Godsvrucht I – hoofdstuk 5 uit deel 2 van ‘De komende nieuwe mens’ – vernieuwing van het drievoudige slangenvuur

 

GODSVRUCHT 1GODSVRUCHT 2GODSVRUCHT 3

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS

Hieronder volgt hoofdstuk 5 uit deel 2 van De komende nieuwe mens, een magistraal geschrift waarin Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) de weg van transfiguratie uitgebreid toelicht.  Dit boek is heel veel gebruikt tijdens kleine bijeenkomsten om beginnende leerlingen vertrouwd te maken met de wijsbegeerte van het moderne Rozenkruis.

Vier treden van het zevenvoudige Pad hebben wij nu bestudeerd en wij gaan er thans toe over van verschillende zijden de vijfde trede voor uw bewustzijn te doen lichten: ‘Door de volharding de godsvrucht’. Mogen wij allereerst weer een beroep doen op uw herinnering (gebaseerd op 2 Petrus 1:5-7) :

  1. Schraag, met betoon van al uw ijver, de deugd: de lichtkracht van de Gnosis komt, door de werkzaamheid van het oeratoom, via het sternum onze persoonlijkheid binnen.
  2. ‘Door de deugd de kennis: de lichtkracht wordt met behulp van het thymushormoon en het bloed in het hoofdheiligdom geprojecteerd, met alle gevolgen van dien.
  3. ‘Door de kennis de zelfbeheersing: de kandidaat zal reageren op de suggesties van het licht-van-binnen en intelligent afscheid nemen van de zich eveneens in zijn systeem openbarende werkzaamheid der natuur.
  4. ‘Door de zelfbeheersing de volharding: voortgaand in zelfbeheersing zal de kandidaat zó leven, dat het Christuslicht dat, met alle ingrijpende gevolgen daarvan, in het hartheiligdom werd ontstoken, niet meer kan doven en immer brandende blijft.
  5. Geleid en gestuwd door deze brandende kandelaar beklimt de kandidaat vervolgens de vijfde trede: ‘Door de volharding de godsvrucht.’

Er gaat nu iets gebeuren, iets veranderen in de persoonlijkheid van de kandidaat. Er is niet slechts sprake van een verandering van levenshouding, van een spontaan zich richten op het pad vanwege het licht-van-binnen, maar van een geheel andere, nieuwe wezenswerkelijkheid, waarvoor structureel, lichamelijk, van-onderen-op de grondslagen worden gelegd.

Wij zijn uiterst dankbaar en gevoelen ons zeer gelukkig dat het ons vergund wordt u hierover enigermate in te lichten, want dit is opnieuw een voorafschaduwend bewijs dat de Dag der Dagen naderende is. Er nadert opnieuw een Pinksterdag, een heilig Pinksterfeest, en de Zeven Scholen hebben zich in te spannen om opnieuw het historische en tegelijkertijd profetische woord van Handelingen 2 waar te maken: ‘Er waren dienaren van Christus te Jeruzalem woonachtig, godvruchtige mensen, uit alle volken onder de hemel.’

Deze schare van godvruchtigen moet ook in onze dag worden samengelezen. Het zal de schare zijn die wij andermaal voor u aanduiden als de komende nieuwe mens. En reeds nu, in de onmiddellijke toekomst van heden, morgen en overmorgen, kunt u, als leerling van de geestesschool, de staat van de nieuwe-menswording binnentreden. Doch uitsluitend op basis van de vijfde trede; dat wil dus zeggen, zodra de kandelaar van het universele licht krachtens zijn vlammende werkelijkheid niet meer van zijn plaats kan worden weggenomen. Deze kandelaar baart in u de godsvrucht!

Maak u los en vrij van alle oppervlakkigheid terzake, die bij de religieuze massa aanwezig is en in het bloed der ontelbaren is verankerd door de grove onwetendheid der geestelijke leidslieden. Men zegt: ‘Godsvrucht is vroomheid. Een godvruchtig en dus vroom leven is: trouw naar de inzettingen van de kerk leven, en dus ook inderdaad een moreel hoogstaand en volstrekt consequent handelingsleven bewijzen.’ Niemand zal hiertegen bezwaar kunnen hebben, doch een dergelijke levenshouding heeft niets te maken met godsvrucht in de zin van de oorspronkelijke gnostieke bedoeling. Toch is door de eeuwen heen de mensheid de kennis van de ware godsvrucht nimmer onthouden. De wetenschap der oorspronkelijke godsvrucht is zo volkomen en volstrekt aan alle volkeren en rassen overgedragen, dat men zich verwonderen moet wanneer men een totale onkunde dienaangaande bij overigens hoogstaande mensen aantreft. Wij menen dat de wetenschap der godsvrucht vooral tot de mensen van onze moderne eeuw moet spreken.

U die gehoord en gelezen hebt van de vondsten onzer fysiologen, biologen en medici, weet van de macht van het oneindig kleine in een stelsel als uw lichaam. U weet wat een hormoon, een vitaminekern, een duizendste deeltje van een milligram medicijn, in het lichaam kan uitwerken. U weet hoe men met het hormoon van de schildklier en dat van de slijmklier de groeiprocessen van de mens kan beïnvloeden en wijzigen. U weet hoe deze hormonen ten nauwste verbonden zijn met de lichamelijke scheppingskracht, de moraliteit, en hoezeer zij het hele handelingsleven beïnvloeden.

En denk nu eens na! Als een mens door zulk een machtige lichtstraal als die van de Gnosis wordt aangegrepen, en dit licht als een bliksemschicht naar binnenslaat, en hart, hoofd en bloed lijfelijk beroert, dacht u dan dat dit medicamentum des heils, dit suprême geneesmiddel, in het leven, in het lichaam geen andere uitwerking zou hebben dan een burgerlijke religiositeit, een officieel erkende vroomheid?

De kracht van de Heilige Geest is heiligend, heelmakend. Zij is niet slechts in abstracte, filosofische en mystieke zin een geneesmiddel, doch tegelijkertijd lijfelijk, anatomisch, biologisch. Dit is het prachtige en heerlijke, maar tevens het ingrijpende en gevaarlijke!

Als de arbeid van de geestesschool louter opging in bezinning op het Onbeweeglijk Koninkrijk, dat de mens niet bezit, dat hij niet ziet, waarmee hij naar de natuur geen enkele binding heeft; als wij ons slechts zouden verliezen in tal van filosofische bespiegelingen, en als natuurlijke mensen zouden beweren: ‘Zo is het!’, welk verschil zou er dan bestaan tussen de geestesschool en een natuurreligieuze instelling? Als de leerling van de geestesschool, die het pad wil gaan, gelijk zou zijn of blijven aan hen die buiten de geestesschool staan, zou men zich terecht kunnen afvragen: ‘Waartoe al die inspanning? Waartoe al dat gepraat?’

Wie zich ernstig op het pad bezint en metterdaad besluit het te gaan, verandert echter van stonde aan lijfelijk, biologisch, anatomisch. U dient de logica daarvan in te zien: de mens staat in het hier opgesloten in zijn Adamitische hut, met alle gevolgen van dien. Welnu, als het pad des heils, het proces der universele genezing, werkelijkheid en waarheid is, moet het dus lijfelijk in het hier aanvangen, in het hier gegrondvest zijn!

Indien echter iemand alleen een hoorder des woords is, een beschouwer zonder meer, dan blijft hij een prater, iemand die het wel weet, doch niet doet. Bij zo iemand zijn woord en daad niet met elkaar in overeenstemming. Dit is begrijpelijk, want er is bij hem slechts sprake van een oriëntering vanuit de natuurstaat op de geestesstaat. Wie in de natuurstaat blijft staan, is op zijn best slechts een hoorder. Al zijn doen en werken is en blijft van de natuur, zeer ik- centraal en wereldgelijkvormig. Doch wie doorbreekt van de natuurstaat tot de geestesstaat verandert direct. En, zoals gezegd, niet slechts in morele, ethische, en religieuze gerichtheid, doch tegelijkertijd lijfelijk. Deze lijfelijke verandering nu is de godsvrucht. Zij openbaart zich op de vijfde trede van het zevenvoudige pad.

Daarom is dit woord gericht tot allen die besloten zijn het zevenvoudige pad te bestijgen, en in het bijzonder tot hen, tot die broeders en zusters, die zich voor de vijfde trede gereedmaken. De komende nieuwe mens zal zich in de naaste toekomst bewijzen. De dag van het nieuwe Pinksterfeest nadert. Als de vlam van het nieuwe licht op de vierde trede tot een voortdurend brandende kandelaar is geworden, is er sprake van een uit het gebeente voortkomende vuurkracht, die via het hartheiligdom binnenstroomt en voortgaat naar het hoofd.

Deze vuurkracht van de Gnosis heeft betrekking op een viervoudige etherwaarde, van geheel andere geaardheid dan de dialectisch bekende. De kandidaat wordt derhalve verbonden met de vier heilige spijzen.

Zulk een kandidaat, die deze binding mag vieren, is echter tegelijkertijd een natuurwezen, een mens van vlees en bloed, die staat en leeft in de dialectische natuur. Hij heeft dus tegelijkertijd de vier gewone natuurethers nodig. Indien de gewone natuurlijke etherstroom door de binding met de vier heilige spijzen plotseling zou worden afgebroken, zou dit onmiddellijk de dood ten gevolge hebben. Zie daarom op welke wijze deze mens, zij het dan tijdelijk, twee levens gaat leven: een leven dat steeds minder wordt, en een leven dat steeds wassende, steeds groeiende is.

U weet dat in het slangenvuursysteem een waterstofconstante, als zetel van het bewustzijn, aanwezig is. Het is de waterstofconstante der gewone natuur. U zult verstaan dat het onmogelijk is de waterstofether der vier heilige spijzen over te brengen in de gewone slangenvuurkolom, waarin het slangenvuur der natuur aanwezig is. Dat zou een gisting, een vergiftiging, een explosie bewerkstelligen. Een dergelijke ramp geschiedt steeds wanneer een mens met zijn dialectische bewustzijn, met zijn dialectische ik, dus met zijn dialectische slangenvuur, de waarden en krachten van de heilige Gnosis tracht te grijpen. Dan ontstaat voor korte tijd – een tijd die op zijn hoogst een paar jaar kan duren – een hevig vlammend licht, een koortsachtige activiteit, die echter abrupt, dus plotseling en dramatisch, afgebroken wordt, zoals dat het geval is met het leven van een komeet. Men kan geen nieuwe wijn in oude lederen zakken doen. Daarom wordt er in het lichaam van de kandidaat, die immers, zo lang het noodzakelijk is, ook nog leven moet naar de natuur, een tweede slangenvuur gevormd.

De mogelijkheid daartoe vinden wij in de sympathicus. Daarom wordt in de oude wijsheid de nervus sympathicus het tweede, toekomstige ruggenmerg genoemd. De nervus sympathicus bestaat uit twee zenuwstrengen, die links en rechts van de ruggengraat lopen. Hij gaat uit van een punt boven het verlengde merg, waar de twee strengen van de sympathicus en de directe invloedssfeer van de pinealis samenkomen.

De twee strengen van de sympathicus vormen feitelijk twee afzonderlijke velden. Het ene veld, rechts van het ruggenmerg gelegen, is scheppend; het tweede veld, links van het ruggenmerg, is openbarend van functie. Het ene veld is impulsgevend en mannelijk van functie; het tweede veld is reagerend en vrouwelijk van functie. Daarom werd het mannelijke veld der sympathicus bij de oude Ariërs pingala genoemd, het vrouwelijke veld ida. In het Boek der Handelingen wordt het mannelijke veld aangeduid als Ananias, het vrouwelijke als Saffhira, of, naar hun letterlijke betekenis, het veld der goddelijke genade en het veld der wonderbare schoonheid.

De stralingskracht van het openbarende veld van de sympathicus, het vrouwelijke, doorloopt alle kleuren van het spectrum, zoals bij alle saffiersoorten. Bij de gewone massamens is deze stralingskleur rood, bij de kandidaat van de vijfde trede is zij prachtig violet, zoals de amethist.

Bij de kandidaat van de vijfde trede groeien, in een langzaam veranderingsproces, de twee sympathicusstrengen aaneen, het scheppende en openbarende element verinnigen zich, het mannelijke en het vrouwelijke veld worden aldus anatomisch tot een eenheid, om uiteindelijk tot een drie-eenheid te worden zodra het oude slangenvuur uit het gewone ruggengraatsysteem op volkomen ongeforceerde en natuurlijke wijze langs de weg van het endura gedoofd is en het vuur der vernieuwing ook daarin kan optreden.

Wij zien nu bij de kandidaat van de vijfde trede het volgende tot ontwikkeling komen.

Wanneer door de bewogenheid van het oeratoom de radiaties van het gnostieke vuur het hartheiligdom binnengaan, zorgt in eerste instantie het thymushormoon voor de projectie daarvan in het hoofdheiligdom. Dit hormoon is slechts een tijdelijk hulpmiddel, zoals dit ook het geval is in de kinderleeftijd. In de kindertijd is de thymus een voorraadschuur van krachten tot latere zelfstandige groei. Deze voorraadschuur werd gevuld door de ouders van het kind. Bij de leerling geschiedt feitelijk hetzelfde, doch bij hem wordt de voorraadschuur gevuld door de vibraties van het oeratoom, tot mogelijke nieuwe geestelijke groei. Als nu het goddelijke licht in het hoofdheiligdom ontstoken is, zien wij hoe deze kracht in de rechterstreng van de sympathicus vloeit, tot in de plexus sacralis, gelegen onderaan de ruggengraat. Deze plexus sacralis is ten opzichte van het gewone slangenvuur vrijwel geheel geïsoleerd. Wij zien dus hoe de genadestroom van de Gnosis het gehele wezen vervult en afdaalt langs de toren der mysteriën tot in de aardse kamer der plexus sacralis.

Daar wordt pingala geconfronteerd met ida. Daar wordt het impulsgevende veld verbonden met het openbarende, reagerende veld. Nu dient de stroom via dit reagerende veld, dus via de linkerstreng van de sympathicus, weer op te stijgen naar boven, naar het ontmoetingspunt in het hoofdheiligdom. Dan is de tocht in de toren der mysteriën volbracht en wordt het nieuwe proces in werking gesteld. De impulsgevende gnostieke kracht jaagt naar beneden; de reagerende sympathicus stuwt haar antwoord, haar offerande, haar kind der genade, naar boven. De oude dichters zeiden dat deze opstijgende stroom een stroom van lofzegging en dankbaarheid is, een juichende blijheid, een stroom van vernieuwing. Daarom is het geen wonder dat de oude wijzen de sympathicus ‘de lier Gods’ hebben genoemd, het muziekinstrument door de Gnosis bespeeld.

Als u zich nu een voorstelling kunt maken van deze circulatie der gnostieke openbaring in de tweevoudige sympathicus, en als u kunt verstaan waarom de oorspronkelijk wetenden de plexus sacralis deze naam hebben gegeven: heiligende plexus, vanwaaruit de kracht van ida opvaart naar omhoog, dan zult u ook enigermate de gevolgen daarvan kunnen bevroeden: de sympathicus, aldus gegrepen in de gnostieke kracht, groeit uit tot een nieuw zenuwstelsel, er vindt letterlijk een wijziging van het lichaam plaats.

De nieuwe waterstofether openbaart zich via dit nieuwe zenuwstelsel, via dit nieuwe krachtlijnenstelsel. In het bloed komt een nieuwe hormoongroep vrij, die uitsluitend reageert op het nieuwe zenuwfluïde; een nieuw etherisch bloedsfluïde doet zich gelden, en aldus, o wonder, zien wij hoe een geheel nieuwe persoonlijkheid oprijst, als het ware in en toch buiten de oude persoonlijkheid der natuur: de persoonlijkheid van de komende nieuwe mens. Wie aan de bouw van deze nieuwe tempel begonnen is, wie daartoe wellicht nog slechts de eerste steen gelegd heeft, is een genadevolle, een heilvolle, een broeder of zuster van de vijfde trede.

Doch, let op en waak: ‘wie staat, zie toe dat hij niet valle!’ Daarom is het noodzakelijk dat wij u uitvoerig inlichten over de betekenis van het dramatische verhaal van Ananias en Saffira, dat ons in het Boek der Handelingen wordt geschetst.

Door middel van het wonderbaarlijke veld der sympathicus wordt het mogelijk de stad met de twaalf poorten der bevrijding te bouwen. Moge uw stad Christianopolis spoedig de grondslagen voor haar twaalf poorten oprichten. Moge de twaalfde poort, met haar amethisten glans, spoedig van u lichten.

Bron: De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh

BESTEL DE KOMENDE NIEUWE MENS