J. Anker Larsen – artikel over de beroemde Deense schrijver in Pentagram 1996 nummer 5

Liefhebbers van de boeken van Johannes Anker Larsen (1874-1957) weten, dat zijn romans door trokken zijn van levenswijsheid en van zijn ‘eeuwigheidservaring’; een uitdrukking die hijzelf gebruikte om een toestand uit te drukken die op den duur werkelijkheid voor hem was geworden. Hij was gaan behoren tot de ‘plaatsloze familie van eeuwigheidsondervinders.’

Uit fragmenten van zijn eigen levensverhaal, enige treffende passages uit zijn romans en citaten uit een van zijn lezingen mogen wij concluderen dat de auteur J. Anker Larsen duidelijk gnostiek georiënteerd was.

Terwille van een open deur voor ‘geestelijk dorstigen’, zoals hij dat noemde, heeft hij in zijn levensbeschrijving uitsluitend zijn spirituele ontwikkelingen op papier gezet. Het gebruik van het woordje ‘ik’ stond hem tegen, getuige zijn opmerking: ‘Ik heb nog nooit mensen mooier zien worden als ze het woordje “ik” gebruikten.’

J. Anker Larsen werd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw in Denemarken geboren. Hij groeide op in een boerengezin. Ofschoon de mensen in zijn geboortestreek niet bijzonder godsdienstig in gesteld waren, had hij toch reeds van jongs af aan een gevoel dat er iets ‘eeuwigs’ was. Hij onderging die gevoelens als een werkelijkheid die ‘in’ hem was en die hem tegelijkertijd als het ware omringde. Zo nu en dan kon hij die werkelijkheid duidelijk ervaren, ongeveer zoals zonnestralen voelbaar zijn op de huid. Overigens een vergelijking, die — zo zei hij zelf — uiteraard mank ging.

Af en toe kon het gebeuren, dat deze ‘hemelse zon‘ zo goed en zo diep in hem scheen, dat hij helemaal vergat dat er ook nog een wereld bestond met vriendjes waarmee je kon spelen en kattekwaad uit halen.

Naarmate J. Anker Larsen ouder werd, verdween dat hemelse zonlicht bijna onmerkbaar uit zijn bestaan. De schaduwen werden dichter en alles kreeg een grovere werkelijkheid. Tenslotte was de eeuwigheid voor hem als een verstreken dag. Hij merkte er niets meer van.

Diep van binnen bleef hij echter toch een gemis voelen. En zo werd hij ‘godsdienstig’ en hij ging voor dominee studeren. Het duurde echter niet lang, of hij kwam er achter dat de theologische faculteit een dorre plaats was voor een dorstige ziel. Hij vergeleek het daar genoten onderwijs met een kop koffie die wel als koffie werd aangeduid maar niets van koffie weg had.

Toen hij de theologische studie vaarwel had gezegd, kwam hij bij de theosofie terecht. Daar kreeg hij oog voor de ‘familiedocumenten’, zoals hij ze noemde: oude gnostieke geschriften als de Tao Teh-King, de Upanisjads, de Bhagavad Gita en werken van Soefidichters en christelijke mystici en tenslotte ook het Nieuwe Testament. Maar de werkelijk heid die hij zocht, kon J.Anker Larsen niet bij de theosofen vinden. Wel ontwikkelde zich daar een grote antipathie tegen de metafysica en hij ontdekte het grote gevaar van het occultisme.

Benauwd hijgen naar lucht

In zijn brochure ‘Van het werkelijke leven’ beschreef hij het occultisme van de toenmalige theosofen als een persoonlijke training om een fijn afgestemd instrument te verkrijgen, waarmee dan ‘kennis van de hogere werelden’ zou kunnen worden opgedaan. Maar, zo vroeg hij zich af, wat wint de occultist daarmee? Hij bestudeert de astrale wereld en breidt zo zijn uiterlijke kennis uit. Niets meer dan dat. Hij of zij ervaart zo beslist geen ontwikkeling van de ziel. Geen geestelijke groei! Menigeen heeft met dergelijke praktijken zijn psychisch en lichamelijk evenwicht verloren.

Zelf had hij trouwens ook een metafysische infectie opgelopen, die — zo zei hij — chronisch dreigde te worden. Voorts kon hij in de theosofische evolutieleer niets anders zien dan een ‘benauwd hijgen naar lucht’. In dit verband is het ook van belang dat hij zich duidelijk met de twee natuurorden bezighield en aspecten daarvan ook in zijn romans be lichtte. Hij duidde ze aan als ‘het opene’ en ‘het geslotene’ of ook wel als de ‘punt’ en de ‘boog’.

Twee natuurorden verklaard

In zijn roman Heiliging (1928) illustreert hij deze begrippen aan de hand van een man met een pijp die de jeugd in het dorp onderhield met diepzinnige verhalen. In een van die verhalen legde hij uit, dat de verkoolde binnenkant van de pijpenkop de zichtbare, toegesloten wereld voorstelde en de glimmende buitenkant de goddelijke wereld, het opene. Een en dezelfde pijpenkop dus en toch… een hemelsbreed verschil tussen de binnenkant en de buitenkant!

In zijn roman ‘Roes’ (1934) beleeft de hoofdpersoon een visioen. Daarin ziet hij een immens groot rad draaien, dat alles en allen onophoudelijk van beneden naar boven voert en even onvermijdelijk ook van boven naar beneden. Alleen in de as, in het punt dat in rust is, bevindt zich de eeuwigheid.

Onwillekeurig doet dit beeld denken aan een uitspraak van Jacob Boehme, dat God de wereld van de boze salniter heeft toegesloten, maar dat nochtans de Christus deze wereld in het hart heeft aangegrepen.

Heimwee naar de ‘hemelse zon’

Nadat J. Anker Larsen betrekkelijk ongeschonden uit de metafysische jungle van de theosofie was gekomen en hij na zijn teleurstellende ervaringen met lege handen stond, werd hij vervuld door een mateloos heimwee naar de ‘hemelse zon’ van zijn kinderjaren. Door dit heimwee gedreven, wendde hij zich telkens weer tot de familiedocumenten. Hij ontdekte niet alleen dat zij alle over hetzelfde spraken, maar ook dat deze geschriften geen overdenkingen waren. Het waren uit drukkingen van ervaringen! Van belevin gen! En daar was het J. Anker Larsen nu juist om te doen. Hij kon geen genoegen nemen met theorie. Hij moest de werkelijkheid zelf ondervinden!

Uiteraard ging deze zelfverwerkelijking ook bij J. Anker Larsen niet vanzelf. Er waren tal van belemmeringen die voor iedere serieuze zoeker naar waarheid gelden. Toen er weer een zekere openheid voor de ‘eeuwigheidszon’ was gekomen, was het vonnis van dat licht onverbiddelijk. Het luidde: Je leidt een totaal verkeerd leven. Tenzij je weer wordt als de kinderen, zul je het nieuwe leven niet beërven.

‘Welnu, dat was niet eenvoudig’, zegt de auteur, ‘want het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een volwassene om weer kind te worden.’ Hij herinnerde zich nog goed zijn angst om zich van de heersende ‘dagbladbeschaving’ te moeten ontdoen. Kennis, begaafdheid, gevoel van eigen waarde — hij moest er afstand van doen. Het was nodig om zich weer op één lijn te stellen met de eerste de beste boeren knecht.

Vervolgens, toen er enig resultaat was en hij enkele malen flitsen van het nieuwe leven had ondergaan, ging hij er intens naar verlangen. Hij trachtte die toestand op te roepen met zijn wil, maar dat verwijderde hem alleen maar van zijn doel. Ten slotte gaf hij ook die eigenwilligheid op en hij besloot om iedere dag die God hem gaf te leven naar de innerlijke bede: ‘Heer, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

Dit proces vergde tijd en oplettend heid. Maar, terwijl hij onderweg was, voelde hij hoe de boeien van tijd en ruimte losser raakten. Verlangen en gemis ten op zichte van personen of geliefde plaatsen werden minder. Niet dat zijn gevoelens bekoelden, maar hij voelde die gescheidenheid niet meer zo hevig als voorheen.

Oude menselijke gewoonten zijn hardnekkig

Op een gegeven moment had hij de sensatie dat zijn spirituele proces werd geleid door hogere entiteiten. Langzaam maar zeker werd het weer lente in zijn bestaan. Hij had nu steeds vaker intense ervaringen van de eeuwige werkelijkheid. Wanneer een goede vriend hem gevraagd zou hebben, waarom hij daardoor niet spoedig een heilige was geworden, zou hij hebben geantwoord, dat dit hem zelf ook telkens weer verbaasde. Er moest natuurlijk heel veel vuil worden weggespoeld en oude menselijke gewoonten zijn nu eenmaal hardnekkig.

De hemelse zon uit zijn kinderjaren was weer krachtig in hem gaan schijnen en voor hem tot een nieuw bewustzijn geworden. Dit feit heeft hem sterk bezield: in zijn boeken en in de lezingen die hij op uitnodiging gaf omdat hij hoopte geestverwanten te ontmoeten die nog bevattelijk waren voor hetgeen hem zo krachtig bezielde.

De eeuw van afleiding en verstrooiing

Zo heeft hij in de jaren twintig enkele toespraken gehouden voor de toenmalige School voor Wijsbegeerte in Amersfoort, waarin hij uitspraken heeft gedaan die nu — vlak voor het einde van de twintigste eeuw — zeker veelbetekenend zijn.

‘Wij leven in een eeuw van afleiding en verstrooiing. Elke nieuwe verstrooiing is als een schep vol zand, die in de diepte van het gedachteleven wordt geworpen. En de mens verheugt er zich nog in ook, niet vermoedend dat hij zich verheugt in zijn eigen ondergang.’

‘De komende generaties zullen steeds meer door het mechanische leven beheerst worden en een nieuwe ontspanning voor iedere minuut zal dan elke diepere gedachte overbodig maken. Daarbij zal de jeugd enerzijds vastgekneld worden in dogmatische boeien, waarin zij haar geest niet of nauwelijks zal kunnen uitdrukken. Anderzijds in een dorre verstandelijkheid, die in haar arrogante geesteshouding deze jeugd dusdanig wil intimideren, dat zij alle eeuwigheidsdrang voor dwaasheid zal houden.’

‘Gelukkig zal een aantal mensen niet zo heel lang tevreden zijn met hetgeen deze tijd als voedsel aanbiedt. Honger en dorst moeten tenslotte wel komen en enkelen dwingen om naar dieper bevrediging te zoeken. Reeds nu zijn er hier en daar op aarde mensen, die hebben opgehouden om pioniers te zijn in een leven, dat toch geen eeuwigheidswaarden in zich heeft. Zij hebben de noodzaak gevoeld God opnieuw te gaan zoeken.’

‘Ik kan niet anders dan hoopvol uit zien naar de tijd, dat deze mensen de keurbende der religie zullen vormen. Mensen die oude dogma’s zullen beschouwen als mooie, antieke dingen die men voorzich tig opzij moet zetten, opdat zij het nieuwe niet in zijn groei zullen belemmeren. In dien de mens ooit wil genezen, dan is dit noodzakelijk.’ Aldus J. Anker Larsen in een toespraak in 1927.

Mocht u twijfelen of dit spirituele pad al of niet alleen kan worden afgelegd, dan kunt u het antwoord vinden in ‘Koning Lear op klompen’, door J. Anker Larsen geschreven in 1933. Deze roman speelt in de jaren twintig. De hoofdpersoon zegt op een bepaald moment, dat het binnenkort niet meer mogelijk zal zijn om als eenling het pad van zelfrealisatie te gaan. De roman ‘Heiliging’ eindigt overigens met een oproep van de hoofdpersoon tot heiliging te komen.

Omdat dit artikel hoofdzakelijk gaat over ‘eeuwigheidservaringen’, laten wij J. Anker Larsen gaarne zelf aan het woord om te verklaren wat het eeuwige leven wel is en wat niet.

‘Het eeuwige leven vervolgt ons voortdurend als een ziekte, een soort geestelijke tuberculose, die zich op verschillende manieren negatief uit:

  • in fantasterij die niet genoeg heeft aan de geboden werkelijkheid en haar daar om vervalst;
  • in de voorstelling, dat de eeuwigheid iets is dat lengte heeft, en in het daaruit ontsproten geloof dat het eeuwige leven pas na de dood begint;
  • in het geloof aan het voortleven van de ouders in de kinderen die een bezoek aan hen tijdens hun leven al als een offer beschouwen;
  • bij meer spiritistische en mediamiek aangelegde personen uit ze zich in onrustige tafelpoten en in hectische godsdienstige deliria;
  • en zoals reeds gezegd, uit ze zich in een ‘benauwd hijgen naar lucht in de evolutieleer.’

Het eeuwige leven is een toestand van de ziel

‘Tot de jonge mensen die daarvoor nog openstaan, zou ik willen zeggen: het eeuwige Leven is niet een land aan gene zijde van de dood, waar de zon nooit ondergaat en waar geen einde is aan het getal der jaren. Het eeuwige Leven — ik kan het niet genoeg herhalen — is een toestand van de ziel en niet een voortzetting zonder meer. Het is ‘s levens diepste waarheid, die zich openbaart in en om het wezen van de tot heiliging gekomen mens.
Pas op voor al die goedbedoelende mensen, zij het op politiek, sociaal, maatschappelijk, religieus of wetenschappelijk gebied. Want er is haast niets dat zoveel kwaad veroorzaakt als het “goede”, het opzettelijk goede, het betweterige, verwaande goede, dat de mensen zo nodig, koste wat kost, opgedrongen moet worden. En staar je ook niet blind op die eeuwig rinkelende liefdadigheid die zich in deze landen in allerlei vormen aan ons opdringt. Die is niet veel meer dan een hoofdpijnpoeder voor de verwijfde migraine der mensheid.’

‘Laat jezelf niet meer voor de gek houden. Verlies de moed niet, maar bouw vol vertrouwen in je hart een altaar voor de onbekende God. De dag zal komen, dat Hij zelf het heilige vuur zal ontsteken op dit altaar dat je vol verwachting voor Hem zult hebben gebouwd. Naarmate meerderen onder ons zich daarop zullen toeleggen, zal de geur der paradijsbloemen dieper bespeurd worden in deze armzalige wereld van tijd en ruimte. Er zal een ónopzettelijke tederheid in deze mensen geboren worden, die van hen zal uitstromen, zonder aanzien des persoons. Deze machtige tederheid is de Eeuwigheidszon die schijnt over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Dât is het onopzettelijk goede, dat het enig wáre goede is.’

De humoristische Deen besluit ten slotte:

‘Al zou men mij in ruil voor het verworven nieuwe leven alles aanbieden wat maar begeerlijk is in deze wereld, met de belofte dit voor altijd onbeperkt te mogen genieten, ik zou er hartelijk om lachen en de hele zaak op de mesthoop gooien.’

Bron: Tijdschrift Pentagram 1996 nummer 5

LEES MEER OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN J. ANKER LARSEN