De ridder Gawan in het toverslot van Klingsor – een paragraaf uit ‘Het graalmysterie van Parzival’ door Benita Kleiberg

BESTEL ‘HET GRAALMYSTERIE VAN PARZIVAL’

De zestien avonturen die de middeleeuwse dichter Wolfram von Eschenbach beschrijft in zijn beroemde graalvertelling ‘Parzival’ kunnen worden gezien als symbolische weergaven van de spirituele weg die een mens kan gaan. Benita Kleiberg licht dat uitgebreid toe in haar boek Het graalmysterie van Parzival – verborgen lichtader uit een ver verleden van haar bedekking ontdaan. In het verhaal is niet alleen sprake van een moeilijk te vinden graalburcht, maar ook van een duidelijk zichtbare anti-graalburcht waar de zwarte magiër Klingsor 400 jonkvrouwen en 4 koninginnen gevangen houdt. Het lukt de ridder Gawan om de betovering die daarvan uitgaat te verbreken omdat er in hem een nieuwe bezieling en een daaruit voortvloeiende intuïtie werkzaam is. Hieronder volgt de tekst uit paragraaf 5.5 (p.168 t/m p. 172). 

LEES ALLEEN HET VERHAAL VAN HET ELFDE AVONTUUR, ZONDER TOELICHTINGEN

Na hartelijk te zijn ontvangen door de veerman en zijn dochter Bene gaat Gawan de volgende dag op pad om het toverslot van Klingsor, Schastel Marveile, met de gevangen jonkvrouwen, eens te bekijken. Hij voelt het vervolgens als zijn plicht de gevangen gehouden 400 jonkvrouwen en de 4 koninginnen te bevrijden. 

In tegenstelling tot de binnenkomst van Parzival, die hartelijk ontvangen wordt in de graalburcht, treft Gawan geen enkele levende ziel in het toverkasteel. Hier in dit kasteel wordt hij tot het uiterste op de proef gesteld. Hij komt in een zaal met een spiegelgladde vloer en ziet een wonderbed. Steeds als hij een stap in de richting van het bed doet, wijkt het van hem vandaan. Uiteindelijk lukt het hem er bovenop te springen. Als hij op het bed zit, begint het naar alle hoeken van de kamer te bewegen en zo hard te slingeren, dat het Gawan zeer veel moeite kost erop te blijven zitten. 

‘Gawan moest wakker blijven, al lag hij op het bed. Wat de held toen deed? Het lawaai was hem zozeer te veel geworden, dat hij het schild over zich heen trok; hij lag daar en vertrouwde op het bestier van Hem die alle hulp kan geven en die het nimmer moe geworden is eenieder te helpen die Hem in zorgen en verdriet om hulp weet te vragen. Hij bad de geweldige goedheid van Hem aan wie hij altijd zijn roem had toegeschreven om hem te behoeden.’

Het geweld met het bed houdt uiteindelijk op als hij zichzelf beschermt met  zijn schild, waarbij hij bovendien in gebed verzonken is. De imaginatie van het wonderbed verzinnebeeldt de werking van de onderbewuste natuur. Normaal gesproken ligt een mens op bed wanneer hij behoefte heeft aan slaap; dan verlaat hij zijn stoflichaam en reist hij door de ijlere gebieden van de kosmos. Met andere woorden: hij verlaat de aan ruimte gebonden wereld en treedt zo de ‘tijd’ binnen: de ruimte is nu in tijd veranderd.

Verleden, heden en toekomst zijn hier als transparante lagen over elkaar heen geschoven. Onverwerkte ervaringen uit het verleden of een vorige incarnatie kunnen hier voor ons geplaatst worden. De meeste mensen herinneren zich hun ‘nachtelijke ervaringen’ niet als zij wakker worden, maar Gawan moest ‘wakker blijven’, zo meldt ons de tekst. 

Hij moet dus met zijn dagbewustzijn het onbewuste waarnemen, dat normaal gesproken een mens slechts in een slaapbewustzijn kan ervaren. Een hele opgave! De dichter zegt ons dat Gawan hier alleen in kan slagen als hij zich met zijn schild beschermt en voortdurend zijn aandacht vestigt op God. Er wordt hier een stijd des harten geschilderd die slechts gewonnen kan worden wanneer het hoofd afdaalt naar het hart en zich overgeeft aan de godsvonk in het hart. 

Gawan moest wakker blijven, jawel! Maar hij kan het probleem niet oplossen met het denken. Het bewustzijn moet zich richten op het hart en bij voortduring de aandacht richten op het goddelijke vuur. Dat is de enige manier om de beproevingen te kunnen doorstaan. De ridders die vóór Gawan de toverburcht bezochten, hadden jammerlijk gefaald vanwege gebrek aan inzicht. 

Na de proef met het wonderbed krijgt Gawan nog een regen van stenen en pijlen te verduren, hetgeen hem danig verwondt en kneust. Het einde is nog lang niet in zicht, want na dit alles komt er een grote leeuw de kamer binnenstormen.

‘Een sterke leeuw kwam erdoor tevoorschijn, en die was zo groot als een paard. Gawan, die nooit graag vluchtte, greep het schild bij de riemen vast en sprong op de stenen vloer om zich goed te kunnen verdedigen. De grote sterke leeuw was door honger zeer vreeswekkend geworden, maar het mocht hem weinig baten. Woedend rende hij op de man af, maar Gawan stond klaar zich te verdedigen. Bijna had de leeuw hem het schild ontrukt: de eerste keer dat hij naar hem greep, sloeg hij zijn klauw dwars door het schild heen. Maar zelden had nog ooit een dier door zoiets hards kunnen klauwen. Gawan verweerde zich tegen het rukken van de leeuw en hieuw een poot van hem af. Op drie poten sprong de leeuw nu rond, de vierde bleef in het schild hangen.’  

De leeuw is in de esoterie altijd het symbool van de zon geweest. Zoals het zonlicht zevenvoudig gebroken wordt en uiteenvalt in het kleurenspectrum, zo spreidt de liefdekracht van Christus zich in zeven stralen, via de zeven planeten. Het eerste duidt hierbij op de stoffelijke verschijningsvormvan de zon, het tweede geeft de geestelijke werking van de zon. De geestelijke inwerking van de zevenvoudige Zonnelogos houdt direct verband met het hart. Wij allen worden beïnvloed door de werkingen van de zon, zowel door haar fysieke als geestelijke werkzaamheid. Maar de mate van openstelling voor de laatstgenoemde is zeer bepalend. Gawan is in het toverslot in een hevige hartsstrijd verwikkeld. De vraag is, op welke wijze hij in deze als overwinnaar naar voren kan komen. 

Er is reeds besproken dat de gemoedsstemming pas te veranderen is wanneer er gehoor gegeven wordt aan de stem van het hart. De aandacht moet gericht blijven op het hart, waar een vonkje van het goddelijk vuur verborgen ligt. Op deze stroom moet men vertrouwen. Gawan wordt door de leeuw belaagd, die woedend op hem af springt. Het zijn de krachten van de fysieke natuur die gevoed worden door de stoffelijke zon. De aardgebonden natuur houdt de mens in een ijzeren greep en dit laatste wordt pas knellend wanneer men zich daaraan wil ontworstelen. De strijd in het hart is een zeer moeilijke worsteling: Gawan wordt met alle bewogenheden die daar in huizen geconfronteerd. Alle natuur-gebonden krachten bundelen zich samen en storten zich op hem.

Bij de bespreking van de imaginaties werd uiteengezet dat de eigen angsten en gebondenheden naar buiten worden geprojecteerd en dan vaak als een externe hoedanigheid de mens belagen. De nog aan de fysieke natuur verknoopte zielenhoedanigheid van Gawan (eigenlijk Parzival) stort zich hier als een brullende leeuw op hem. Hij worstelt met de leeuw een strijd op leven en dood, pas wanneer het dier zijn klauw in het harde schild slaat, keren de kansen voor de dappere ridder. Dit schild had hij gekregen van de vader van Bene, de veerman waar hij zo gastvrij was ontvangen en dankzij dit schild blijft Gawan in leven. De veerman vertelde Gawan toen hij hem dit schild gaf, dat hij het eigenlijk nooit gebruikt had. 

‘Heer, ik zal u vertellen hoe u zich gedragen moet in dit dodelijke gevaar. Mijn schild moet u dragen, dat niet doorstoken is of stukgehouwen, want strijden doe ik zelden, en hoe zou het schild het dan ook te ontgelden krijgen?’

Geschilderd wordt hier, dat de enige manier om zich te verdedigen tegen de geweldige onrust die in het hart oplaait, de strijdloosheid is, verzinnebeeld door het ongeschonden schild van de veerman. Door een standvastige gerichtheid op de Lichtkiem en een consequente strijdloosheid kan het hart tot rust gebracht worden. In dit verband een toepasselijk citaat uit De mysteriën van de ware religie van Karl von Eckartshausen (fakkeldrager van het Rozenkruis 12):

‘Het gemoed is een lichtvonk, die on ons binnenste ligt en die de beeltenis van God is, het toegesloten rijk des hemels in ons. Dit gemoed is het innerlijkste heiligdom van de mens. Het voorhangsel en de wolk die voor het heiligdom hangt, vormen de geslotenheid van het gemoed. Wie de wil bezit de toegang te openen, in hem zal het licht zich verspreiden. Deze lichtspreiding is de verlichting van de mens.’

Het bovenstaande maakt duidelijk dat de verlichting, de verlossing in de mens zelf besloten ligt, maar dat de sluiers voor het hart verwijderd dienen te worden. 

Alhoewel hij zwaargewond is, doorstaat Gawan zonder wankelmoedig te worden de proeven van in het slot, de anti-graalburcht, met goed gevolg. Ten eerste wordt zijn gemoed beproefd door het wonderbed dat alle kanten op vliegt wanneer hij erop gaat liggen. Het verwijst naar een onderdompelen in de eigen astralis, een ervaring die een normaal mens niet zou kunnen verdragen. Slechts door voortdurend gebed, dus door zijn aandacht te vestigen op het goddelijke, slaagt hij erin het bed tot stilstand te brengen. Vervolgens wordt hij belaagd door stenen en pijlen en tenslotte moet hij een gevecht aangaan met de leeuw. Dit verzinnebeeldt de ongebonden krachten die van het hart uitgaan, de laatste natuurgebonden krachten, die zich in al zijn volheid op hem storten.

Gawan roept de strijd een halt toe door zijn onwankelbare gerichtheid op het goddelijke Licht. De leeuw blijft zodoende met zijn poot in het schild steken en Gawan hakt hem de poot af. De kracht van de gewone stoffelijke natuur wordt tot staan gebracht. De vierheid waarop het fundament van deze wereld rust, is gebroken; de leeuw moet verder op drie poten en sterft. 

Na een hevige strijd, met vele wonden overdekt, zijgt hij bewusteloos ineen met het hoofd op de leeuw. Door de wonderzalven die afkomstig zijn uit Mont Salvat, worden zijn wonden genezen en daalt er een weldadige rust op hem neer. Door de goddelijke kracht die hem tegemoet is getreden, werd hij in staat gesteld een bovenmenselijke prestatie te leveren en kon hij boven zichzelf uitstijgen. 

Het slot Schastel Marveille waar Gawan nu heer en meeste over is geworden, was het tegenbeeld van de graalburcht. Enkele tegenstellingen die dit gegeven onderstrepen, worden hier nu genoemd. De heilige Mont Salvat is voor de gewone mens onvindbaar. Er moet om dit gebied te betreden een ongewone prijs worden betaald. Deze prijs is voor de gewone sterveling ‘de dood’. Wie hier binnen wil treden moet dus naar de gewone natuur begrepen een gestorvene zijn. 

Het toverslot daarentegen is in het geheel niet moeilijk te vinden: het ligt boven op een hoge berg en is al van ver te zien. Parzival wordt op de graalburcht door een gezelschap ontvangen: men verwachtte hem blijkbaar. Hoe anders is de situatie op Schastel Merweile waar Gawan niemand aantreft. Daarentegen ziet Parzival de volgende morgen bij zijn vertrek niemand, terwijl Gawan juist na zijn handelingen als een held wordt bejegend. 

Klingsor, de heer van het toverslot, houdt 400 jonkvrouwen en 4 koninginnen gevangen met de bedoeling dat deze de zoeker naar de Graal verleiden en hem zo op een dwaalspoor zetten. Men vergelijke dit aantal met de 400 ridders die uit vrije wil op de graalburcht waren en deelnamen aan de graalmaaltijd.  

Bron: ‘Het graalmysterie van Parzival – verborgen lichtader uit een ver verleden van haar bedekking ontdaan’ van Benita Kleiberg

BESTEL ‘HET GRAALMYSTERIE VAN PARZIVAL’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *