Het strijkkwartet festival in Amsterdam 2024 – ‘Heilig dankgebed van een genezen mens aan God’ van Beethoven

In de bovenstaande video vertolkt het Danish String Quartet het derde deel Molto Adagio uit het strijkkwartet nr.15 opus 132 dat Ludwig von Beethoven (1770-1827) twee jaar voor zijn dood componeerde terwijl hij doof was. Het Danish String Quartet zal de Strijkkwartet Biënnale openen die van 27 januari tot en met 3 februari 2024 plaatsvindt in het Muziekgebouw aan het IJ te Amsterdam. Dat is het grootste strijkkwartet festival ter wereld. Wat maakt een strijkkwartet zo speciaal? En wat wilde Beethoven uitdrukken in het deel van zijn strijkkwartet uit 1825 dat hij  ‘Dankgesang eines Genesenen an die Gotheitt, in der lydische Tonart’ heeft genoemd?

De meeste mensen die muziek maken zullen onderschrijven dat samen musiceren het mooiste is wat er bestaat. Het op hetzelfde moment gericht zijn op harmonie, kan een gevoel van eenheid doen ervaren. Daarom musiceren mensen al eeuwen samen. En daarom vinden er al eeuwen lang concerten plaats. Want ook de luisteraar neemt deel aan deze eenheidservaring door zich als groep te richten op dezelfde vibraties van het concert.

De geboorte van het strijkkwartet

Tijdens de Renaissance begon ensemblespel meer een vaste vorm te krijgen. In de Barokperiode ontwikkelde zich het samenspel met basso continuo (doorgaande bas). Soms schreef de componist maar weinig noten op. Van de basso continuo spelers (b.v. klavecimbel, orgel, viola da gamba en theorbe) werd verwacht dat ze de harmonieën van de baslijn origineel en artistiek invulde. Degene die de melodie speelde kon vrijelijk improviseren op de voorgeschreven noten. Wanneer er met een grotere samenstelling werd gemusiceerd, vervulde de tussenliggende stemmen een harmonische rol binnen de geschreven muziek.

Tijdens de klassieke periode werden de harmonieën van de baslijn en improvisaties van de melodiestem steeds meer door de componist zelf vastgelegd. Een duidelijk herkenbaar voorbeeld daarvan zijn de Cadensen in de viool- en pianoconcerten van de Eerste Weense School (Haydn, Mozart en Beethoven).

Het is bijna niet meer voor te stellen dat strijkinstrumenten in de klassieke periode nog relatief nieuw in de muziekwereld waren. De italiaan Arcangelo Corelli (1653-1713) schreef als eerste vele sonates voor de viool, omdat hij begreep dat een strijkinstrument andere mogelijkheden had dan blaasinstrumenten. Uit commerciëel oogpunt en angst dat zijn muziek niet werd geaccepteerd, werden de vioolsonates van Corelli alsnog uitgegeven als zijnde ‘op allerlei instrumenten te spelen’ muziek. Toch werd sindsdien het strijkinstrument niet meer gezien als een instrument van de duivel en verdween het blaasinstrument meer op de achtergrond.

Joseph Haydn (1732-1809) geldt als de grondlegger van het huidige strijkkwartet. Hij schreef niet meer voor vier instrumenten vanuit het barokke idioom; een melodie, een baslijn met daartussen een harmonische opvulling. In de gedachten van de Verlichting (alle mensen zijn gelijk) kregen de twee violen, altviool en cello bij Haydn een gelijkwaardige rol. Met hun eigen partij moesten de instrumenten een eenheid vormen. Na meer dan tweehonderd jaar daagt het fenomeen strijkkwartet nog steeds componisten uit voor deze samenstelling te schrijven. De vier instrumenten vormen een basis om een volledig bouwwerk tot stand te kunnen brengen. Een architectuur die tot grote hoogte kan worden gebracht. Daar is geen heel orkest voor nodig. Het is het grote in het kleine.

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER BEETHOVEN

Ludwig van Beethoven.

Tot op de dag van vandaag wordt hij gezien als één van de allergrootste componisten; Ludwig van Beethoven (1770-1827). Niet alleen vanwege zijn tragische levensverhaal. Maar hij was de grote verbreker van de conventies in zijn tijd. En daarmee een vernieuwende held in de muziek.

Het is bekend dat Beethoven werd gezien als een humeurig en niet benaderbare man. Een persoon die de grote liefde van een vrouw nooit heeft kunnen vinden. Een leven waarvan hij beschreef dat hij deze graag zou willen beëindigen. Maar dat niet deed, omdat hij zich ervan bewust was, dat hij een belangrijke taak op aarde had.

Wat de mensheid natuurlijk het meest aanspreekt is dat Beethoven tijdens zijn leven stokdoof werd. Het grootste humane drama wat een componist kan overkomen. Maar doof worden, of gehandicapt raken, kent ook een keerzijde. De mens wordt daardoor gedwongen naar binnen te keren. Je zou dit kunnen zien als een hulpmiddel om te kunnen terugkeren naar wat de werkelijke opdracht van het leven in deze noodorde is. Dat is wat Beethoven heeft gedaan. Zodoende kon hij componeren tot zijn laatste dagen op aarde. Wat hij opschreef, was wat hij met het innerlijk oor kon horen. Hij was zijn tijd ver vooruit en werd door zijn medemens vaak niet begrepen. En daar kan je persoonlijkheid behoorlijk nors en opvliegend van worden.

Verlangen naar onthechting en innerlijke stilte

Het is minder bekend dat Ludwig van Beethoven contacten had met Goethe (1749-1832, fakkeldrager van het Rozenkruis 11) en vele filosofische boeken las. Hierover is te lezen in het boek ‘Beethoven een biografie’ van de Belgische docent, dirigent en musicoloog Jan Caeyers. Daarin beschrijft de auteur dat Beethoven klassieke filosofen uit de oudheid las als Homerus, Ovidius, Plutarchus en Plinius. Tijdgenoten als Friedrich Schiller (1759-1805) en Emanuel Kant (1724-1804) stonden bij hem in de boekenkast. Omdat Beethoven doof was communiceerde hij via coversatieschriftjes. Daarin schreef hij ooit op:

‘De morele wet in ons en de sterrenhemel boven ons! Kant!!!’

Jezus en Socrates waren mijn voorbeelden.’

Op zoek naar het Godsbegrip voelde Beethoven zich (volgens Caeyens) het meest aangetrokken tot de opvattingen van de achttiende-eeuwse lutherse geestelijke Christoph Christian Sturm. Beethoven onderstreepte de voor hem interessante passages in zijn ‘Betrachtungen über die Werke Gottes im Reiche der Natur’. Beethoven was ook bekend met Oosterse filosofie. Hij werd het meest geraakt door de Rigveda-hymnen, één van de oudste godsdienstige hindoeteksten. De idee van een zuiver en onveranderlijk bewustzijn met de daaruit voortvloeiende onthechting en innerlijke stilte sprak hem erg aan. Ook had hij kennis van wijsheden uit het Oude Egypte.

Drie, voor de componist belangrijke, tekstfragmenten heeft Beethoven zorgvuldig opgeschreven. Deze bewaarde hij onder een glazen plaat op zijn tafel. Daardoor kon hij zich dagelijks bezinnen op:

  • Ik ben wat is.
  • Ik ben alles wat bestaat, wat was en wat zal worden. Geen sterfelijke mens heeft ooit mijn sluier opgelicht.
  • God is uitsluitend zichzelf, en aan dat ene zijn alle dingen hun bestaan verschuldigd.

An die ferne Geliebte

In 1816 schreef Ludwig van Beethoven zijn beroemde liedcyclus ‘An die ferne Geliebte’. In de muziekwetenschap wordt altijd gezegd dat Beethoven hiermee zijn verdriet heeft beschreven omdat hij zich nooit met een vrouw heeft kunnen verbinden en daardoor geen familie heeft kunnen opbouwen. Maar Beethoven was in die tijd al bijna geheel doof. Het gemis aan een vrouw en gehoor betekende voor hem een enorme eenzaamheid. Beethoven zelf heeft deze eenzaamheid omgezet in een positieve spirituele onthechting. Hierdoor werd het voor hem mogelijk zijn artistieke levensmissie te volbrengen. Waarschijnlijk heeft deze liedcyclus daardoor een dubbele betekenis en bedoelde Beethoven tevens zijn Liefde aan God.

Strijkkwartet nr. 15 in a klein opus 132

Zoals eerder beschreven hield Beethoven zich nooit aan coventies. Dus ook niet aan de in die tijd geldende regels voor het schrijven van een compositie. Voor zijn strijkkwartet nr. 15 opus 132 (dat eigenlijk zijn 13de is) week hij meteen af van het toen gebruikelijke aantal van vier delen. Hij schreef er zes! Beethoven beschreef ze zelf als een opeenvolging van ‘stukken’ die niet meer geconcipieerd zijn om elkaar in lengte en gewicht in evenwicht te houden, maar die zich vrij ontwikkelen in functie van een hoog dramatisch verhaal. (Caeyers)

Het derde deel, Adagio, gaf hij de titel ‘Dankgesang eines Genesenen an die Gotheitt’. In alle programmatoelichtingen en geschriften over dit deel is te lezen dat Beethoven in april en mei 1825 ernstig ziek was. Vanwege maag- en darmproblemen had hij geen noot meer op papier kunnen zetten. Door zijn arts Anton Braunhofer was hij op een streng diëet gezet. Bij voltooing van dit strijkkwartet in juli 1825 zou hij uit dankbaarheid dat hij was hersteld, het langzame Adagio deze titel hebben meegegeven.

Dat klinkt allemaal heel logisch. Maar Beethoven koos voor dit Adagio de Lydische toonaard. Sinds de middeleeuwen bestonden zeven toonaarden (eigenlijk zelfs twaalf) die allen hun eigen vibratie kennen. Wij gebruiken nu, sinds ongeveer de 17de eeuw, nog alleen de Majeur (Ionisch) en Mineur (Aeolisch) toonaard/ toonladder. Componisten begonnen in de twintigste eeuw ook weer gebruik te maken van de oude (kerk)toonladders, om meer uitdrukkingsmogelijkheden te hebben. Beethoven deed dat al eerder. Hij had uitgebreid de oude kerktoonaarden bestudeerd en daardoor geleerd dat de lydische toonladder (alle witte toetsen op de piano vanaf de F, waardoor de trillingsverhouding 1-1-1-1/2-1-1-1/2 onstaat) verbonden was met genezing en troost.

Het Adagio bestaat uit drie koraalachtige fragmenten in oude orgelstijl. Deze worden afgewisseld met twee snellere, modernere, tussendelen. Beethoven wilde hiermee het gevoel van nieuwe kracht weergeven.

De neef van Beethoven, schreef in een conversatiebriefje aan zijn dove oom Ludwig, dat de mensen zich afvroegen hoe de componist erin geslaagd was om zoveel uitwerking te bereiken met zo weinig noten.

Beethoven wist dit deel zo te componeren, door met behulp van zijn eenzaamheid en onthechting, naar de innerlijke stilte te gaan. Hij was niet alleen dankbaar dat hij lichamelijk was hersteld. Inmiddels had hij de kennis verkregen dat de ‘zieke’ aardse mens alleen waarlijk kan genezen doormiddel van de verbinding van zijn ziel met de Goddelijke Liefde.

Suus Blanke

Op maandagavond 29 januari 2024 voert het Leonkoro Quartett het beschreven strijkkwartet  van Beethoven uit  om 22.30 uur in het Muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam.

Dit concert valt onder de serie ‘Late Beethoven’omdat het één van de laatste composties van Beethoven betreft én het late tijdstip van de uitvoering. Het festival kent ook een serie ‘Vroege Haydn’. Dit vanwege de grondlegger van het strijkkwartet en het vroege tijdstip (voor een concert) in de ochtend.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het boek ‘Beethoven, een biografie’ door Jan Caeyers.

LEES MEER OVER BEETHOVEN, EEN BIOGRAFIE 

BESTEL BEETHOVEN, EEN BIOGRAFIE