Acht grondleggers van de moderne esoterie: Helena Blavatsky, Rudolf Steiner, Alice Bailey, Spencer Lewis, Max Heindel, Wim Leene, Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri

8 founders of western esoterism in the 19th en 20th century

 

In de geschiedenis zien we steeds dat uitgerekend in de greep van de diepste duisternis een nieuwe lichtende toorts oplaait.  Madame Blavatsky maakt in het jaar 1887 haar boek ‘Isis onsluierd’ wereldkundig. Daarin volgt ze weliswaar in grote lijnen de darwinistische redenering, maar ze plaatst de mensheidsontwikkeling in een veel ruimer, kosmisch verband.

Ze vestigt de aandacht van haar lezers, aan de hand van de nieuwste ontwikkelingen op het vlak van elektromagnetisme en atoomwetenschap, voorbij de stoffelijke verschijning op hun fijnere lichamen, etherische, astrale en mentale.  Tegelijk geeft ze aan hoe de mens geroepen is zijn geestelijke, vurige essentie opnieuw te ontdekken.

Ze spreekt in dat verband van de werkzaamheid van de vuurether, die voor de mens een brug slaat naar de monade, om op een lange ontwikkelingsweg de goddelijke zielevonk te kunnen bevrijden uit de tentakels van de stof.

Blavatsky (HPB) merkt op:  ‘Vuur is de meest volmaakte en onvervalste weerkaatsing, in de hemel zowel als op de aarde van de Ene Vlam. Het is leven en dood, de oorsprong en het einde van elk stoffelijk ding. Het is de goddelijke substantie’.

In het spoor van HPB schrijft Alice Bailey in haar magistrale verhandeling over het kosmische vuur. Daarin gaat ze niet alleen in op het vuur van het denken maar op het elektrische vuur van de geest, op de kundalini-energie en over de vernieuwing van het slangenvuur.

Na HPB is het aan Rudolf Steiner. Die combineert het visionaire vermogen waarmee hij kan lezen in de akashakroniek met een stevige natuurwetenschappelijke en brede filosofische vorming. Zo brengt hij de geestelijke afkomst en de toekomst van de mens in kaart in de diverse openbaringen van de aarde.  Van het vroegste bestaan in de warme Saturnusfase tot in de verre toekomst van Vulcanus.

Steiner trekt zijn antroposofisch mensbeeld door op tal van gebieden van de samenleving: van landbouw en geneeskunde tot kunst en architectuur. Zijn invloed op tal van creatieve denkers en kunstenaars in de eerste helft van de twintigste eeuw is – zeker in Nederland – dan ook niet te onderschatten. Dat strookt met zijn inspanningen om de menselijke ik-persoonlijkheid en haar omgeving zowel cultureel als spiritueel te verheffen.

In deze rij hoort naast Spencer Lewis ook Max Heindel thuis. In zijn ‘Kosmologie der Rozenkruisers’ beschrijft hij de geestelijke evolutieweg van de mens in toegankelijke en verstaanbare taal. Met zijn Rosicrucian Fellowship, die opereert vanuit Californië, wil hij de mens in zijn persoonlijk leven onderwerpen aan een ingrijpende levensreform. Zijn motto is: ‘een gezond lichaam, een liefdevol hart en een helder verstand’.

Dit werk van Heindel ondergaat vanaf de jaren twintig in Nederland onder impuls van Wim Leene en Jan Leene (die later de schrijversnaam J. van Rijckenborgh aan nam) een belangrijke vernieuwing. Door een krachtige verbindingslijn die ze trekken tussen de nieuwe theosofie en het gnostiek-christelijke en heidens-hermetische gedachtegoed. Ook ontwikkelen ze een beeld van de totale structurele verandering waar de huidige mens zich aan kan wijden.

Daarom maken de beide broers, en later ook Catharose de Petri, het transfigurisme tot kernstuk van hun wijsbegeerte. Zij bouwen met enkele getrouwen aan een geestelijke piramide waarvan de top een vurig vlammende driehoek is. En zo ontsteken zij als pioniers het vuur van de moderne gnosis van het Rozenkruis.

Bron: Op vleugels van vuur, symposionreeks, 2013

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *