Mirdad over het gebed – hoofdstuk 13 uit ‘Het boek van Mirdad’ van Mihail Naimy

 

BELUISTER OF LEES DE BEZINNING OVER GOEDE VOORNEMENS EN HET GEBED

BESTEL HET BOEK VAN MIRDAD

Mirdad: U bidt tevergeefs wanneer u zich tot een andere god wendt dan tot uw eigen zelf, want in u is zowel het vermogen om aan te trekken als het vermogen om af te stoten. En in u zijn zowel de dingen die u wilt aantrekken, als die welke u wilt afstoten. In staat te zijn iets te ontvangen, betekent ook in staat te zijn het weg te schenken.

Waar honger is, is voedsel. Waar voedsel is, daar moet ook honger zijn. Wie bedroefd wordt door de kwelling van de honger, kan ook de vreugde smaken van de zegen van de verzadiging. Ja, de behoefte sluit de voorziening in de behoefte in zich. Is de sleutel geen waarborg voor het slot? Is het slot geen waarborg voor de sleutel? Zijn slot en sleutel samen geen waarborg voor de deur?

Val niet haastig de smid lastig, telkens wanneer u een sleutel verliest of verkeerd gebruikt. De smid heeft zijn werk gedaan en hij heeft het goed gedaan; en van hem moet niet gevraagd worden hetzelfde werk steeds opnieuw te doen. Doe uw werk en laat de smid met rust; want zodra hij eenmaal met u gereed is, moet hij andere dingen gaan doen. Verwijder de stank en het afval uit uw geheugen en u zult de sleutel zeker vinden.

Toen de onuitsprekelijke God u door zijn Woord tot aanzijn riep, riep Hij in u zichzelf tot aanzijn. Daarom bent ook u onuitsprekelijk. En niet met een deel van zichzelf begiftigde Hij u, want Hij is ondeelbaar – maar allen begiftigde Hij met zijn gehele, ondeelbare, onuitsprekelijke goddelijkheid. Kunt u een grotere erfenis verlangen? En wie of wat anders kan u beletten u in het bezit daarvan te stellen dan uw eigen schroom en blindheid?

In plaats van dankbaar te zijn voor hun erfenis en ijverig te zoeken naar de wijze om die te ontvangen, zouden sommigen – blinde ondankbaren die zij zijn – van God een vuilstortplaats willen maken, om er hun kiespijn en hun buikpijn, hun zakelijke verliezen, hun twisten, hun wraaknemingen en hun slapeloze nachten heen te brengen.

Anderen zouden God als hun persoonlijke schatkamer willen hebben, waar zij op elk gewenst moment de klatergouden prullen van deze wereld waarnaar hun begeerte is uitge- gaan verwachten te vinden. Weer anderen zouden van God een soort persoonlijke boekhouder willen maken. Hij zou niet alleen moeten vastleggen wat zij schuldig zijn en wat anderen hun schuldig zijn, maar ook hun vorderingen moeten incasseren en immer een solide, royaal saldo te hunnen gunste moeten kunnen tonen.

Ja, vele verschillende taken wijzen de mensen aan God toe. Toch schijnen weinigen te bedenken dat, als God aldus met vele taken zou worden belast, Hij ze alle geheel alleen zou volvoeren en niemand nodig zou hebben om Hem aan te sporen of Hem eraan te herinneren.

Herinnert u God aan de uren waarop de zon moet opgaan en waarop de maan moet ondergaan?
Herinnert u Hem aan de graankorrel die in het gindse veld plots begint te ontkiemen?
Herinnert u Hem aan de spin die zijn meesterlijke schuilplaats spint?
Herinnert u Hem aan de jonge vogels in dat mussennest?
Herinnert u Hem aan de ontelbare dingen waarmee dit grenzeloze universum gevuld is?

Waarom drukt u uw nietige ikjes, met al uw onbeduidende behoeften, op zijn geheugen in? Bent u in zijn ogen minder begunstigd dan mussen, graan en spinnen? Waarom neemt u niet, evenals zij, uw gaven in ontvangst, om dan zonder ophef, zonder de knieën te buigen, zonder de armen te strekken en zonder bezorgd naar de dag van morgen te kijken, vol ijver aan uw werk te gaan?

En waar is God, dat u Hem uw grillen en ijdelheden, uw lofprijzingen en uw klachten in het oor zou moeten schreeuwen? Is Hij niet in u en overal rondom u? Is zijn oor niet veel dichter bij uw mond dan uw tong bij uw verhemelte? Zijn goddelijkheid, waarvan u het zaad bezit, is Hem genoeg. Als God, na u het zaad van zijn goddelijkheid te hebben gegeven, er zelf voor zou moeten zorgen, in plaats van u, welke verdienste zou u dan hebben? En welke levenstaak zou u hebben? En als u geen taak zou hebben te vervullen, maar God haar voor u zou moeten verrichten, welk belang zou dan uw leven hebben? Welk nut zou al uw bidden hebben?

Ga niet met uw zorgen en verwachtingen naar God. Smeek Hem niet voor u de deuren te openen waarvan Hij u de sleutels heeft verschaft. Doorzoek de onmetelijke ruimte van uw hart. Want in die oneindigheid van het hart ligt de sleutel op iedere deur besloten. Daar kunt u alles vinden, zowel het kwade als het goede, waarnaar u dorst en hongert.

Een machtig leger is te uwer beschikking gesteld om uw geringste opdracht uit te voeren. Goed toegerust, wijselijk onder tucht gesteld en onbevreesd geleid, is het in staat eeuwigheden te overspannen en alle hinderpalen naar zijn doel weg te vagen. Zo het echter slecht is toegerust, zonder tucht, en schuchter wordt geleid, veroorzaakt het grote onrust, of wijkt het bij het geringste beletsel haastig terug, met een zware nederlaag als gevolg.

Dit leger, o monniken, bestaat uit niets anders dan uit zeer kleine rode bloedlichaampjes die nu door uw aderen stromen; elk daarvan is een wonder van kracht, een volledig en eerlijk verslag van uw gehele leven en van alle leven in zijn verborgenste bijzonderheden.

Dit leger komt samen in het hart; vanuit het hart ontplooit het zich. Vandaar de faam van het hart en de eerbied die het geniet. Vanuit het hart wellen uw tranen op, zowel van vreugde als van smart. Naar het hart snellen uw angsten voor het leven en voor de dood. Uw begeerten en verlangens vormen de uitrusting van dit leger. Uw denken is de tuchtmeester. Uw wil de drilmeester en bevelhebber.

Als u in staat bent uw bloed toe te rusten met één opperste verlangen, dat alle andere verlangens in de schaduw stelt en ze doet verstillen; en aan één opperste gedachte de tuchtuitoefening toevertrouwt; en één opperste wil met de africhting en bevelvoering belast, kunt u er zeker van zijn dat dit verlangen wordt vervuld.

Bereikt een heilige geen heiligheid door zijn bloedstroom te reinigen van alle wensen en gedachten die met heiligheid in strijd zijn en door deze stroom dan met onwankelbare wil op geen ander doel te richten dan op het zoeken van heiligheid?  Ik zeg u dat iedere heilige wens, iedere heilige gedachte, en iedere heilige wilswerking, vanaf Adam tot op deze dag, de mens die zo op het bereiken van heiligheid gericht is, te hulp zal snellen. Want altijd is het zo geweest dat water overal de zee zal zoeken, gelijk lichtstralen de zon.

Volvoert een moordenaar zijn plannen niet door zijn bloed op te zwepen tot een waanzinnige moordlust en de bloedcellen in gesloten gelederen aan te voeren onder de zweepslagen van een door moordlust gegrepen gedachte, om ze dan met een meedogenloze wil te bevelen de fatale slag toe te brengen? Ik zeg u dat iedere moordenaar, vanaf Kaïn tot op deze dag, ongevraagd zal toesnellen om de arm van die zo moord-dronken mens te versterken en te richten. Want altijd is het zo geweest dat raven zich overal verenigen met raven, en hyena’s met hyena’s.

Bidden is dan ook: het bloed doordringen met één opperste verlangen, één opperste gedachte, één opperste wil. Het is: het zelf zo afstemmen dat het in volmaakte harmonie komt met datgene waarom u bidt.

De atmosfeer van onze planeet, die tot in bijzonderheden in uw hart haar afspiegeling vindt, draagt op haar golven ronddolende herinneringen aan alles waarvan het sinds haar ontstaan getuige is geweest. Geen woord of daad, geen wens of teken, geen vluchtige gedachte of voorbijgaande droom, geen ademtocht van mens of dier, geen schaduw, geen illusie, die daarin niet tot op deze dag hun geheimzinnige koers varen, en ze zullen zo blijven varen tot het einde der tijden. Stem uw hart op een daarvan af, en het zal zeker toesnellen om de snaren te bespelen.

Ge hebt geen lip of tong nodig om te bidden, maar veeleer een stil, waakzaam hart, een opperste verlangen, een opperste gedachte, en bovenal een opperste wil, die twijfel noch aarzeling kent. Want woorden zijn vruchteloos als het hart niet in iedere lettergreep bewust aanwezig is. En is het hart bewust aanwezig, dan moet de tong maar liever gaan slapen, of achter verzegelde lippen schuil gaan. Ook hebt u in het geheel geen tempels nodig om te bidden. Wie geen tempel kan vinden in zijn hart, zal nimmer zijn hart in enige tempel kunnen vinden.

Ik zeg dit wel tot u en tot anderen gelijk u, maar niet tot iedere mens. Want de meeste mensen zijn nog zwervers. Zij voelen behoefte om te bidden, maar kennen de weg niet. Zij kunnen alleen met woorden bidden en kunnen geen woorden vinden als ze hun niet in de mond worden gelegd. Zij zijn verloren en van vrees vervuld als zij in de onmetelijkheid van hun hart moeten ronddolen, maar worden kalm en getroost binnen de muren van tempels en in kudden van schepsels als zijzelf. Laat hen hun tempels oprichten. Laat hen hun gebeden uitzingen. Maar u en iedereen draag ik op te bidden om inzicht. Wie hongert naar iets anders dan dat, zal nimmer verzadigd worden.

Herinner u dat de sleutel tot het leven het scheppende Woord is. De sleutel tot het scheppende Woord is liefde. De sleutel tot liefde is inzicht. Vul uw hart met deze drie en bespaar uw tong de moeite van vele woorden, bespaar uw denken het gewicht van vele gebeden, en bevrijd uw hart van de gebondenheid aan alle goden die u met een gift tot slaven willen maken; die u met de ene hand liefkozen om u met de andere te slaan; die tevreden en vriendelijk zijn als u hen prijst, maar toornig en wraakzuchtig als u hen veroordeelt; die u niet horen, tenzij u roept en die niet geven, tenzij u vraagt en die, als ze gegeven hebben, dit maar al te vaak betreuren; van wie de toorn uw traan is; van wie de glorie uw schande is. Ja, bevrijd uw hart van al deze goden, opdat u er de ene God kunt vinden die, als Hij u met zichzelf vervuld heeft, u voor altijd verzadigd laat.

Bennoon: Nu eens noemt u de mens almachtig, dan weer kleineert u hem als een machteloze plichtverzaker. U laat ons eigenlijk in het duister.

Bron: Het boek van Mirdad door Mihail Naimy

BELUISTER OF LEES DE BEZINNING OVER GOEDE VOORNEMENS EN HET GEBED

BESTEL HET BOEK VAN MIRDAD