Brieven over de esthetische opvoeding van de mens – Friedrich Schiller – een hoogtepunt in de Duitse Romantiek

BESTEL BRIEVEN OVER DE ESTHETISCHE OPVOEDING VAN DE MENS

‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’ – het opus magnum van van Friedrich Schiller – behoort tot de belangrijkste filosofische werken van de Duitse Romantiek. Met de zijns inziens catastrofale gevolgen van de Franse Revolutie voor ogen, komt Schiller ertoe geen heil meer te verwachten van politieke middelen en alleen het niet-politieke middel van de kunst in staat te achten de moderne maatschappij te humaniseren. Het spel van de kunst zou de mens pas echt vrij maken. Schillers gedurfde verhandeling is tot op de dag van vandaag van grote invloed. Zijn analyse van de maatschappij, interpretatie van de geschiedenis en opvatting van kunst zijn een bron van inspiratie geweest voor pedagogisch onderzoek naar het spel, en voor historici en filosofen als Johan Huizinga, Jürgen Habermas, Richard Rorty, Jean-Luc Nancy en Jacques Rancière. Hieronder volgt de tekst van de eerste drie brieven.

Eerste brief

U veroorlooft mij dus, u de resultaten van mijn onderzoek naar het schone en de kunst in een reeks brieven voor te leggen. Sterk voel ik het gewicht van deze onderneming, maar ook de aantrekkelijkheid en waardigheid ervan. Ik zal spreken over een onderwerp dat met het beste deel van ons geluk nauw verbonden is en niet ver afstaat van de morele adel van de menselijke natuur. Ik zal de zaak van de schoonheid voorleggen aan een hart dat haar gehele macht ondergaat en ten uitvoer brengt, en dat bij een onderzoek, waarin even vaak een beroep moet worden gedaan op gevoelens als op principes, het zwaarste deel van mijn taak op zich zal nemen. 

Grootmoedig verplicht u mij tot datgene wat ik u als een gunst zou willen vragen en u geeft mij de schijn van verdienstelijkheid, terwijl ik alleen maar toegeef aan mijn lust. De vrijheid in het handelen die u mij oplegt, ervaar ik niet als dwang maar veeleer als een behoefte. Omdat ik weinig geoefend ben in schoolse vormen, zal ik nauwelijks gevaar lopen door misbruik ervan te zondigen tegen de goede smaak. Mijn ideeën, die eerder in afzondering zijn ontstaan dan op grond van een rijke ervaring in de wereld en die evenmin door lectuur zijn verworven, zullen hun oorsprong niet verloochenen. Zij zullen eerder op alle mogelijke andere gebreken dan op die van sektarische kleingeestigheid kunnen worden betrapt en zij zullen eerder uit eigen zwakheid vallen dan dat zij zich staande weten te houden door autoriteit en andermans kracht. 

Overigens wil ik u niet verhelen, dat de hierna volgende beweringen grotendeels berusten op de principes van Kant; gelieve het echter aan mijn onvermogen en niet aan deze principes toe
te schrijven, indien u in de loop van dit onderzoek zou worden herinnerd aan een of andere bijzondere filosofische school. Nee, de vrijheid van uw geest zal voor mij heilig zijn. Uw eigen gevoelens in dezen zullen mij de feiten verstrekken waarop ik mijn onderzoek bouw; uw eigen vrije denkkracht zal de wetten dicteren waarnaar moet worden gehandeld. 

Over de ideeën die in het praktische deel van Kants systeem domineren zijn alleen de filosofen verdeeld, maar ik durf te beweren dat de mensen er van oudsher mee instemmen. Als men namelijk Kants ideeën van hun technische vorm ontdoet, blijken zij niets anders te zijn dan de zeer oude eisen van intuïties die verschijnen als feiten van het morele instinct, dat door de wijze natuur als voogd over de mens is aangesteld tot het heldere inzicht hem mondig maakt. Maar juist deze technische vorm, die de waarheid voor het verstand zichtbaar maakt, verbergt haar weer voor het gevoel; want helaas moet het verstand het object van intuïtieve kennis eerst vernietigen om het zich te kunnen toe-eigenen. 

Net als de scheikundige vindt ook de filosoof slechts door het oplossen de verbinding en slechts op de pijnbank van de kunst de schepping van de vrije natuur. Om greep te krijgen op het vluchtige verschijnsel moet de filosoof het in de boeien van regels slaan, hij moet zijn mooie lichaam verscheuren en reduceren tot begrippen, en zijn levende geest opbergen in een armoedig schema van woorden. Is het een wonder, dat het natuurlijke gevoel zich niet herkent in een zo tot stand gekomen beeld en dat in de uitspraken van de analyticus de waarheid verschijnt als een paradox?

Neemt u dan ook ten aanzien van mij enige clementie in acht wanneer het hiernavolgende onderzoek zijn object, als het dat zichtbaar probeert te maken voor het verstand, zou onttrekken aan het bereik van het natuurlijke gevoel. Wat geldt voor de morele ervaring, geldt des te meer voor de verschijning van de schoonheid. De hele magie ervan berust op haar geheim, en met het opheffen van de noodzakelijke samenhang van haar elementen is ook haar wezen opgeheven. 

Tweede brief

Maar zou ik van de vrijheid, die u mij geeft, geen beter gebruik kunnen maken dan uw aandacht te vestigen op het schouwtoneel van de schone kunst? Is het niet op zijn minst inopportuun om ons bezig te houden met een wetboek voor de esthetische wereld, nu de vraagstukken van de morele wereld zo veel dringender zijn, en de geest van het filosofische onderzoek in het huidige tijdsgewricht zo nadrukkelijk wordt opgeëist om zich met het meest volmaakte van alle kunstwerken bezig te houden, namelijk met de opbouw van een werkelijke politieke vrijheid? 

Ik zou niet graag in een andere eeuw leven en voor een andere eeuw hebben gewerkt. Men is zowel burger van zijn tijd als van de staat waarin men leeft; en als het ongepast, ja zelfs ongeoorloofd wordt gevonden om zich te onttrekken aan de zeden en gewoonten van de wereld waarin men leeft, zou het dan niet ook een plicht zijn om in de keuze van zijn werkzaamheden rekening te houden met de behoefte en de smaak van zijn tijd? 

Dit lijkt echter geenszins in het voordeel van de kunst te werken, tenminste niet van die kunst waarop mijn onderzoek zich speciaal zal richten. De loop van de geschiedenis heeft aan de geest van de tijd een richting gegeven die hem steeds verder dreigt te doen afdrijven van de kunst van het ideaal. Deze moet zich losmaken van de werkelijkheid en zich met grote stoutmoedigheid boven de behoefte verheffen, want de kunst is een dochter van de vrijheid, en zij wil haar instructie ontvangen van de noodzakelijkheid van de geest en niet van de behoefte van de materie.

In deze tijd echter overheerst de behoefte en buigt de gevallen mensheid onder haar tirannieke juk. Het nut is het grote idool waaraan alle krachten herendiensten verrichten en dat door alle talenten moet worden geëerd. Op deze grove weegschaal heeft de geestelijke verdienste van de kunst geen gewicht; beroofd van iedere aanmoediging verdwijnt zij uit het luidruchtige circus van deze eeuw. Zelfs het filosofische onderzoek ontneemt aan de verbeeldingskracht het ene domein na het andere en de grenzen van de kunst worden enger naarmate de wetenschap de hare verwijdt. 

Vol verwachting zijn de blikken van de filosoof, net als die van de man van de wereld, gericht op het politieke schouwtoneel waar nu, zo gelooft men, beraadslaagd wordt over het lot van de mensheid. Getuigt het niet van een laakbare onverschilligheid ten aanzien van het welzijn van de maatschappij om niet deel te nemen aan dit algemene gesprek? Zo nauw ieder die zich mens noemt betrokken is bij dit grote proces door zijn inhoud en gevolgen, zozeer moet ieder die zichzelf respecteert als zelfstandig denkend wezen in het bijzonder geïnteresseerd zijn door de erin gehanteerde methode. 

Een kwestie die vroeger slechts door het blinde recht van de sterkste zou worden beslecht, wordt nu, zo lijkt het, voor de rechterstoel van de zuivere rede aanhangig gemaakt. Wie maar in staat is zich in een centrale positie te manoeuvreren en zijn individualiteit tot soort weet te verheffen, mag zich beschouwen als deelnemer aan die redelijke rechtspraak, waarin hij als mens en als wereldburger partij is en waarvan de gevolgen in meerdere of mindere mate implicaties voor hem hebben. Er wordt in dit grootse proces dus niet alleen over de zaak van de mens beslist, maar de mens doet uitspraken op grond van wetten die hij zelf als redelijk wezen kan en mag opstellen en voorschrijven.

Hoe aantrekkelijk zou het niet voor mij moeten zijn om zo’n onderwerp te gaan bestuderen met iemand die een even spiritueel denker als liberaal wereldburger is, en om de uitkomst van het onderzoek toe te vertrouwen aan een hart dat zich vol enthousiasme wijdt aan het welzijn van de mensheid. Wat een prettige verrassing zou het voor mij niet zijn om mij in het gezelschap van uw onbevooroordeelde geest te bevinden in het rijk van de ideeën en om tot eenzelfde conclusie te komen als u, ondanks het verschil in omgeving waarin wij leven en ondanks de aanzienlijke afstand tussen u en mij, die de omstandigheden van de werkelijke wereld noodzakelijkerwijs met zich meebrengen. 

Dat ik deze aantrekkelijke verleiding weersta en de schoonheid aan de vrijheid vooraf laat gaan, meen ik niet alleen maar te kunnen verontschuldigen door mijn persoonlijke voorkeur, maar ook te kunnen rechtvaardigen op grond van principes. Ik hoop u ervan te overtuigen dat deze materie heel wat minder ver afstaat van de behoefte dan van de smaak van deze eeuw, dat men om het politieke probleem van deze eeuw daadwerkelijk te kunnen oplossen, de esthetische weg moet bewandelen, omdat de schoonheid leidt tot vrijheid. Maar dit bewijs kan niet worden geleverd, als ik niet eerst de principes in herinnering breng waardoor de rede zich laat leiden bij politieke wetgeving. 

Derde brief

De natuur begint met de mens niet beter dan met haar overige scheppingen: zij handelt voor hem waar hij zelf nog niet in staat is als vrij en intelligent wezen te handelen. Kenmerkend voor de mens is echter dat hij niet berust in wat de natuur van hem maakte, maar dat hij het vermogen bezit om op de schreden die de natuur voor hem deed via de rede terug te keren, om datgene wat uit gebrek tot stand is gekomen te veranderen in iets wat uit vrije wil tot stand komt en de fysieke noodzakelijkheid te verheffen tot een morele. 

De mens komt tot bewustzijn uit zijn zintuiglijke sluimer, begrijpt zichzelf als mens, kijkt om zich heen en treft zichzelf aan – in de staat. Behoeften dwongen hem in deze positie, voordat hij er zelf in vrijheid voor kon kiezen; het gebrek richtte deze staat louter volgens natuurwetten in, alvorens de mens dat zelf kon doen volgens de wetten van de rede. Maar met deze staat van gebrek, die slechts voortkomt uit zijn natuurlijke aard en ook alleen daarop berekend was, kon en kan de mens als morele persoon niet tevreden zijn – en het zou hem slecht vergaan wanneer hij dat wel zou kunnen! 

De mens laat dus op grond van het recht dat hij als mens heeft, de heerschappij van een blinde noodzakelijkheid achter zich. Precies zo maakt hij zich in vele andere opzichten van haar los door in vrijheid te handelen; met zedelijkheid ontneemt de mens, om maar een voorbeeld te noemen, zijn seksuele behoefte haar banaliteit en veredelt deze door schoonheid. Zo haalt de mens in zijn volwassenheid zijn jeugd op een kunstige wijze in en vormt zich een natuurlijke toestand in de idee, die hem weliswaar niet in de ervaring is gegeven, maar die door zijn redelijke aard noodzakelijk is gesteld. De mens verschaft zich in deze ideale toestand een doel dat hij in zijn werkelijke, natuurlijke toestand niet kende en een vermogen tot kiezen waarover hij daarvoor niet beschikte, en de mens handelt alsof hij van voren af aan begint en uit helder inzicht en uit vrije wil de staat van onafhankelijkheid inruilt voor de staat van de contracten. 

Hoe kunstig en hecht de blinde willekeur haar werk ook heeft gefundeerd, hoe onbeschaamd zij het ook in stand mag houden, en met welke schijn van eerbiedwaardigheid zij ook mag zijn omgeven – de mens mag het in dit proces volledig buiten beschouwing laten, want het werk van blinde krachten bezit geen gezag waarvoor de vrijheid zich zou moeten buigen: alles moet zich schikken naar het hoogste doel dat de rede in de persoonlijkheid van de mens stelt. Op deze wijze ontstaat en rechtvaardigt zich de poging van een mondig geworden volk om zijn natuurstaat om te vormen in een zedelijke staat.

Deze natuurstaat (zoals elk politiek lichaam kan worden genoemd, dat zijn inrichting oorspronkelijk aan krachten en niet aan wetten ontleent) loochent nu weliswaar de morele mens die in principe slechts overeenkomstig de wet dient te handelen, maar is niettemin precies toereikend voor de fysieke mens die alleen maar wetten maakt om tot een vergelijk te komen met de krachten. Nu is de fysieke mens echter reëel en de zedelijke mens slechts problematisch. Heft dus de rede de natuurstaat op, zoals zij noodzakelijkerwijs moet doen als zij haar staat daarvoor in de plaats wil stellen, dan zet zij de fysieke en reële mens op het spel ten behoeve van de problematische zedelijke mens, en zet zij het bestaan van de maatschappij op het spel ten behoeve van een louter mogelijk (ofschoon moreel noodzakelijk) maatschappelijk ideaal. 

De rede neemt de mens iets af dat hij werkelijk bezit, en zonder welk hij niets bezit, en verwijst hem in plaats daarvan naar iets dat hij zou kunnen en behoren te bezitten. Zou de rede te veel van de mens eisen, dan zou hij hem ter wille van de mogelijkheid van een menselijke staat, waarin hij nog niet verkeert en zonder welke hij nog wel kan bestaan, zelfs de middelen van zijn animale leven hebben afgenomen, die niettemin de voorwaarden zijn van deze menselijke staat. Voordat de mens tijd zou hebben gehad om zijn wil te verbinden aan de wet, zou de rede de ladder van de natuur onder zijn voeten hebben weggetrokken. 

De grote moeilijkheid is dus dat, terwijl de morele samenleving zich vormt in de idee, de fysieke samenleving in de tijd geen moment mag ophouden te bestaan en dat ter wille van de waardigheid van de mens zijn bestaan niet in gevaar mag komen. Wanneer de ambachtsman een horloge moet repareren, zet hij de raderen ervan stil, maar het levende uurwerk van de staat moet worden gerepareerd terwijl het blijft doorlopen, het draaiende wiel moet worden verwisseld terwijl het draait. Men moet dus ter wille van het voortbestaan van de maatschappij een steun zien te vinden die haar van de natuurstaat, die men wil opheffen, onafhankelijk maakt. 

Deze steun is niet te vinden in het natuurlijke karakter van de mens, dat egoïstisch en gewelddadig is en veeleer gericht is op vernietiging dan op behoud van de maatschappij. Deze steun is evenmin te vinden in het zedelijke karakter van de mens, dat volgens onze premissen nog moet worden gevormd en waarop door de wetgever nooit invloed kan worden uitgeoefend en waarvan hij nooit zeker kan zijn omdat het vrij is en altijd onzichtbaar blijft. 

Het zou er dus om gaan het fysieke karakter van de willekeur en het morele karakter van de vrijheid los te maken – het zou er om gaan het eerste karakter te verzoenen met wetten en het tweede afhankelijk te maken van prikkels –, het zou er om gaan het fysieke karakter wat losser te maken van de materie en het zedelijke karakter wat dichter bij de materie te brengen; het zou er om gaan een derde karakter te ontwikkelen dat, verwant aan beide karakters, een overbrugging vormt tussen de heerschappij van louter krachten en de heerschappij van wetten en dat, zonder het morele karakter in zijn ontwikkeling te belemmeren, veeleer gaat functioneren als een zintuiglijk pand van onzichtbare zedelijkheid. 

BESTEL BRIEVEN OVER DE ESTHETISCHE OPVOEDING VAN DE MENS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *