Het zien van de gruwelijke Medusa – hoofdstuk 11 uit ‘Het Gouden Rozenkruis’ van Catharose de Petri

BESTEL HET GOUDEN ROZENKRUIS

Als u de werkzaamheid van de wet van samenhang kent, dan weet u, dat door de werking van deze wet, de gehele mensheid in deze dialectische dreven een gebonden eenheid vormt. De dialectische mensheid vormt een collectief, en waar de som van onze biologische staat ons bewustzijn vormt, zo zult u zich kunnen voorstellen, dat er een totaal-bewustzijn is, een vertegenwoordigend bewustzijn van de gehele mensheid. 

Ook deze ‘vertegenwoordiger van de gehele wereld’ is een vanzelfsprekend verschijnsel in het dialectische algebeuren, voortvloeiend uit dezelfde biologische toestand als die van ieder ander wezen, dat dat ergens in het wereldrond voortkruipt onder de zon. Wanneer de Heilige Taal dan ook spreekt van de Overste van deze wereld, vestigt zij de aandacht op een onomstotelijk feit. 

Het totaal-bewustzijn omspant deze gehele bol als een wolk, als een atmosfeer. Wij behoren daartoe, wij zijn er één mee. Dit totaal-bewustzijn heeft twee aanzichten, geheel in overeenstemming met de geaardheid van de menswezens. Een goed aanzicht en een kwaad aanzicht.  In het kwade aanzicht grijst dit gelaat als de Medusa, als de Satan. In het goede aanzicht doet het zich voor als een verheven lichtgeest. De beide aanzichten tezamen geschouwd, worden in de Petrus-brief aangeduid als Lucifer, vol van grootheid, en vol gramschap. 

Wanneer wij nu in deze werkelijkheid onszelf gaan zien, dan wordt het duidelijk, dat ons bewustzijn geheel in harmonie is met het biologische totaal-bewustzijn. Zijn onze overleggingen boos, het totaal-bewustzijn voedt ontsluit zijn voorraadschuren, de Satan is mét ons. Zijn onze overleggingen en activiteit goed, het totaal-bewustzijn zet ons aan tot persoonlijkheidscultuur. 

Deze twee stromingen in het totaal-bewustzijn corresponderen dus met die van ons persoonlijk bewustzijn, en dus: onze rotatie rond de eigen as is gelijk aan de rotatie van de dialectische wereldas. Wij zijn één met de wereld, én met de wereldgeest, zoals we één zijn met de mensheid. Deze toestand-van-zijn is geheel en al in alle heilige boeken geschetst en kan op alle mogelijke manieren bewezen worden. Doch er zijn zeer weinig mensen, bitter weinig mensen, die van deze absolute waarheid ervaring bezitten.  

We kunnen iets als absoluut vaststellen, doch tastbare ondervinding is nog wat anders. Ervaring van de werking van de wereldgeest , ervaring van de gevangenschap waarin wij verkeren, bezitten wij eerst dán, wanneer wij voor een wijl losgeslagen worden van de wereldgeest, en boven het niveau van onze biologische staat uitstijgen. 

Eerst dán ervaren wij ten volle de benauwende en vreselijke greep van Satan en de valse verlokkingen van Lucifer. Eerst dán ervaren wij de strijd met de wereldgeest, waarmee deze ons weer tracht op te nemen in zijn atmosfeer. Van deze ervaring kunnen slechts die leerlingen spreken, die ook de lichtradiatie Christi, de genadevolle aanraking van de Heilige Geest, hebben gekend. Eerst in dit Licht en in deze kracht zien en ervaren wij de wereld-demon in zijn volle verschrikking. 

De leerling is in de aanvang – en denk aan alle klassieke legenden – het voorwerp van activiteit van twee werelden; hij moet aan de greep van de natuur ontstijgen om eeuwig zeker het Ware Licht toe te behoren. Het crisismoment van het onstijgen aan de natuur des doods, werd door de oude ingewijde leraren en hun leerlingen ‘het zien van de gruwelijke Medusa’ genoemd. Men zei: ‘Iemand die eenmaal Medusa gezien heeft, van aangezicht tot aangezicht heeft ontmoet, moet sterven.’

De naaktheid van de gevallen staat, de naakte waarheid van de eonenoude dialectische cultuur in haar resultaat in de ogen staren, beduidt een absoluut sterven van het gehele wezen van de oude natuur. Een serieuze leerling, die de volkomenste werkelijkheid van de dialectische natuur schouwt en daarmee als het ware lijfelijk geconfronteerd wordt, zal als in één secondenfractie ontstijgen. Daarom is het zien van de vreselijke Medusa het blijde ontstijgen aan de gevallen wereld met haar beide sferen. 

De leerling die in dat sterven staat, sterft naar de natuur van de verschrikking, doch de beginselen van het nieuwe leven in zijn microkosmos worden gekoesterd door de liefde-adem van God, opdat in deze goddelijke adem de nieuwe levensboom zal groeien, het nieuwe leven gaat ontwaken, om eeuwig zeker het Ware Licht toe te behoren.

Moge het u gegeven worden, u van dag tot dag dieper op deze dingen te kunnen bezinnen, opdat u steeds beter de weg zult zien, én de onvergelijkelijke koestering van de liefde van de Universele Broederschap. 

Bron: Het Gouden Rozenkruis door Catharose de Petri (fakkeldrager van het Rozenkruis 22), Rozenserie deel 4

BESTEL HET GOUDEN ROZENKRUIS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *