Het is voorbij – Kierkegaard over leven, sterven, onsterfelijkheid – boek van Andries Visser

BESTEL HET IS VOORBIJ

Na De mens is geest en Drijfveren is hier een waardig sluitstuk van een drieluik over het gedachtegoed van Søren Kierkegaard. In ‘Het is voorbij’ draait het om vragen rond zogenaamd ‘eenvoudige problemen’, die de kern van het mens-zijn raken. Wat is eigenlijk goed leven? Hoe ga je om met het onvermijdelijke einde daarvan? In welke zin is er een verband tussen de kwaliteit van je leven en de manier waarop je de dood tegemoet gaat? Is de dood het einde, of is dat minder zeker dan menigeen zegt te wensen of geneigd is te denken? Wat is onsterfelijkheid, wat zou het kunnen inhouden? Hoe werd Kierkegaard zelf met de dood geconfronteerd?

Vragen die voor iedereen actueel zijn, zeker in een tijd waarin de angst voor de dood alleen maar lijkt toe te nemen, en waarin de gedachte ‘dat je maar eenmaal leeft’ het bestaan onder grote spanning zet. Andries Visser verdiept zich samen met Lineke Buijs al decennialang in het leven en denken van de Deense filosoof. Veel van zijn werken vertaalden zij, waaronder al zijn ‘opbouwende toespraken’. In dit boek draagt hij opnieuw heel wat onbekend materiaal aan, ook als het gaat om Kierkegaards eigen leven.

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN ANDRIES VISSER OVER KIERKEGAARD

I OPMAAT

‘Vaar voort, schouwspel van het leven, laat niemand je een komedie noemen, niemand een tragedie, want niemand kent de afloop! Vaar voort, schouwspel van het bestaan, waar geen teruggave is van het leven, net zomin als van het geld! Waarom is er nooit iemand teruggekeerd uit de doden? Omdat het leven niet zo gevangen weet te nemen als de dood, omdat het leven niet dezelfde overredingskracht bezit als de dood. Ja, de dood weet voortreffelijk te overreden, als je hem maar niet tegenspreekt, maar hem aan het woord laat. Dan overtuigt hij in een oogwenk, zodat niemand er ooit een woord tegenin heeft weten te brengen of naar de welsprekendheid van het leven heeft terugverlangd. O dood, groot is je overredingskracht!’

Het is voorbij

Misschien komt de titel ‘Het is voorbij’ wel tamelijk prozaïsch op je over, of klinken die woorden in je oren zelfs als een dooddoener. Een dooddoener, met dat woord belanden we wel meteen in de enorme vloed van uitdrukkingen en gezegden waarbij sprake is van de dood. Zodra je in een woordenboek daarnaar op zoek gaat draait het je binnen de kortste keren voor de ogen. Een tijdlang had ik als werktitel ‘De dood voor ogen’, maar toen ik dat op een boekensite intypte passeerden er wel zestig titels, die allemaal iets met die uitdrukking te maken bleken te hebben.

‘Met de dood voor ogen’ klinkt tamelijk dramatisch; alsof je je in een strijdgewoel begeeft, wellicht met moed, maar onzeker over de afloop – of je het leven er niet bij inschiet. Nu, één ding is in ieder geval zeker: niemand van ons gaat het er levend afbrengen. Het strijdgewoel dat we ‘leven’ noemen eindigt voor iedereen met een zekere dood, en dan is het voorbij. Dat zekere einde, daar is meteen ook iets heel erg onzeker aan, want wanneer slaat de dood toe? En meteen hoor je trouwens alweer zo’n uitdrukking: de dood ‘slaat toe’.

Zoals gezegd de taal is vol spreuken en spreekwoorden waarin de dood een rol speelt. Wat te denken bij zoiets spannends als ‘met de dood op je hielen’, en wat een ellende als je van je eigen leven of dat van anderen moet concluderen dat ‘de dood in de pot’ is. Je kunt ‘vandaag nog rood zijn’ en toch ‘morgen dood’. Die uitdrukking komt trouwens bij onze Oosterburen weg: ‘heute rot, morgen tod’. Kierkegaard, wiens ideeën we in dit boek op ons laten inwerken, legt dat spreekwoord Hilarius Boekbinder, de uitgever van Stadia op de levensweg, in de mond. Aan de naam van deze heer hoor je wel dat in dit pseudoniem een ondertoon van het komische meeklinkt, maar zelf is hij zich dat niet bewust. Bloedserieus vertelt hij over de dood van ‘de heer literatus’ van wie, nadat hij een aantal boeken voor hem heeft ingebonden, er nogal wat papieren blijken te zijn achtergebleven (‘in de winkel zijn blijven rondslingeren’, zei zijn vrouw – die inmiddels ook overleden is). En ja, hoe gaat dat?

‘Want, zoals de Duitser zegt “heute roth morgen todt” en zoals de dominee zegt “de dood kent geen stand en geen leeftijd” en zoals mijn vrouw zaliger het zei “die weg moeten wij allen gaan” […]; zoals het alzo is gesteld dat zelfs de beste mensen dit leven moeten verlaten, was inmiddels de literatus gestorven.’

Op aanraden van de jonge huisleraar van zijn zoon besluit Hilarius de losse papieren op een of andere manier uit te gaan geven, want volgens die jonge vriend zijn deze aantekeningen ‘goud waard wanneer ze in de juiste handen komen’. Hij is ervan overtuigd dat Hilarius door het publiceren ervan zijn medemensen zeer tot nut zal zijn. En – je voelt het al aankomen – dat o zo waardevolle boek is natuurlijk Stadia op de levensweg van de ‘literatus’ Søren Kierkegaard.

Als titel koos ik na enig wikken en wegen Het is voorbij, en dat dus niet omdat er met ‘dood’ geen bijzondere uitdrukkingen te vinden waren, waar eventueel iets mee te doen viel. Maar in dit boek staat het werk van Kierkegaard centraal, en hij heeft op allerlei plaatsen indringend over leven, dood, sterven en onsterfelijkheid geschreven. Daarom ben ik bij hem op zoek gegaan naar een uitdrukking die voor de titel geschikt zou zijn.

Nu publiceerde hij onder andere enkele ‘toespraken bij denkbeeldige gelegenheden’, waaronder er een is met als titel ‘Bij een graf’. In die toespraak van veertig pagina’s – die dus niet zozeer bedoeld was om bij een bepaalde gelegenheid te worden voorgedragen, en die je daarom het best met een term als overdenking of overweging kunt aanduiden – stelt hij ‘de beslissing van de dood’ aan de orde. Daarmee bedoelt hij dat er in ieder mensenleven een moment komt waarop de dood beslissend in het leven ingrijpt, en dat het daarmee dan voorbij is. Veertig keer valt in die toespraak dat woordje ‘voorbij’, en dat constaterend was het me duidelijk dat ik daar iets mee moest als het om de titel van dit boek ging.

Er zijn vast wel lezers die bij dat dramatische woord ‘voorbij’ direct denken aan het gedicht ‘Herinnering’ van J.C. Bloem, waarin hij aan het slot ‘de niet te horen woorden’ fluistert: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’ Bloem wist als geen ander de weemoed te treffen van het ‘naar de dood toegaan’, dat volgens hem kenmerkend is voor alle leven. Een tweede associatie die ik bij dat woord had is te vinden in een gedicht van Achterberg, waarin hij zich een tafereel herinnert op een schilderij dat nu door het nachtelijke duister onzichtbaar is geworden. Erop afgebeeld zijn – dat herinnert hij zich nog uit ‘vandaag’ – ‘twee mensen, hand in hand, liggende op een bloemenwei’. Maar ook hij moet nu, met eenzelfde weemoed, constateren: ‘het is voorbij het is voorbij / het is een donker schilderij / gehangen aan de wand’. En dat geldt ook voor het leven: ‘het is voorbij voordat je het weet’, zei mijn oude grootmoeder.

Op diezelfde manier functioneert de uitdrukking ‘het is voorbij’ bij Kierkegaard in de genoemde toespraak. Hij zet er heel zijn verhaal mee in: ‘Nu is het dus voorbij.’ En daarop volgt dan een korte toespraak – ter nagedachtenis van een overledene, uitgesproken bij een graf – die eindigt met de woorden:

‘Nu is de toespraak voorbij. Er is nog maar één ding te doen: de dode met drie scheppen aarde weer aan de aarde toevertrouwen, zoals dat gaat met alles wat uit de aarde is voortgekomen – en dan is alles voorbij.’

Daarna staat hij – in de verhandeling die daarop volgt – stil bij de dood, en in het bijzonder bij het beslissende karakter ervan. In die uiteenzetting blijft dat woord ‘voorbij’ een zeer centrale rol spelen. Soms gebruikt hij het in kort bestek meerdere keren:

‘Het is dus voorbij. Of het nu om een kind gaat dat nog een heel leven tegoed heeft, en of het nu huilt over zichzelf – nu is het voorbij, het krijgt er geen ogenblik bij. Of het om een jong mens gaat met zijn schone verwachtingen, en of hij nu bedelde om al is het er maar één vervuld te zien – nu is het voorbij, er wordt hem geen stuiver uitbetaald van zijn vordering aan het leven. Al ontbreekt er nog maar een kleinigheid aan het roemrijke werk van een man, en al is dat werk een wereldwonder, en al zal de hele mensheid het werk nu mis- verstaan omdat het slot ontbreekt – nu is het voorbij, zijn arbeid is niet helemaal voltooid. Al gaat het om een enkel woord dat voor hem van levensbelang is, en al zou hij een heel leven willen geven om het te mogen uitspreken – nu is het voorbij, het woord blijft ongezegd. Bij de beslissing van de dood is het dus voorbij, er heerst stilte.’

De dood heeft die macht, ‘dat het voorbij is’, maar, zegt Kierkegaard er achteraan, dat betekent wel, dat de levende die dit bedenkt zijn recht behoudt ‘om te werken zolang het dag is’. En ‘ook al is er voor alle doden die gelijkheid dat het nu voorbij is, toch is er […] één ten hemel schreiend verschil’, en ‘dat verschil betreft de vraag wat voor leven het was dat nu met de dood voorbij is’. En dan zijn we terug bij onszelf, dat jij en ik bedenken dat het met de beslissing van de dood voorbij is, ‘en dat het ieder ogenblik zover kan zijn’. Die gedachte levert volgens mij stof tot nadenken genoeg.

Spelen met taal

Kierkegaard zelf was een taalkunstenaar, en dat bleef hij tot op het eind van zijn leven. In een late dagboekaantekening schrijft hij dat het ‘misschien wel wat kinderlijk is om je met zoiets te vermaken’ – en ook dat ‘wat Socrates gezegd heeft natuurlijk maar al te waar is: ik vind dat ik, nu ik zeventig jaar oud ben, niet meer als een kind mijn spreekstijl moet bijschaven’. Weliswaar komt het nu minder vaak in hem op, ‘toch kan het plotseling in me wakker worden, weemoedig, mijn oude behoefte om te spelen met taalvormen’. Hij vindt namelijk dat hij ‘als prozaschrijver in staat is om allerlei stemmingen te bewerken, die zelfs een dichter niet mooier en waarachtiger kan teweegbrengen, en dat enkel en alleen door de taalvorm’.

‘Soms heb ik zo uren kunnen zitten, verliefd op de klank van de taal, dat wil zeggen, wanneer het uitgesprokene van een gedachte erin doorklonk. Op die manier heb ik uren kunnen doorbrengen, als een fluitspeler met zijn instrument. Het meeste van wat ik geschreven heb, heb ik vele, vele keren, soms misschien wel twintig keer, hardop uitgesproken voordat ik het neerschreef. Hoewel ik het meeste wat ik schreef in een ander opzicht currente calamo [in gestrekte draf] heb geschreven. Maar dat had dan te maken met het feit dat ik wandelend alles al vlot had gekregen.’

Zo met de taal bezig te zijn geweest, met zinsbouw en woordkeus, hij noemt het ‘een wereld van herinneringen’, zozeer heeft hij erin geleefd en ervan genoten en zoveel ook heeft hij beleefd ‘in het ontstaan van de gedachten’, hoe die ‘zochten naar een uitdrukkingsvorm, totdat ze haar vonden’.

‘En ook al was die vorm er meestal vrijwel meteen, dan toch bleef ik zoeken (en dat was het eigenlijke werk, dat erop volgde: dat spelen met de stijl – want ieder die werkelijk gedachten heeft, heeft ook wel onmiddellijk een vorm) tot elke, zelfs de kleinste onbeduidendheid klopte. Dan pas kon de gedachte, zoals we wel zeggen, zich helemaal in de vorm nestelen.’

En in diezelfde aantekening volgt dan direct hierna een vlijmscherpe constatering over de ontvangst van zijn werken in de Deense lezerswereld, en wat daarvan te denken:

‘Eigenlijk is het zo overtuigend, wat er gebeurd is, het is in zeker opzicht zo duidelijk, zo veelbetekenend, dat mijn tijdgenoten zich hebben beziggehouden met mijn kleren, dat ze die het best begrepen hebben. Over mijn tijdgenoten kun je met recht zeggen: ze kozen het betere deel. Ik zal er niet over klagen, want in zeker opzicht heb ik aan de bestialiteit van mijn tijdgenoten heel veel te danken. En bovendien geloof ik dat het me in elke tijd precies zo vergaan zou zijn.’

Daar is hij natuurlijk ook wel eens verbitterd over geweest, maar soms kan hij er met een mengsel van humor en ernst over schrijven, bijvoorbeeld waar hij zegt dat ‘naar de mening van zijn kapper (en wie geen gelegenheid heeft om via kranten met de tijd mee te gaan, kan zich gerust tevreden stellen met een kapper, die dan ook in vroeger tijden, toen er nog geen kranten waren, al zoiets was wat de kranten nu zijn) moet onze tijd een heel bewogen tijd zijn’. De tijd is volop in beweging, en ook het leven van de mensen is dat, zo zelfs dat hun bestaan maar voortgaat, ‘totdat de dood komt en een einde aan zo’n leven maakt, zonder dat hij werkelijk een einde meebrengt in de zin van een conclusie’. Want kijk, dat een leven voorbij is, dat is één ding, iets anders is het echter ‘dat een leven voltooid is doordat het zijn eindconclusie heeft gekregen’.

‘Om een levensconclusie te vinden is het eerst en vooral noodzakelijk om je levendig te realiseren dat dit is wat er nog ontbreekt, en dat vervolgens ook werkelijk levendig als een gemis te ervaren.’

Maar ook al leef je dus in wat je noemt ‘een bewogen tijd’ en ontbreekt het heel veel mensen daarin aan een conclusie, dan betekent dit nog niet dat er ook niets wordt geproduceerd. Nee, er wordt juist des te meer geschreven, kranten en bladen vol, maar van enige samenhang is nauwelijks iets te bespeuren. Dat heeft dan natuurlijk tot ‘gevolg dat het bereiken van een conclusie steeds moeilijker wordt, omdat er in plaats van het beslissende van een conclusie een stilstand intreedt, die je in geestelijk opzicht kunt vergelijken met wat verstopping is voor een lichamelijk organisme’.

Wie ziet wat hier aan de hand is zal onder zulke omstandigheden eerder ‘een vorm van dieet aanbevelen’, maar die anderen zullen telkens van dienst willen zijn ‘met steeds maar weer nieuwe opdrachten, voorstellen, wenken, zinspelingen, vingerwijzingen, projecten, kortom met van alles dat, omdat het alleen maar bij het begin blijft steken, het ongeduld aanwakkert’. En op die manier zal het verwerven van een conclusie alleen nog maar verder uit beeld raken. Denkend aan onze eigen tijd kun je je haast niet voorstellen dat dit in 1847 geschreven werd, want hoe actueel is dit!

IV LEVEN VOOR HET GOEDE

Het goede

Wat is dat eigenlijk, ‘het goede’? In dit boek ga ik er in ieder geval niet van uit dat je om tot een antwoord op die vraag te komen een of andere theorie nodig hebt, alsof ‘ethiek’ – een leer van moraal en moreel – iets zou zijn waar wetenschappers zich over buigen en moeilijke opstellen over mogen of moeten schrijven, terwijl het niet aan ‘gewone mensen’ gegeven is daar zelf over na te denken en te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad. Het goede is iets wat je ‘op het oog’ kunt hebben, waar je op uit kunt zijn, waar je in heel veel situaties haast intuïtief weet van hebt. Natuurlijk, in allerlei omstandigheden kan een bittere of onzekere twijfel zich van je meester maken, weet je werkelijk niet wat te kiezen.

Ik weet van mensen die tijdens de corona-crisis enorm gedubd hebben of ze zich nu wel of niet moesten laten inenten, en aan wie ook alleen al het gebruik maken van een QR-code om een restaurant of een bioscoop binnen te mogen knaagde aan hun geweten. Het goede, dat vraagt dus voortdurend om bezinning, en soms kom je er ook pas veel later achter wat je ‘eigenlijk’ had moeten (en willen) doen, en kun je alleen maar spijt hebben dat niet te hebben gedaan.

Als begrip komt ‘het goede’ meer dan duizend keer voor bij Kierkegaard, in het bijzonder ook in één van zijn opbouwende toespraken, over de ‘zuiverheid van hart’, die erin bestaat onverdeeld één ding te willen. Om werkelijk het goede te willen moet een mens volgens hem alle verdeeldheid zien kwijt te raken, zich dus met alles wat in hem of haar is erop toeleggen altijd maar weer voor één ding te gaan, want wie werkelijk één ding wil, die wil het goede. Het goede is het enige dat je alleen om zichzelf kunt willen. Als je dat nog moeilijk, en wellicht onduidelijk vindt, dan zal in de loop van dit hoofdstuk wel helderder worden wat hij daarmee bedoelt en hoe je dat in je eigen leven zult kunnen toepassen.

Al in zijn proefschrift ‘Over het begrip ironie’ houdt Kierkegaard, en daar dan allereerst in navolging van de Griekse filosoof Socrates, zich bezig met het ‘vraagstuk’ van het goede. Hij laat daar bijvoorbeeld zien hoe Xenofon, een van de mensen die over Socrates heeft geschreven, het idee oppert om het goede naadloos te laten samenvallen met ‘het nuttige’, een neiging die je ook in onze tijd wel tegenkomt. Het neo-liberalisme staat bol van het al dan niet economisch nuttige. Als benadering van het goede is het nuttige echter uiterst diffuus en dubieus, laat staan dat het ermee zou kunnen samenvallen. Wanneer noem je iets nuttig, en wat versta je daar dan eigenlijk onder? Bovendien, voor wie moet het dan nut hebben, voor jezelf of voor een ander, misschien zelfs voor ‘de gemeenschap’? Is nut zoiets als voordeel?

Zoals je ziet, de vragen stapelen zich binnen de kortste keren op. Waar jij voordeel van hebt, dat is vaak maar al te duidelijk, maar of dat ook het goede is, daar valt in veel gevallen beslist aan te twijfelen. En het wisselt ook nogal, dat nuttige. Het nuttige, zegt Kierkegaard in dat verband, is ‘een vluchtig moment in de wisseling van het leven’. Zodra de omstandigheden veranderen of je eigen situatie wijzigt, blijkt het nuttige heel gemakkelijk mee te buigen, en dat zou je van het goede toch eerlijk gezegd niet verwachten.

Dus, wat is het goede? En dan blijkt Xenofon wel vaker die indrukwekkende drie begrippen uit de Griekse filosofie – het goede, het schone en het ware – in te ruilen voor een wat alledaagser en goedkoper drietal: het nuttige, het bruikbare en het bestaande. En meteen herleidt hij in het verlengde daarvan het sympathetische tot het lucratieve (de sympathie die je iemand bewijst moet natuurlijk wel wat opleveren), en het streven naar een harmonische eenheid herleidt hij tot nuchterheid (want dat zweverige gedoe, dat is immers nergens goed voor). Opvallend is wel dat er, bij deze tamelijk platvloerse interpretatie, van de ironie van Socrates maar bitter weinig overblijft. Socrates wordt bij Xenofon eerder een kleine kruidenier dan een uitdagende gesprekspartner die zijn ondervragers voortdurend op het verkeerde been zet en die hen ermee confronteert dat wat ze denken te weten nogal eens op drijfzand gebouwd blijkt te zijn.

Met Plato komen we volgens Kierkegaard dichter in de buurt van wat Socrates werkelijk te melden heeft, en blijkt het goede alles te maken te hebben met het schone, en dan in het bijzonder met de liefde. Beide, zowel het goede als de liefde, berusten volgens Plato op een diepe behoefte die in ieder mens aanwezig is, een innerlijke drang waarop ieder mens is aangelegd. Aan beide zullen we dan ook in deze afdeling over het (goede) leven de nodige aandacht besteden.

Op het moment dat Socrates bij Plato heel concreet wordt over het goede komt hij op de proppen met het begrip ‘deugd’, en dan vraagt hij zich af of deugd iets is wat je kunt leren. Dat blijkt niet het geval, iedereen heeft volgens hem in zijn innerlijk weet van deugdzaamheid. Wat daarmee bedoeld wordt, daar weet van te hebben, is ieder mens in zijn ziel meegegeven. Deugd blijkt een vorm van kennis te zijn, ware kennis die ieder mens door ‘herinnering’ in zijn eigen binnenste op het spoor kan komen en deelachtig kan worden.

Daarbij dient zich dan meteen de vraag aan hoe het toch komt dat een mens soms (of vaak) toch niet doet wat hij diep van binnen wel weet, waarom hij in dat geval het goede ontloopt? En het socratische antwoord is – heel Grieks – eigenlijk glashelder: dan weet zo iemand het nog niet goed (genoeg), dan moet hij beter en langduriger bij zijn innerlijk te rade gaan. Doet een mens toch het kwade, in plaats van het goede, dan komt dat volgens Socrates voort uit onwetendheid, misverstand, verblindheid, misschien ook uit zwakheid of onnadenkendheid, en dergelijke. Dat er hierbij ook sprake zou kunnen zijn van onwil, van trots, van verzet en/of onverzettelijkheid, dat blijft in het Griekse denken als het erop aankomt buiten het gezichtsveld. Want wat is eigenlijk onwetendheid, en in hoeverre houd je je onwetend voor iets wat je wel zou kunnen weten?

Heel dicht komt Socrates in zijn opvatting van het goede dan ook bij zoiets als het behaaglijke, dat wat ‘goed voelt’ zouden wij zeggen. Maar daarmee komt het goede vooral ook dicht in de buurt van een fijnzinnig soort verstandigheid op het gebied van het genot, heeft het dus te maken met een bijzondere vorm van kennis van het echte genieten. En ja, op het moment dat het goede het behaaglijke wordt, is het kwade natuurlijk zoiets als het onbehaaglijke, dat waar je je niet goed bij voelt. Daarbij geldt volgens Socrates ook hier, net als bij de kennis van wat deugd is, dat kennis van het goede, het schone, het ware, het rechtvaardige en het vrome al aanwezig was in de pre-existente menselijk ziel, de ziel die al bestond voordat je geboren werd, en die er ook na je dood nog steeds zal zijn.

Als het om het goede gaat laat Kierkegaard op veel plaatsen de term ‘een (of het) hoogste goed’ vallen, en juist in het kader van dit boek over leven, sterven en onsterfelijkheid is het de moeite waard dit begrip ook eens wat nader te leren kennen. Voor het eerst komen we de uitdrukking tegen bij rechter Wilhelm, in het tweede deel van Of/Of, in een opstel over ‘De esthetische geldigheid van het huwelijk’. Zijn ‘tegenstander’, de jonge estheet, is van mening dat, zodra mensen in hun liefdesrelatie overgaan tot een huwelijk of iets dergelijks, het met de verliefdheid gedaan is; en dan is het volgens hem ‘dus’ ook met de liefde gedaan. De rechter, die zelf vindt dat hij ‘gelukkig getrouwd’ is, doet in de loop van zijn betoog natuurlijk een vurig pleidooi voor het huwelijk, en is juist van mening dat in het huwelijk verliefdheid en de ‘eerste liefde’ gekoesterd worden en bewaard blijven.

Die term ‘eerste liefde’ werkt bij de jongeman op zijn lachspieren. Hij ziet het met regelmaat om zich heen. Iemand wordt verliefd, maar na kortere of langere tijd raakt het toch weer uit. Dan wordt hij opnieuw verliefd, maar een tijdje later ontmoet hij er een die nog veel leuker is. En ja, die laatste, dat is nu echt zijn ‘eerste liefde’. De rechter blijft onder dit soort spot (zo ervaart hij het) onverstoorbaar, het begrip ‘eerste liefde’ heeft voor hem ‘hoegenaamd niets lachwekkends’, en heeft ‘ook niet het weemoedige dat het voor deze of gene misschien heeft’. Hijzelf beschouwt ‘de eerste liefde’ als een strijdkreet, en hij heeft, ‘ofschoon reeds tal van jaren getrouwd, nog steeds de eer te strijden onder het zegevierend vaandel van de eerste liefde’. Je hoort hoe de ‘schepper’ van rechter Wilhelm (en van de jonge estheet), het niet laten kan om in de woorden van de rechter enige Kierkegaardiaanse ironie en humor door te laten klinken.

BESTEL HET IS VOORBIJ

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN OF OVER KIERKEGAARD