worden pas vrij als we ons realiseren hoe absurd die poging is. 

Plotselinge verlichting

Het jonge keukenhulpje werd later een beroemd chanmeester. Na zijn dood werd hij postuum uitgeroepen tot de zesde zenpatriarch, Hui- neng (638-713). Zijn visie op chan werd opgetekend in de Platform-soetra, en stond bekend als de benadering van ‘plotselinge verlichting’, in tegenstelling tot de benadering van de hoofdmonnik die als ‘geleidelijke verlichting’ werd omschreven. Alle chanscholen van vandaag baseren zich op Huinengs benadering van plotselinge verlichting. 

Maar wat is plotselinge verlichting nu precies? Het is verleidelijk om het te interpreteren als een plotselinge, radicale ommekeer in het bewustzijn, waarbij illusie plaatsmaakt voor inzicht. Maar een der- gelijke interpretatie zou Huineng verwerpen. Die houdt namelijk het vooroordeel in stand dat we nog niet vrij zijn, en dat we die vrijheid in de toekomst moeten realiseren. Laten we daarom de term ‘plotselinge verlichting’ aan een nader onderzoek onderwerpen. De Chinese term is dunwu, waarbij dun als plotseling wordt ver- taald, en wu als verlichting. 

Maar dun zou je ook kunnen vertalen met ‘onmiddellijk’ (in de dubbele betekenis van ‘meteen’ en ‘zonder middel’). En wu kun je vertalen als ‘ontwaken’, in de zin van wakker worden uit een droom. Onmiddellijk ontwaken verwijst dan naar wakker worden uit een droom, zonder middel of methode. Vanuit de droom is er geen enkel middel dat tot ontwaken kan leiden. Sterker nog, iedere strategie om wakker te worden uit de droom leidt slechts tot het verder uitspinnen van de droom. Misschien hebt u die ervaring weleens gehad, dat de wekker ’s morgens gaat en dat u zich half dromend realiseert dat u zou moeten opstaan en dat u in de droom allerlei aanstalten maakt om op te staan en uiteindelijk verslaapt u zich. Binnen de droom kunt u niet proberen te ontwaken. Wakker worden is direct en onmiddellijk. Er bestaat geen weg naartoe. Of zoals een recent overleden vaderlands denker het uitdrukte: je gaat het pas zien als je het doorhebt. 

Dat levert een paradox op voor de zenleraar: hoe onderricht je een dergelijke plotselinge verlichting? Hoe omzeil je het gevaar dat de leerling stiekem blijft hopen dat hij of zij een of andere bijzondere staat van bewustzijn dient te realiseren? 

In de Platformsoetra bekritiseert Huineng allerlei boeddhistische meditatiepraktijken die geassocieerd zijn met de geleidelijke bena- dering: stilzitten, introspectie, de geest leegmaken, al die praktijken gebruiken meditatieve concentratie als een middel om een doel te bereiken, namelijk een transformatie van het bewustzijn, gezien als doel in de toekomst. Huineng geeft een radicaal nieuwe omschrijving van meditatie – en hier volgt een citaat uit de Platformsoetra: ‘In mijn benadering vormen concentratie en wijsheid de basis. Wees nooit zo dom om concentratie en wijsheid als twee verschillende zaken te zien. Concentratie en wijsheid zijn één, niet twee. Concentratie is zelf de essentie van wijsheid, en wijsheid is het functioneren van concentratie. Ze komen gelijktijdig voor. Concentratie en wijsheid zijn met elkaar verbonden zoals een lamp en haar licht. De lamp is de bron van het licht, en het licht is er dankzij het functioneren van de lamp.’ (Huineng, Platformsoetra) 

Rechtdoorzee-bewustzijn 

Als meditatie en concentratie er niet toe dienen om via het cultiveren van concentratie wijsheid te verwerven, wat betekent het dan om te mediteren? En waartoe mediteren we dan? Huineng omschrijft meditatie als het beoefenen van straightforward mind en die heb ik in het Nederlands vertaald met: ‘rechtdoorzee-bewustzijn’. Dit is een bewustzijn dat nergens aan gehecht is, nergens op gericht is, en nergens verblijft. 

Wat betekent het om een bewustzijn te beoefenen dat nergens verblijft? Huineng beschrijft het als het vrijelijk laten stromen van de ononderbroken natuurlijke opeenvolging van de verschillende gedachten die zich voordoen, zonder in te grijpen, en zonder die gedachten op te pakken en ze een ‘thuis’ te geven. 

Het beoefenen van een dergelijk bewustzijn dat nergens verblijft, is niet gebonden aan een bepaalde vorm, zoals een meditatiehouding, een plaats, of een bepaalde tijdsduur. Een dergelijke beoefening heeft geen begin en geen einde. Ze is onophoudelijk. Het is ook geen beoefening die tot een bepaald resultaat leidt en waarvan men kan zeggen of ze geslaagd of mislukt is. 

Non-denken 

Huineng brengt deze beoefening ook in verband met een ande- re sleutelterm: non-denken. Hij omschrijft die als ‘niet denken te midden van gedachten’. Nu komen we bij het paradoxale gedeelte van de zen. Hij benadrukt dat het er niet om gaat om gedachten te onderdrukken, of vrij van gedachten te worden. Toch is het al dan niet aanwezig zijn van gedachten vaak een stiekem criterium van beoefenaars om hun meditatie te beoordelen. 

Als meditatieleraar spreek ik veel zenstudenten en die komen dan soms in een gesprek zich bij mij beklagen: mediteren lukt niet want ik heb al die gedachten, en dan moet ik steeds weer uitleggen: dat is niet erg. Dat geeft niet. Een gedachtenarm bewustzijn wordt vaak hoger ingeschat dan een met gedachten gevuld bewustzijn. Maar dit is niet de rechtdoor-zee-benadering van Huineng. De gedachtestroom is een natuurlijk verschijnsel, dat niet hoeft te worden ingedamd. 

Onophoudelijk ontwaken 

De ultieme consequentie van Huínengs plotselinge benadering is dat ontwaken niet een specifieke gebeurtenis kan zijn die in de tijd plaatsvindt. Want dat maakt het afhankelijk van de causale keten van voorafgaande gebeurtenissen. Daarom trekt Huineng de radicale consequentie: ontwaken is iets dat al onophoudelijk plaatsvindt in ons bewustzijn. Ons normale, alledaagse, rechtdoorzee-bewustzijn is een onophoudelijk ontwakend bewustzijn. 

Dat ontwaken is voortdurend reeds gaande – maar we zien het niet. Het komt niet in de vorm, het wordt niet manifest. Het komt niet aan het licht. De uitdaging van de gehele chantraditie is om steeds nieuwe manieren te vinden om dat onophoudelijk ontwaken van het bewustzijn aan het licht te laten komen. Via woorden, via stilte, via schreeuwen. Verhalen staan vol met ongebruikelijke tactieken van de zenmeester om de leerling toch tot dat onophoudelijk ontwaken te brengen. De chanverhalen zijn stuk voor stuk getuigenissen van ontmoetingen waarin dit lukte, op een unieke, niet herhaalbare manier. Die verhalen kunnen inspireren, maar geven tegelijkertijd geen enkel houvast. Er valt geen enkele methode aan te ontlenen. Ik zal toch een verhaal uit die zentraditie met u delen, er zijn er vele.

Er was een beroemd zenmeester die jarenlang op welke vraag er dan ook gesteld werd, maar één antwoord gaf. Namelijk, [de spreker steekt zijn wijsvinger op]. Dus wat men hem ook vroeg (wat is verlichting? waar gaat zen over?), het antwoord was die wijsvinger.
Dat kun je natuurlijk met van alles associëren: blijf in het moment, blijf bij jezelf, enzovoort. Er zijn allerlei interpretaties mogelijk, maar hij gaf er nooit een interpretatie van. Zijn naaste leerling, die hem veertig jaar meemaakte als assistent, raakte diep doordrongen van dit onderricht van de meester, dus toen andere leerlingen hem gingen vragen: waar gaat verlichting over, deed hij hetzelfde. 

Dit kwam de meester ter ore, en hij liet zijn assistent bij zich komen, en hij zei: ‘Je hebt nu al veertig jaar bij mij gestudeerd, heb jij nu een beeld wat de essentie van zen is?’ De leerling stak zijn vinger op en de meester pakte vliegensvlug een mes en sneed zijn vinger eraf. De leerling kromp ineen van de pijn en sprong op en neer en het bloed spoot overal rond natuurlijk. Hij rende naar de deur op zoek naar een manier om zijn pijn te lenigen en vlak voordat hij de deur uit zou gaan riep de meester zijn naam nog een keer. Hij keerde zich om… en bereikte de verlichting. Dat is het verhaal. Prachtig verhaal natuurlijk en ik ga het niet bederven door pogingen om dat van een uitleg te voorzien. En probeert u dit ook niet thuis, want het gaat om een unieke niet herhaalbare strategie, om op de een of andere manier te ontwaken tot dit wat nu gaande is.

We kunnen in de zentraditie dus veel verhalen vinden die proberen om dit iets dichterbij te brengen. Maar ook onze eigen westerse traditie kent die verhalen. Ik wil u een van die beelden meegeven van onze eigen Meister Eckhart, die vandaag al eerder ter sprake is gekomen. De ontmoeting tussen Meister Eckhart en zen is een van mijn passies, waar ik veel mee bezig ben. En die mij voortdurend treft en raakt om te zien welke parallellen te vinden zijn. 

Meister Eckharts godsgeboorte in de ziel 

Onze westerse traditie kent haar eigen verhalen. Bijvoorbeeld die van de dertiende-eeuwse dominicaanse prediker en mysticus Meister Eckhart. Beelden uit onze eigen traditie kunnen helpen om iets te benoemen wat we wel aanvoelen en ervaren, maar waar we geen woorden voor hebben. Soms zijn de boeddhistische woorden dan toch te ver weg. 

Tijdens een serie preken die Meister Eckhart hield rond Kerstmis, zei hij dat de geboorte van Christus niet een eenmalig proces was, een eenmalige gebeurtenis die tweeduizend jaar geleden plaatsvond. Die geboorte van de zoon van God vindt eigenlijk continu plaats in de diepste grond van onze ziel. Er is van moment tot moment sprake van een voortdurende godsgeboorte in de ziel. Die is voortdurend gaande, maar we zien het niet. God stort zich voortdurend via zijn zoon in ons uit. Hij baart zijn zoon voortdurend in ons. Maar wij zijn bezig met andere dingen. Wij hebben daar geen tijd voor. Wij hebben het te druk. 

Daarom spreekt Eckhart over het belang van een houding van gelatenheid: ophouden met doen, ophouden met willen, leeg worden. Maar niet leeg worden als een doel op zich. Nee, je moet juist leeg worden, zodat die volheid, die voortdurende geboorte van God, in je ziel aan het licht kan komen. En dat kan pas als je leeg wordt van wat je zelf allemaal wilt en vindt en voelt. Als je leeg wordt, kan die voortdurende geboorte van de zoon van God zich vrijuit manifesteren. U ziet hier hoe de verschillende tradities elkaar onderling verder kunnen belichten en verlichten. 

Van Huineng kunnen we leren dat de leegte waar Meister Eckhart over spreekt niet noodzakelijkerwijs een leegte is waarbij we niet meer denken, of helemaal leeg worden van gedachten, maar dat het erom gaat niet te denken te midden van gedachten – een ander soort leegte dus. En van Meister Eckhart kunnen we leren dat de boeddhistische nadruk op leegte en leeg worden niet een doel op zich is maar ook dient om een volheid aan het licht te laten komen. Het wordt in het boeddhisme en vooral in de zen niet altijd benadrukt, daar wordt niet over gesproken, maar die volheid is wel degelijk aanwezig. Dat wordt in termen als ‘boeddhanatuur’ of ‘zo-heid’ aan het licht gebracht en ik denk dat de manier waarop Meister Eckhart die beelden gebruikt ons kan helpen om meer oog te krijgen voor die volheid, waarvan men in de zentraditie zegt: ja, daar gaan we niet over spreken, daarover moeten we zwijgen. 

Meister Eckhart zegt voortdurend dat die godsgeboorte in de ziel niet in woorden te vatten is. Je ziet hem voortdurend worstelen: hoe kan ik een woord, een beeld gebruiken dat landt bij mijn gehoor – hij predikte voor nonnen – en dat helpt om iets bij hen te laten stromen? Eckhart was ook filosoof en hij wist heel goed dat hij eigenlijk niets kon zeggen over dit mysterie – en toch moest hij er steeds weer over spreken. Zoals wij er vandaag steeds weer over moeten spreken, al was het maar om voortdurend misverstanden op te helderen. De filosoof Wittgenstein zei eens dat filosofie alleen maar bedoeld is om misverstanden op te helderen. Wanneer de knopen in je denken zijn ontward, kan alles weer stromen, kan je hart opengaan en heb je de filosofie niet meer nodig. 

Van ervaring naar diep vertrouwen 

Het gaat niet om ervaring, maar om een heel diep vertrouwen. Een van de concepten waar spirituele zoekers erg gehecht aan kunnen raken, is dat ze verwachten dat die innerlijke ommekeer, waar we het over hebben, zich in hun leven zal manifesteren als een heel bijzondere ervaring. Plotseling voelt alles anders, niets is meer hetzelfde. Dat kan. Maar het hoeft niet zo te gebeuren.

Eckharts beeld van de voortdurende godsgeboorte in de ziel en dat van verlichting als een gebeuren dat altijd al in ons gaande is, kan ons helpen om minder bezig te zijn met bijzondere ervaringen. In een zengrap stormt een leerling de kamer van de meester binnen en zegt: ‘Meester, ik heb net de totale verlichting ervaren! lk zag een wit
licht, alles was één, en mijn ik viel helemaal weg.’ De meester glimlacht en zegt: ‘Maak je geen zorgen, dat gaat vanzelf wel weer over…’ 

Omdat Eckhart een mysticus wordt genoemd, zou je verwachten dat hij veel over spirituele ervaringen spreekt. Maar als je zijn preken leest, heeft hij het daar eigenlijk nooit over. Hij spreekt over de godsgeboorte en dat die aan het licht komt. Maar dat hoef je niet per se te voelen. Het hoeft niet een bepaalde gedaante aan te nemen. Je kunt niet zeggen: dat voelt zo en zo. Die godsgeboorte is sowieso al gaande, of je het nu ervaart of niet. 

In die zin gaat het niet om wat je ervaart, maar om een heel diep, grondeloos vertrouwen, een hartsvertrouwen waarvanuit we ervaren en accepteren en omarmen dat het zo is. En dan komt er een eind aan het zoeken naar een bepaalde ervaring, een specifiek inzicht. Er ontstaat een heel diepe ontspanning, waarin we beseffen: het is écht niet aan mij. Dan kunnen we een diepe innerlijke ommekeer ondergaan: niet mijn wil, maar Uw wil geschiede. Waarbij we voor die ‘U’ kunnen invullen wat we maar willen: God, verlichting, boeddhanatuur, het leven. Dan word je als het ware een voertuig, een werktuig waardoorheen het leven zijn werking heeft. Het is niet aan onszelf om te bepalen wat die werking is, en op welke plekje we die werking moeten uitoefenen. Soms kan het zelfs lijken alsof we op een plek worden neergezet. Door wie? Dat is de verkeerde vraag. Het is niet aan ons. 

De stilte ingaan 

Kun je iets doen om een dergelijke innerlijke revolutie dichterbij te brengen? Ja en nee. Dit is de grootste paradox van de spirituele weg. Enerzijds is er niets dat je kunt doen. Anderzijds zijn er vele verschillende spirituele wegen. Ik wil graag iets meer vertellen over wat een van mijn wegen is, namelijk ‘de stilte ingaan’. 

Met de Maha Karuna Chan zijn we regelmatig vijf dagen lang te gast in het Limburgse kloosterdorp Steyl, om er onder leiding van Ton Lathouwers ‘de stilte in te gaan’. Ik houd van deze term, omdat ze niet zo boeddhistisch beladen is als de term ‘meditatie’, laat staan de term ‘zenmeditatie’. Die termen roepen meteen allerlei beelden op van een moeizame worsteling om het denken tot zwijgen te bren- gen, allerlei onbegrijpelijke zenraadsels op te lossen, en zo een of andere ultieme verlichting te bereiken. Maar ‘de stilte ingaan’ is een praktijk die in alle religieuze tradities voorkomt.

Hoe ga je nu de stilte in? Je gaat zitten, zoals u nu al zit, natuurlijk, met een rechte rug, ontspannen. Je laat je armen ontspannen afhangen vanaf de schouders. De vingers van de linkerhand rusten in die van de rechterhand, in de schoot. Duimtoppen raken elkaar zachtjes. De ademhaling gaat natuurlijk, zoals het vanzelf komt. De ogen zijn dicht, of geloken. De gong wordt geslagen, drie keer. En dan ga je de stilte in. Dat betekent dat je ophoudt met ‘aan de slag’ te gaan met gedachten en gevoelens die opkomen. Ze hoeven niet ingezet te worden voor een of ander project. 

De aandacht is niet op iets in het bijzonder gericht. Sommige mensen volgen hun inademing en uit- ademing, omdat ze daar rustiger van worden. Dat kan. Maar je kunt je ook wijden aan het beoefenen van een ‘vrij zwevende aandacht’, zoals Freud dat noemde: een algehele aandachtigheid die zich niet vernauwt tot een bepaald object van aandacht. 

Op deze manier sta je de stilte toe om tot je te komen. Gedachten en gevoelens blijven voorbijkomen, ze stromen in en uit ons bewustzijn. Maar op de een of andere manier vinden ze hun natuurlijke ritme. Er is ook ruimte tussen die gedachten. En in die ruimte komt iets aan het licht dat eigenlijk altijd al actief is. In de zentraditie wordt dit wel ‘boeddhanatuur’ genoemd, of ‘zuivere geest’. Maar je kunt het ook ‘godsgeboorte’ noemen, of ‘Brahman’. Misschien is de meest neutrale benaming wel ‘licht’. 

Dat lijkt een heel vredig proces. De reis naar het licht, wie wil dat niet? Maar op die reis naar het licht komt ook juist alles wat duister is naar boven. Spanningen, frustraties, irritaties, pijn, verdriet, wanhoop: het lijkt wel of ze allemaal uitvergroot worden. Onze eigen pijn, maar ook de pijn van de ander, en de machteloosheid die we daarbij kunnen voelen. Ze nemen hun plek in de stilte in, en daardoor wordt er op heel subtiele wijze iets getransformeerd. 

Een dergelijk proces van transformatie onttrekt zich vaak aan de bewuste ervaring. Het vindt plaats ‘onder de motorkap’ of ‘onder de radar’. Ik gebruik weleens de metafoor van de tektonische platen die diep onder het aardoppervlak voortdurend in beweging zijn. Ik ben geen geoloog, maar heb begrepen dat deze tektonische platen heel langzaam bewegen, schijnbaar zonder enig effect. Maar dan opeens is er een aardbeving of een tsunami. Zo is het ook met het zitten in de stilte. Lange tijd kan het lijken alsof er niets gebeurt. Maar dan opeens kan er een heftige gemoedsbeweging zijn, een emotionele uitbarsting, een indringend inzicht, of zelfs een spirituele ervaring. Schijnbaar vanuit het niets.

Maar dat hoeft niet te gebeuren. De zenmeester Dogen heeft een mooie metafoor. Iemand die een uur buiten in de mist heeft gewandeld, komt helemaal doorweekt thuis. Zijn huisgenoten vragen hem wat er gebeurd is. Heeft het geregend? Is hij in het water gevallen? Maar hij zegt: ‘Er is helemaal niets gebeurd. Ik heb niets bijzonders meegemaakt.’ Maar hij is wel doorweekt. 

Een genade zonder afzender 

De innerlijke ommekeer blijft een mysterie dat niet valt te doorgronden. Eigenlijk is het enige wat je kunt doen er hartstochtelijk naar verlangen dat het opengaat, dat het gaat stromen. Bodhicitta heet dat in het boeddhisme: de geest, of beter gezegd het hart, dat gericht is naar die ommekeer en dat ernaar verlangt dat alles opengaat. Als we spirituele beoefening met die oprechtheid doen, dan kan er iets gebeuren. Er is een mooi christelijk gebed: ‘Laat een nieuw hart in mij geboren worden.’ Er kan een nieuw hart in ons geboren worden, waardoor we opeens op een heel andere manier in het leven staan. Niet omdat we iets bepaalds gedaan hebben. Niet omdat we een bepaald inzicht hebben. Het wordt ons geschonken. 

Bij iedere bewuste poging om ons bewustzijn te verruimen, te ontwikkelen, te ontplooien of te transformeren, verzanden we in een geleidelijke benadering van verlichting, waarin het bereiken van een bijzondere bewustzijnstoestand tot doel wordt gemaakt. We blijven dan steken in de droom. En toch moeten we iets ondernemen en moeten we iets beoefenen. De twintigste-eeuwse Japanse zenhervormer Hisamatsu (1889-1980) drukte het kernachtig uit: 

‘Wat je ook doet, het werkt niet. Wat ga jij nu doen?’ 

André van der Braak is verbonden aan de faculteit der Godgeleerdheid van de VU als hoogleraar Boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities. 

Bron: Het hart dat weet, symposionreeks 39

BESTEL HET HART DAT WEET

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *