Het verhaal over Gawan in het toverslot van Klingsor uit ‘Parcival – Ridder van de Graal’, naar Wolfram von Eschenbach

LEES EEN INTERPRETATIE VAN HET ONDERSTAANDE VERHAAL DOOR BENITA KLEIBERG

Toen Gawan ’s morgens ontwaakte, vernam hij lieflijk vogelgesirp en een kruidige lucht drong door het open venster in zijn slaapvertrek. Hij stond op en ging naar het venster. Daar zag hij de burcht die hij gisteren van veraf gezien had nu heel dichtbij. Uit de vensters van de hoogste toren keken weer vele schone vrouwen. 

Toen Bene hem zijn ontbijt kwam brengen, vroeg Gawan haar wie al deze vrouwen toch waren. Het meisje schrok en zei, dat zij zijn vraag liever niet wilde beantwoorden. Maar nu werd Gawan pas werkelijk nieuwsgierig en hij vroeg de veerman wat dat toch voor prachtig slot was, dat daar zo vlakbij lag. Ook de veerman ontstelde bij deze vraag. 

‘Om Gods wil,’ zo sprak hij, ‘stel deze vraag niet. Ze zou u het leven kunnen kosten.’

‘Nu, wat is er dan voor ergs aan die vraag? vroeg Gawan lachend. ‘Zeg het mij nu maar, want al zouden jullie mij niet antwoordden, dan zou ik het toch aan iemand anders vragen.’

‘Nu,’ antwoordde de veerman, ‘indien u het dan met alle geweld weten wilt, verneem dan dat je hier in het wonderland van Klingsor bent. Die burcht daar is zijn toverslot. Vierhonderd edele jonkvrouwen worden daarin door zijn toverkunsten gevangen gehouden. Reeds dikwijls hebben ridders getracht de vrouwen te verlossen, maar nog niet één van hen is daarvan levend terug gekomen. In de burcht staat een betoverd bed en wie daar niet in omkomt, die laat het leven in de vele andere gevaren die het toverslot nog biedt. Daarom verzoek ik u dringend, ga er niet heen!

Doch Gawan antwoordde: ‘Het zou toch een schande zijn hier laf voorbij te rijden, zonder de verlossing van de jonkvrouwen te wagen! Daarom vraag ik u om raad en bijstand, want met Gods hulp wil ik het proberen.’

Daarop sprak de veerman: ‘Als dat uw voornemen is, dan zal ik niet meer trachten het u te beletten. Want u bent voorwaar een dappere held, daar u gisteren heer Lischhoys Gewelljus overwonnen hebt, die toch wijd en zijd als de sterkste ridder gold. Ik zag slechts één ridder die nog sterker is dan u: een ridder met een rode uitrusting, die ik gisteren over de stroom heb gezet, vóórdat u kwam. Vijf ridders had hij even tevoren overwonnen, hun paarden schonk hij mij en hij zond hen naar Pelrapeire.’

‘Dat was Parzival!’ riep Gawan. ‘Was hij hier? O zeg mij, waar is hij heen getrokken? Had hij geen lust het avontuur in het toverslot te wagen?

‘Heer,’ antwoordde de veerman, ‘ik heb mij wel gehoed hem daar iets over te vertellen. Hij vroeg mij slechts naar de Graal en trok achteloos aan deze burcht voorbij. Indien u mij niet zo dringend erover gevraagd had, zou ik er met u ook niet over gesproken hebben, ik heb al te veel ridders er heen zien gaan, die niet meer terug kwamen.’

‘Breng mijn harnas hier,’ zei Gawan. Dat deed de veerman en zijn dochter hielp Gawan het aan te doen en zijn zwaard te omgorden. Daar Gawans schild de vorige dag in de strijd geleden had, gaf de veerman hem een ander, dik en breed en hij zei: ‘Heer, leg schild en zwaard in het toverslot vooral niet af. Doch uw paard kunt u zo lang aan de marskramer geven, die voor de poort zit, hij zal het u terug geven als u heelhuids uit het kasteel terugkomt. Moge God geven, dat u het avontuur doorstaat! Dan zal het gehele land rondom het slot uw eigendom zijn en u oogst veel roem.’ 

Gawan dankte de veerman en zijn dochter voor hun gastvrijheid en goede raad en reed welgemeod naar het slot. Al gauw stond hij voor de poort. Daar zat inderdaad een marskramer die bereid was zijn paard in bewaring te nemen. De poort stond wijd open. Onversaagd schreed de held over de zonnige binnenplaats van de burcht. Hij hoorde of zag niemand, het was heel stil, ook de vrouwen waren van de vensters verdwenen. 

Gawan besteeg een trap. Hij liep door lange gangen en kwam door vele kamers en zalen, maar nergens trof hij ook maar enig levend wezen. Tenslotte stond hij in een grote, hoog gewelfde zaal. Sierlijk gebeeldhouwde zuilen droegen de zoldering, die in heldere kleuren schitterde als de veren van een pauw. Langs de wanden stonden veel kostbare rustbedden met dikke, geborduurde kussens. 

Gawan wilde juist even gaan zitten, toen zijn aandacht getrokken werd door een geluid achter een half openstaande deur. Hij ging kijken en zag nu het wonderbed, dat op een spiegelgladde marmeren vloer van wand tot wand rolde. Hij trachtte het te naderen, maar het bed week steeds voor hem uit. Hij kon niet hard lopen op de gladde vloer en dus wachtte hij tot het bed weer in zijn richting kwam en sprong toen met schild en zwaard behendig er middenop. Maar nu begon het lieve leven pas. Het bed suisde zo snel als de wind en met een donderend lawaai door de zaal heen en weer, de hele burcht weergalmde van het geraas. Maar Gawan hield zich goed vast, dekte zich met zijn schild en beval zich in Gods hoede. 

Eindelijk kwam het lawaai tot rust, de bewegingen van het bed werden langzamer en het bleef midden in de zaal staan. Gawan voelde zich als geradbraakt, maar voordat hij weer op adem kon komen, overkwam hem nog iets veel ergers. Vijfhonderd slingers, door verborgen veren gespannen, gooiden hem met harde kiezelstenen, groter dan een manvuist. En een hagelbui van vijfhonderd pijlen, uit steeds weer opnieuw gespannen bogen, snorde om hem heen. Gawan beschermde zich, zo goed hij kon met zijn schild, maar desondanks liep hij enige kneuzingen en wonden op.

Toen de beproeving voorbij was, kwam een reusachtige kerel de zaal binnen. Zijn huid had schubben als van een vis en hij droeg een grote knots in de hand, waarmee hij op Gawan afkwam. Doch deze dacht: ‘Wat moet deze onverlaat zonder wapenrusting tegen mij beginnen?’ En moedig stond hij op van het wonderbed en liet niet blijken, dat elk deel van zijn lichaam hem pijn deed. 

‘Klingsor, want die was het die binnengekomen was, schrok toen hij zag dat de held nog leefde. Hij had verwacht Gawan stervend of bewusteloos te vinden, om hem dan met zijn knots de genadeslag te geven. Nu werd hij bang, trok zich met grimmige blikken terug en verdween weer.

Maar dadelijk daarop klonk een angstaanjagend gebrul en een grote leeuw sprong de zaal in. Gawan hield hem eerst zijn schild voor en het dier sloeg er zijn klauw in met zulk een kracht, dat Gawan het liet vallen. Daarna kwam de leeuw met open muil op hem afgesprongen, maar Gawan stootte hem met zijn laatste kracht het zwaard diep in de borst. De leeuw viel dood neer, maar Gawan werd tengevolge van de hevige inspanning door een duizeling aangegrepen: bewusteloos zakte hij in elkaar. 

Een tijd lang bleef het stil in de zaal. Toen keek een angstig meisjesgezicht door een raampje naar binnen. Zij zag de ridder op de met bloed bevlekte marmeren vloer. Bleek van schrik liep zij naar de oude koningin Arnive die veel over geneeskunde wist. Zij kwam dadelijk, knielde bij Gawan neer, maakte zijn helm los en luisterde naar zijn ademhaling. Daaraan bemerkte ze, dat de held nog leefde en snel liet ze één van de jonkvrouwen wat water halen en goot dat voorzichtig in zijn mond. 

Even later sloeg Gawan de ogen op en kwam weer bij. Hij groette de jonkvrouwen die om hem heen stonden en zij bedankten hem voor wat hij gedaan had: de betovering was verbroken en allen waren bevrijd! Zij verdrongen zich om Gawan en wilden hem allemaal verplegen. Maar de wijze Arnive gaf hem zalf die zijn wonden verzachting en heling bracht en een heilzame drank, waardoor hij in een diepe verkwikkende slaap viel.  

Bron: Parcival – Ridder van de Graal, bewerkt naar Wolram von Eschenbach door M. de Vries, 1975 (niet meer in druk beschikbaar)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *