Inzicht, de eerste trede tot het gaan van het pad – hoofdstuk 5 uit ‘Het zegel der vernieuwing’ van Catharose de Petri

BESTEL HET ZEGEL DER VERNIEUWING VOOR € 7,50

BESTEL DE VIERDELIGE ROZENSERIE VOOR € 15,00

Catharose de Petri (fakkeldrager van het Rozenkruis 22) doet met weinig woorden werelden doen opengaan in haar boekje ‘Het zegel der vernieuwing’, deel 2 van de Rozenserie. Daarbij weet zij de evangelische teksten in een verrassend nieuw licht te plaatsen; zó dat men de gnostieke boodschap die in de heilige taal besloten ligt, duidelijk verstaat. Hieronder volgen de integrale tekst van hoofdstuk 5 (Inzicht, de eerste trede tot het gaan van het pad) en de inhoudsopgave. 

Evangelie van Johannes, hoofdstuk 14, de verzen 1 tot 11:

‘Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, geloof ook in mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou ik het u gezegd hebben; ik ga heen om u plaats te bereiden. En wanneer ik heengegaan zal zijn, en u plaats zal hebben bereid, kom ik weder en zal u tot mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar ik hen. En waar ik heenga, weet gij, en de weg weet gij.

Thomas zei tot hem: Heer, wij weten niet waar gij heengaat; en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij. Indien gij mij gekend had, zoudt ge ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent ge hem en hebt hem gezien.

Filippus zeide tot hem: Heer, toon ons de Vader, en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben ik zo lange tijd bij u, Filippus, en hebt gij mij niet gekend? Wie mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat ik in de Vader ben, en de Vader in mij is? De woorden die ik tot u spreek, spreek ik niet uit mijzelf, maar de Vader, die in mij blijft, die doet de werken.’

Inzicht is de eerste trede van de vijfvoudige universele Gnosis. Daarom is inzicht noodzakelijk om voorwaarts te komen op het pad des heils. Het gevaar is echter niet uitgesloten dat menige leerling van een gnostiek voorbereidingsveld gebrek aan inzicht bezit. Een dergelijk gebrek aan inzicht is klassiek te noemen. Deze moeilijkheid heeft iedere gnostieke arbeid uit het verleden te aanschouwen gegeven. Ten bewijze daarvan behoeven wij u maar te wijzen op het gedeelte uit het Johannes-Evangelie, waar Jezus tot zijn discipelen zegt: ‘Waar ik heenga weet gij, en de weg weet gij.’

Die weg kent ook u. Bovendien wordt al jarenlang door diverse broeders en zusters in de jonge Gnosis, al naar hun staat- van-zijn, het ene pad u voorgeleefd. In de dagen waarvan het Johannes-Evangelie spreekt werd het pad, het pad des heils, ook voorgeleefd, werden de jongeren op alle mogelijke manieren onderwezen en werden allen gedragen door het gnostieke licht van het Vaderveld. Toch waren er die op het Jezus-woord: ‘Waar ik heenga weet gij,’ antwoordden, zoals Thomas: ‘Heer, wij weten niet waar gij heengaat.’ En hij sprak de enormiteit uit: ‘Hoe kunnen wij de weg weten?’

De naam ‘Thomas’ beduidt ‘tweeledigheid’ of ‘gespletenheid.’ Wanneer u dat weet, begrijpt u de situatie. Thomas is hier het type van de mens die steeds maar weer op twee gedachten hinkt, die dus twee lichten brandende houdt: het licht van de gewone natuur en het licht, de glans, van de Gnosis.

Wie geen volstrekte keuze weet te doen, wie niet ten opzichte van vele levensdingen een absoluut besluit neemt, zal van tijd tot tijd ondervinden, bij uiterst belangrijke levensmomenten, dat het licht van de Gnosis, de glans van de ziel, min of meer terugwijkt, als het ware uitgeblust is, en slechts het natuurlijke licht overblijft. Door zulk een licht geleid kan men onmogelijk de bedoelingen van de Gnosis verstaan, kan geen waarachtig inzicht rijpen. Dan heeft men niet het inzicht als een open poort voor zich en heeft men oren die niet horen kunnen. Daarom kan een mens, in zulke tragische omstandigheden verkeerd handelend, slechts geholpen worden door het antwoord dat Jezus de Heer geeft: ‘Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij.’

De aandacht wordt hier gevestigd op de formidabele mogelijkheden die gelegen zijn in de ziel. Daarom wordt er nog aan toegevoegd: ‘Indien gij mij gekend hadt, dan zoudt ge ook de Vader, mijn Vader, gekend hebben.’ Want daar waar de ziel glanst en zich absoluut doorzet, daar manifesteert zich ook onveranderlijk de geest,de Vader. Voor de ziel, die in haar gespletenheid geslachtofferd wordt, worden dan ook geen leerstellingen herhaald; de ziel die niet weet door te zetten, wordt geplaatst voor de loutere, naakte feiten.

Jezus de Heer is het wondere symbool van het gnostieke licht, zoals zich dat in de nieuwe ziel openbaart. Dat licht is op aarde neergedaald in velen. Dat licht kan zich ook in u openbaren en dat licht is de weg, de waarheid; dat licht breekt het leven voor u open. Er is geen andere methode. In dat licht is de ganse waarheid gelegen en wie dat licht ziet en de waarheid proeft, die moet eruit gaan leven.

Wie het leven heeft uit het gnostieke licht, komt tot de Vader. Als u steeds maar doorgaat te zeggen: ‘Mijn pad, mijn ontwikkelingsgang, volvoert zich zo traag, er zijn zoveel obstakels op het pad’, dan antwoorden wij u: ‘Dan hebt u nooit in werkelijkheid uw levensaccenten verplaatst.’ Daar waar de nieuwe ziel gloort, daar waar de glans der ziel zich spreiden gaat, daar manifesteert zich de weg, de waarheid en het leven.

Daarom is het een absolute zekerheid dat niemand tot de Vader komt dan door het geopenbaarde licht van de Gnosis. Een Thomasziel, een gespleten ziel, die haar gespletenheid handhaaft, komt nimmer tot een concrete overtuiging, blijft altijd hangen en zweven te midden van velerlei twijfel en blijft daardoor een hunkerende stakkerd, een armoedemens, die helaas niet uit zijn of haar vermeende armoede kan worden verlost. Zodra echter een Thomasziel zich aan het universele licht schenkt, dat zich in hem manifesteert, komt de ziel haar gespletenheid te hoven. Zij gaat in in de weg, de waarheid en het leven.

De ziel, die zo de vrijheid tegenspelt, dient echter nog een andere moeilijkheid te overwinnen. Deze moeilijkheid wordt in Johannes 14 eveneens aangeduid in de dialoog tussen Jezus en Filippus. Om deze te verstaan, dienen wij allereerst de figuur van Filippus te analyseren. Deze figuur doelt op de mens die wij zouden kunnen aanduiden als ‘de wolkenzwever’: de mens die zich vermeit in idealen en luchtkastelen, en daardoor steeds weer opnieuw de realiteit onder de voeten verliest. De mens die het vlak- voor-de-hand-liggende op een gegeven moment niet meer zien kan en aldus het spoor bijster raakt, en die de volkomen werkelijkheid derhalve totaal kwijt is.

Filippus is de mens in deze zin, die dermate ideëel gericht is op de nieuwe levensstaat, dat hij het gehele pad, gelegen tussen de dialectische natuur en het nieuwe leven, vergeet en negeert. Daardoor wordt hij de prater zonder meer, en zeker niet de dader. Als zo iemand tot daden komt, dan is het meestal met voorbijzien van anderen. Deze mens kan u zeer onderhoudend alles van het nieuwe leven vertellen. Hij kan u schone luchtkastelen voortoveren en als zodanig is hij een kunstenaar. Doch dan een kunstenaar die de kunst, zoals men dat wel zegt, om de kunst beoefent, zoals dat in deze wereld zovele malen voorkomt. Zo iemand geeft u impressies van schoonheid, doch hij laat ná zelf die schoonheid te verwerkelijken in de eigen levensstaat. Daarentegen is een kunstenaar hij Gods genade steeds een mens die gericht is op de eeuwige heerlijkheid, op de weg, de waarheid en het leven.

Filippus is op een gegeven moment de mens, die niet eens meer weet dat er een weg, een waarheid en een leven zijn. Die niet meer weet dat er een weg is die bewandeld, en een levenshouding die toegepast moet worden, dat er een daad is die volbracht moet worden. Filippus is op een gegeven moment de verbaasde. Hij voelt zich geprikkeld, omdat hij door de situaties overvallen wordt. Hij is de geprikkelde, als hij geconfronteerd wordt met de gapende leegheid voor zijn voeten. Daarom wordt hij al heel spoedig als zelfhandhaver de ontkennende.

Denk eens aan een boom met een wonderbaarlijk schone bladerenkroon. Wijd spreidt hij zijn takken en zijn glorie. Hoe is die boom geworden? Toch uit de geweldige kracht die er aan ten grondslag ligt? Is die boom zelf niet het directe bewijs van die kracht? Zeggen wij nu: ‘Toon ons die kracht?’ Wij zeggen het niet, omdat dit een grote domheid zou zijn.

Er is een Jezus-radiatie, er is een nieuwe zielskracht, die de uwe kan zijn en die bij velen reeds gekomen is. De gnostieke stralingskracht en de glans der ziel kunnen in u werkzaam zijn. De glans der ziel functioneerde reeds door vele eeuwen heen en heeft vele wonderen tot stand gebracht. Zij heeft onder ons bijvoorbeeld de moderne Geestesschool geopenbaard. Deze school is in een luttel aantal jaren van kracht tot kracht voortgestuwd en van heerlijkheid tot heerlijkheid. Zeggen wij nu: ‘Toon ons die kracht?’ Wij zeggen het niet, want het zou een schier onvergeeflijke gevoelloosheid en begriploosheid bewijzen.

Toch zal de Filippusmens in de moderne Geestesschool steeds het bewijs ontkennen, omdat hij vanwege zijn wolkenzweverij het bewijs in de wolken zoekt, in het abstracte. Het nabije, het concrete, negeert hij; daarvoor is hij schijnbaar blind. Zo verliest deze mens tegelijkertijd zijn begrip voor verhoudingen en voor de noodzakelijke procesmatigheid der dingen. Hij leeft als een dronkaard, die de zaligheid beleeft in zijn roes, en zich tegelijkertijd in zijn levenshouding volkomen onjuist gedraagt en aldus zijn Schepper in het gelaat spuwt.

Ook wij spreken tot u van het nieuwe levensveld. Wij plaatsen u zelfs voor het wonder van het geestmysterie. Doch tegelijkertijd ontmoeten wij elkaar op het punt waar wij staan. Wij ontdekken elkaar op het punt onzer realiteit. Wij zeggen tegen elkaar: in de kracht die ons getoond is, in de kracht die ons bewezen werd, in de Jezus die zich in ons heeft geopenbaard, gaan wij voort naar het doel. Daarom: kom zowel de Thomas als de Filippus in u te boven. Geen gespletenheid en geen wolkenzweverij, doch wees positief nieuw van levenshouding. Wees doorbrekend werkzaam met betrekking tot uzelf.

Houd er een hoge ethiek op na, een hoge moraliteit. Beoefen zo de koninklijke kunst van bouw, met de beide benen stevig staande op het heilige tapijt.

Bron: Het zegel der vernieuwing van Catharose de Petri

INHOUDSOPGAVE

Ten geleide

  1. De ster der hoop en vervulling
  2. Geest en Heilige Geest
  3. Het woord van het gnostieke verbond
  4. De ene weg ten leven
  5. Inzicht, de eerste trede tot het gaan van het pad
  6. Judas, het type van de humanist
  7. Het licht van de ontdekkende en ontmaskerende Gnosis
  8. Dit gebied ik u, dat gij elkaar liefhebt
  9. Laven wij ons aan het wijsheidslicht
  10. De zeven treden van de nieuwe ziele-wording
  11. Het hogepriesterlijke gebed (i) Wie het licht kent, gaat van glorie tot glorie
  12. Het hogepriesterlijke gebed (ii) De naam van de Gnosis geopenbaard.
  13. Het hogepriesterlijke gebed (iii) Onvatbaar voor den boze
  14. Het hogepriesterlijke gebed (iv) Heilig u voor allen die nog zoekende zijn
  15. Het hogepriesterlijke gebed (v) De waarachtige Aquarius-mens
  16. De gemeenschap van het Gouden Hoofd
  17. Het transfiguristische evangelie der ware vrijmaking
  18. De witte keursteen

Bron: Het zegel der vernieuwing door Catharose de Petri, Rozenserie deel 2

BESTEL HET ZEGEL DER VERNIEUWING VOOR € 7,50

 

BELUISTER OF LEES MEER OVER DE VIERDELIGE ROZENSERIE

BESTEL DE VIERDELIGE ROZENSERIE VOOR € 15,00