Toelichting op het begin van hogepriesterlijk gebed uit Johannes 17 – wie het Licht kent gaat van glorie tot glorie

BESTEL HET ZEGEL DER VERNIEUWING

In haar boekje Het zegel der vernieuwing besteedt Catharose de Petri 5 van de 23 hoofstukken aan toelichtingen op het hogepriesterlijk gebed. Hieronder volgt hoofdstuk 9, dat gaat over het eerste gedeelte van deze lofzang.

Wij vestigen uw aandacht op de woorden van Johannes 17, die bekend staan als het hogepriesterlijk gebed. U zult deze zeer verheven taal gelezen hebben en wellicht de magische invloed daarvan hebben ondergaan. Doch u verstaat dat het ook belangrijk en noodzakelijk is om de inhoud van dit gebed te omvatten in het licht van de moderne geestesschool.

Reeds eerder mochten wij u zeggen hoezeer het Johannes-evangelie bij de gnostieken van onze jaartelling in hoog aanzien stond en staat en het is dan ook zo, dat dit evangelie een bron is van grote schatten, die onvergankelijk zijn en voor ons allen van onverwelkbare waarde. Wij zouden u graag willen bepalen bij de eerste drie verzen van het Johannes-evangelie, hoofdstuk 17.

Vader, het uur is gekomen, verheerlijk uw zoon,
opdat ook uw zoon U verheerlijkt,
zoals U hem macht gegeven hebt over alle vlees,
opdat hij eeuwig leven geeft aan allen die U hem gegeven hebt.
En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen,
de enige waarachtige God, en Jezus Christus,
die U gezonden hebt.

U weet dat deze woorden gesproken werden even voor de gevangenneming van Jezus. Ontdaan van de gewilde opzettelijk gepropageerde en gecultiveerde sentimenten van het natuur-religieuze publiek, wil dat zeggen, dat dit juichende hogepriesterlijk gebed vol is van de jubel van een volbrachte taak.

‘Het uur is gekomen’ wil niet zeggen het uur van de martelgang, het uur van de aanvang van een lijdenstijd, doch het uur van de bekroning van een rozenkruisgang is gekomen. U kunt zulk een rozenkruisgang zien als een gang die u zelf hebt te gaan; u moet er evenwel ook in schouwen de weg die wij als groep hebben te bewandelen. En eveneens is het van belang op te merken, dat de gnosis een gang gaat, een proces volvoert, teneinde allen die haar volgen willen, te kunnen dienen. 

Dit laatste is nu het geval in het hogepriesterlijk gebed. Deze lofzang heeft niet zozeer betrekking op een bepaalde ‘dan en dan’ in de historie optredende persoonlijkheid, doch op het Gode zij dank talloze malen in de historie naar voren tredende overwinningsfeit van de gnosis. 

Wij plaatsen u voor deze verheven jubel omdat wij hierin niet willen gedenken een gebeuren van bijna 2000 jaar geleden, doch de bekroning van een actueel gnostiek werkstuk voor déze eeuw, voor onze tijd, voor alle door de gnosis verbijzonderden. 

Daarom is het uur gekomen voor de verheerlijking van de zoon, opdat de zoon de Vader zal verheerlijken. Zie duidelijk voor u de hier bedoelde zoon als het stralende Licht van het eerste mysterie. De zoon is het Licht, het gnostieke vuur, dat nu in onze tijd van de Fundamentele straal uitgaat tot onze mensheid. En de verheerlijking van dat Licht wil zeggen dat het zijn doel bereikt heeft, dat het zijn resultaat zal gaan bewijzen, dat het zijn oogst zal bergen in de schuren. 

De verheerlijking wil niet zeggen: een sombere dood na onzegbare pijn, doch dat een gnostieke straal is geboren, een mateloos heerlijke taak heeft vervuld en nu de volheerlijke resultaten gaat tonen. Dat is het waarvoor wij u willen plaatsen. De verheerlijking van de gnostieke zoon die nu gekomen is, het Licht dat nu zijn werk heeft verricht, met overwinningsglanzen. 

Wat zijn die overwinningsaccenten? Het gaat om het glorieuze feit dat een gnostiek Licht, een goddelijk vermogen, ‘niet van deze wereld’, macht gekregen heeft over ‘vlees’, over natuurgeboren mensenkinderen die, in duisternis dolende, binding met dat Licht verkregen hebben, zó definitief binding, dat van ‘eeuwig’ kan worden gesproken. 

Wie binding heeft verkregen met de zoon. met het Licht van het eerste mysterie, heeft de eeuwigheid verkregen. Wat is het eeuwige leven? ‘Dat zij u kennen, de enige waarachtige gnosis.’

U moet ‘kennen’ hier verstaan als het binding verkregen hebben. Wie nu dat Licht zo kent, gaat voort van glorie tot glorie en van kracht tot kracht. Zullen ook wij afspreken voortaan uit dat besef van zulk een binding te leven? Ons, door het Licht gegrepenen, ons is de eeuwigheid die boven alle tijd verheven is. 

Bron: Het zegel der vernieuwing door Catharose de Petri

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *