Het Evangelie der Waarheid – inleiding door Konrad Dietzfelbinger – Over de kennis die verlicht

BESTEL ‘OVER DE KENNIS DIE VERLICHT’

GA NAAR HET WEBINAR OVER WAARHEID OP WOENSDAG 19 MEI 20.00 UUR

LEES MEER OVER DE WEBINARCYCLUS LEVEN IN EENHEID, VRIJHEID EN LIEFDE

Het derde deeltje van de Crystalserie van Rozekruis Pers gaat over twee gnostieke evangeliën die deel uitmaken van de unieke vondst bij Nag Hammadi in Egypte in 1945: Het Evangelie der Waarheid (dat wordt toegeschreven aan Valentinus) en Het Evangelie naar Maria. Hieronder volgen een gedeelte uit de inleiding over het Evangelie der Waarheid door Konrad Dietzfelbinger en de inhoudsopgave.

GEDEELTE UIT DE INLEIDING BIJ HET EVANGELIE DER WAARHEID

Het thema van het Evangelie der Waarheid wordt in de proloog duidelijk aangegeven. De uitzichtloze situatie van de mens, waarin de blijde boodschap van de waarheid zich baanbreekt, is een toestand van afgescheidenheid van de ‘Vader der Waarheid’ – de kennis omtrent de Vader is verloren gegaan. Deze staat van vergetelheid is de oorzaak van de chaotische toestand – zowel innerlijk als uiterlijk – van de mensheid, en van de vergankelijkheid van deze wereld van de verschijnselen.

Wie nu zichzelf en zijn situatie in de ze beschrijving herkent, wordt door dit evangelie direct aangesproken. Want, zo zegt het Evangelie der Waarheid, er is redding uit deze staat van onwetendheid mogelijk, en wel door de kennis waardoor de dwaling wordt opgeheven. Maar deze kennis is alleen mogelijk door de ‘Kracht van het Woord dat van de Vader tot de mensen uitgaat’. Het Evangelie der waarheid is dus de ‘openbaring van de hoop’ voor allen die zich in de staat van vergetelheid bevinden: het brengt hun de belofte van de verlossing uit deze staat.

Hoe kan de mens door kennis verlost worden? De tekst van het Evangelie der Waarheid beantwoordt deze vraag op steeds andere wijze en met steeds andere vergelijkingen. Telkens wordt gewezen op de spanning die bestaat tussen het van God afgescheiden Al en God zelf. Het Al, de mens inbegrepen, heeft in zijn bestaan een voortdurend en nijpend tekort aan God en aan de kennis omtrent God. En daarom zoekt het Al naar God, als een vacuüm dat gevuld wil worden. Want God is de volheid die het tekort kan aanvullen. En God komt het Al tegemoet in zijn zoon, de Kracht van het woord. Hij vult het tekort aan, zodat het al en de mens weer één met God kunnen worden – door de kennis van de Vader – door de Gnosis.

Er wordt daarbij uitgegaan van de zienswijze dat de mens vanaf zijn geboorte – en in feite reeds ver daarvoor – leeft in een toestand van vergetelheid aangaande zijn oorsprong en eigenlijke bestemming. Hij leeft principieel in een bestaansvorm waarin hij ten opzichte van alle anderen ingekapseld is – zo functioneert immers zijn ik – en tevens volkomen gescheiden van zijn ware, onsterfelijke zelf, dat één is met de Vader. Dat is de oorzaak van de dood, die niets anders is dan het verbreken van de harde vorm die de mens voor zichzelf heeft opgebouwd uit de harde kern van zijn eigenwillige trots.

Het stadium van de rups in zijn cocon, een toestand die hij, door vergetelheid, hardnekkig handhaaft, koste wat het kost. Terwijl het toch zijn bestemmig is als een vlinder vrij in het stralende licht te leven.

Wanneer echter zijn ware wezenheid weer aan de dag treedt, wordt hij zich bewust van de eenheid met de Vader en van de latent in hem aanwezige mogelijkheden en talenten om aan het grote godsplan tot redding van wereld en mensheid mee te werken. De toestand van zulk een mens zou totaal veranderen. Door bewust in harmonie met de eeuwige Vader te leven, hem te ‘kennen’ – de kennis van de Vader is immers in hem – zou hij onvergankelijk zijn en de dood zou alleen nog maar macht hebben over zijn sterfelijke, stoffelijke lichaam en niet meer over de nieuwe kern. Hij zou verlost zijn, vrij van zijn vergankelijke bestaansvorm, geheel los van het wiel van geboorte en dood, dood en geboorte.

Kennis, in de zin van het Evangelie der waarheid, is dus het zich bewust worden van de al zo lang vergeten eigenlijke bestemming van de mens. De oorspronkelijke krachten in hem worden werkzaam, het sterfelijke zelf verdwijnt en het ware Zelf wordt geboren. Dit ware Zelf behoort met zijn kracvhten en eigenschappen tot een volkomen andere dimensie dan deze vergankelijke wereld: het is één met de Vader, het is scheppende Kennis en Kracht.
Maar deze kennis kan de mens niet op eigen kracht verwerven. Hij is immers volledig verstrikt in de vergankelijke wereld en de dwaling. Hij bezit de mogelijkheid tot kennis, maar niet het vermogen die te realiseren. Daarvoor is een toevoer nodig van warmte en licht uit de dimensie van de Vader. Dat nu is het woord, Jezus, de ontferming Gods, de genade die zijn deel kan worden via mensen die zelf weer één zijn geworden met de Vader. Die daardoor in staat zijn aan serieuze zoekers naar waarheid en naar de weg tot waarlijke verlossing, de kracht van het woord, de boodschap van de Zoon, over te brengen. Uit zulke een bron moet het Evangelie der Waarheid zijn voortgekomen. Het behandelt in een reeks van steeds andere beelden en vergelijkingen, als elkaar opvolgende golven van krachtoverdraging, de huidige levensstaat van de mens in deze wereld en de weg tot terugkeer naar de Vader.

Allereerst wordt ons verteld hoe het al zich losgemaakt had van de Vader door verlies van de Kennis – en hoe de mensen in hun dwaling uit de materie scheppingen formeerden die vergankelijk waren, zoals het eigen lichaam. Weliswaar dikwijls van een boeiende schoonheid, als een weerschijn van de oorspronkelijke Waarheid, maar, omdat de dwaling geen wordtel heeft, zonder blijvende waarde.

Vervolgens wordt Jezus, de mens die uit de Kennis – de Gnosis – leeft en deze in woorden overdraagt, ons voorgesteld als een vrucht van de boom des levens: een vrucht die, in tegenstelling tot die van de boom der kennis van goed en kwaad, het Leven brengt: kennis als kracht, waarin de mens de Vader en de Vader de mens weervindt.

Aan de ‘boom des kruizes’ liet Jezus het vrijwillig aangenomen stoffelijke lichaam sterven in de kracht van de Gnosis, en het was daardoor dat hij de weg opende voor allen die hem wilden navolgen. Doch de dwaling, de onware wezenheid, verzet zich tegen haar ondergang, en dus willen velen de weg tot uitredding niet gaan.

In een tweede overdragen van de ‘kracht van de Gnosis’ wordt opnieuw de spanning geschetst tussen de volmaaktheid van de Vader en de vergetelheid waari nAl en menheid zijn gedompeld. De Vader ‘misgunt’ de mensen de volmaaktheid niet, doch openbaart hun, integendeel, het levende ‘Boek des Levens’, waarin de ‘gedachten des Vaders’ opgetekend staan: een ander beeld van de krachtlijnenstructuur van de Kennis.

De mensen kunnen dit boek niet zonder meer lezen, hoewel zij, daar zij immers eveneens ‘gedachten van de Vader’ zijn, vanaf de grondlegging van de tijden in dit boek beschreven zijn. Jezus, als de Zoon van God, kan het boek wél lezen, neemt het tot zich en openbaart het in het hart van de mensen, zodat zij zich van hun ware wezenheid bewust worden en daarmee van de kennis van de Vader. De vergetelheid wordt tenietgedaan en als een oud gewaad afgelegd, terwijl de nieuw verworven inzichten als een nieuw kleed worden aangetrokken.

In een derde uiteenzetting is de verhouding Vader-mens opnieuw aan de orde. Deze keer roept de Vader de mensen ‘bij name’. Zij dragen in het hart de kiem van hun ware wezenheid. Velen zijn echter dermate in de dwaling verstrikt geraakt, dat zij nog geen naam hebben en dus op de roep van de Vader neit kunnen antwoorden. Slechts wie uit de Waarheid is, hoort haar stem, neemt de Kracht van het woord in zich op, ontplooit daarin zijn ware wezen en verlaat de dwaling. Zo iemand krijgt dan weer deel aan de Naam van de ene – hij wordt één met de Vader.

In het daarop volgende deel wordt nader ingegaan op de afgescheidenheid. De oorspronkelijke toestand is dat de mensen één waren met de Vader, zij het nog onbewust van hun zelfheid en van de Vader Hun taak was: van de Vader uit te gaan om beide bewustzijnsaspecten te verwerven en van volgens de wetten van de Vader te handelen.

Dat had, stap voor stap, geheel volgens plan kunnen verlopen, waarbij de goddelijke ‘eigenschappen’ bij iedere stap méér hun deel zouden zijn geworden. Die eigenschappen worden in het Evangelie der Waarheid de letters van de Waarheid genoemd. Op zijn pad tot zelfstandigheid zou de mens deze letters hebben leren kennen. Zo zou hij steeds begeleid zijn geweest door het Woord Gods en de kracht daarvan.

In een kort gedeelte van de tekst wordt in dit verband de oeroude traditie van de tien Sephiroth, de tien ‘evenbeelden’ van God, zoals die in de Kaballah te vinden zijn, aangehaald.

Het woord, de kracht de Kennis, staat in verbinding met en wordt gedragen door de tien grote eigenschappen van God, die zich bij de verzelfstandiging aan de mens openbaren: scheppende wijsheid, vormende leer, bewustwordend inzicht, wil, vreugde, eer, beeld, rust, liefde en trouw.

Maar bij het proces van verzelfstandiging ging de binding met God en zijn eigenschappen teloor. de kennis verdween. De mens kon zich niet meer oriënteren en bracht de chaos in de wereld: ongelijkheid, jaloezie, strijd.

Jezus verscheen, de zoon Gods. Hij vermocht de letters van God te lezen en daarmee kon de veelheid tot de eenheid worden teruggevoerd Wie toestaat dat het vuur van het inzicht de materie verteert, zal in staat zijn de eenheid met de Vader terug te vinden.

Het proces van verzelfstandiging wordt ook beschreven als een door …

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

Het Evangelie der Waarheid

  1. Inleiding
  2. Tekst

Het Evangelie naar Maria

  1. Inleiding
  2. Tekst

Bron: Over de kennis die verlicht – Het Evangelie der Waarheid en Het Evangelie naar Maria met een inleiding door Konrad Dietzfelbinger, Crystalserie 3

BESTEL ‘OVER DE KENNIS DIE VERLICHT’

LEES MEER OVER DE TIEN UITGAVEN VAN DE CRYSTALSERIE

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *