Geef vrijelijk wat vrijelijk ontvangen is – deel 2 van de brieven van Marsilio Ficino

BESTEL GEEF VRIJELIJK WAT VRIJELIJK ONTVANGEN IS – BRIEVEN DEEL II

Deel II van de brieven, die Marsilio Ficino (1433-1499) schreef aan zijn vrienden. Iedere brief is aan een individu gericht, maar tegelijk voor de mensheid geschreven. Het doel is steeds de liefde voor de waarheid in de mens te doen ontsteken en de menselijke geest te openen voor het zoeken naar de waarheid. In deze uitgave zijn brieven te vinden aan vrienden en ook aan onbekenden, over onderwerpen als ‘Men moet goed doen aan een vriend, zelfs als hij dat niet wenst.’

WOORD VOORAF BIJ DE BRIEVEN

Van tijd tot tijd staan er mensen op die zich uitsluitend om de mensheid willen bekommeren. Zulke mensen wijden hun aandacht aan diegenen waarmee zij onmiddellijk in contact komen; maar, omdat zij deze mensen in een veel bredere context dan gewoonlijk bezien, richten zij zich via hen tegelijkertijd op de samenleving als geheel. Zij mogen dus instrument zijn in het transformeren van de samenleving en het beïnvloeden van de mensheid. Het is een van de kenmerken van dergelijke mensen dat de woorden die zij schrijven en spreken niet vergaan. Hoewel deze woorden vaak verborgen zijn achter de taal en conventies uit een vroegere tijd, zijn zij steeds even relevant en belangrijk als honderd of duizend jaren geleden.

Marsilio Ficino uit Florence (1433-1499) is een man van een dergelijke statuur geweest. De invloed die hij op de Renaissance had, en bijgevolg op de cultuur waarin wij leven, wordt uit de doeken gedaan in de Introductie van de vertaling van Boek I van zijn Brieven . Niet alleen vertaalde hij alle werken van Plato in het Latijn, maar hij herstelde de principes van waarheid van waaruit Plato schreef. En wel op zo’n wijze dat die principes weer ter harte werden genomen door vele leiders van zijn tijd. Zij brieven laten zien dat zijn worden nog steeds de kracht hebben om deze principes ook nu nog tot leven te brengen,

Ficino vraagt nogal wat van de lezer van dit boek – misschien meer dan er gevraagd wordt van de lezers van Boek I van zijn Brieven. Ficino waarschuwt ons hiervoor in zijn eigen Voorwoord in Boek III en IV van zijn Brieven, dat een opdracht aan koning Matthias van Hongarije (brief 1) is. Hij schrijft over deze boeken dat het wel leek alsof hij in verwachting van een frigide zaad, om zo te zeggen, geweest was, ’en daardoor een veel serieuzer brievenboek had geproduceerd dan passend is voor literaire kinderen.’ Maar in de aanwezigheid van de koning kan hun tamelijk sombere aanblik ogenblikkelijk getransformeerd worden zodat zij allemaal daarna schitterender en vreugdevoller zullen zijn voor hen die ze zien. Daarom bid ik U, meest fortuinlijke Koning, om neer te kijken op de zonen van Marsilio met de vreugdevolle en leven- dige stralen van Uw ogen, zoals ge zijt zult ge niet op alle andere dingen neerkijken. Daarvoor zullen zij hun bestaan slechts aan mij verschuldigd zijn, maar hun schoonheid volledig aan U koninklijke majesteit.’

Het is niet moeilijk om door de charme van Ficino’s complimenten misleid te worden en niet verder te kijken naar wat hij wérkelijk te zeggen heeft. Koning Matthias was geen gewone koning. Na zijn troon in Hongarije gered te hebben werd hij één van de zeldzame christelijke leiders die ooit de Ottomaanse Turken overtuigend versloeg gedurende de periode van hun bijna voortdurend groeiende macht vanaf ongeveer 1300 tot aan de dood van Suleiman i in 1566. Koning Matthias was ook zeer geïnteresseerd in filosofie en in de praktische studie van Plato. Leden van Ficino’s academie woonden aan zijn hof en een uitnodiging om dit hof te bezoeken was aan Ficino zelf gericht . Ficino beschouwde hem als een voorbeeld van de filosofische koning waaraan in Plato’s Republiek wordt gerefereerd.

Maar wat bedoelt Ficino als hij schrijft over ’de aanblik’ van zijn ’z nen’ die ’ogenblikkelijk getransformeerd’ worden in de tegenwoordigheid van de koning? Allereerst hoopte hij dat de filosofie die in de brieven opgesloten zit tot leven gebracht zou worden door de acties en het voorbeeld van de koning. Maar door zich tot de koning te richten, richtte Ficino zich tot al zijn andere lezers. Overduidelijk bedoelt Ficino dat zijn lezers zijn filosofie in praktijk zouden moeten brengen.

Teneinde te begrijpen wat Ficino te zeggen heeft moeten we voorzichtig zijn met het interpreteren van enkele van de door hem gebruikte uitdrukkingen, die nu hun oorspronkelijke kracht hebben verloren. Dit is in het bijzonder van toepassing op de brieven die Ficino over liefde schrijft. Voor een moderne lezer mag zijn taal onderdanig klinken. Maar het is belangrijk om te weten dat, wanneer hij zich bijvoorbeeld richt tot zijn ’unieke’ vriend, Giovanni Cavalcanti (brief 4), hij zich in werkelijkheid richt tot het principe van de waarheid dat het werkelijke Zelf zowel voor Ficino als voor zijn vriend is .

Wanneer we op deze manier deze brieven beschouwen, bieden zij ons een begrip van vriendschap dat totaal anders is dan we gewoonlijk kennen . Een dergelijke vriendschap is in het geheel niet exclusief; inderdaad kunnen we opmerken dat Ficino zich klaarblijkelijk in een zelfde stijl tot een aantal vrienden richt. In feite richt hij zich tot hetzelfde ’unieke’ principe in elk van hen; een principe waaronder hij zoiets verstond als iedereen en alles omvattend. Hij schrijft in brief 21: ’En door zo de geliefde voortdurend lief te hebben, omhelst de liefhebbende, zover als zijn armen mogen reiken, het aomhelsende en is hij verzekerd van het bezitten van zijn eigen bezitter.’

Ficino’s Academie was nauwgezet gemodelleerd naar de filosofische scholen van de oudheid. Het was niet alleen een instituut om te leren. De band tussen Ficino en de andere leden was hun wederzijdse liefde, gebaseerd op de liefde van het Zelf in eenieder. Het was door middel van deze liefde dat de ziel door God werd gegrepen, naar Hem werd getrokken, en tenslotte met Hem werd verenigd. In feite was deze liefde zelf ook God. Omdat zulk een liefde de basis van zijn School was kon Ficino schrijven (brief 21): ’De wens van hem, die naar niets anders dan liefde streeft, wordt vaak totaal door de gebeurtenis gefrustreerd. Maar alleen hij die niets anders dan de liefde zelf liefheeft, verkrijgt het door het onmiddellijk te wensen, en door altijd te verkrijgen continueert zich het wensen.’

Omdat het object van liefde God is, is de manifestatie van God altijd het object van Ficino’s lof. Hoewel hij overvloedig in zijn loven is, is zijn lofprijzing altijd vrij specifiek. Hij looft ongebonden het geloof in de gelovige aan (brief 58), de plichtsbetrachting in de plichtsgetrouwe aan (brief 53), de pie« teit en het lerende in hen die vroom en geleerd zijn (brief 7), en dit deel is overvloedig gevuld met andere voorbeelden. En wanneer hij berispt is het de fout die hij censureert, niet de mens. Wanneer hij zijn berispingen op iemand richt, worden ze toch met liefde omgeven (zie bijvoorbeeld brief 46).

Een andere schrijfstijl van Marsilio waar we tegenwoordig niet aan gewend zijn is ironie. Te gemakkelijk denken we bijvoorbeeld aan laffe nederigheid wanneer hij in zijn brief aan Jacopo, Kardinaal van Pavia, (brief 54) schrijft: ’Verheven als ge zijt hebt ge Marsilio toch reeds van een afstand gezien, dichtbij de grond en onbelangrijk.’ Hij maakt vaak grapjes over zijn fysieke gestalte, en in zijn brief mag hij enig plezier hebben ten koste van zijn correspondentievriend en mogelijk in bedekte termen de ’voornaamheid’ van de Kardinaal aan de kaak stellen en wel op de enige wijze waarop een plaatselijk priester dat in de vijftiende eeuw naar een kardinaal kan doen. Ficino is veel directer in zijn ironie tegen de tegenstanders van Filosofie in brief 34 aan Lorenzo.

In Boek III maakt Ficino dikwijls gebruik van astrologische principes. Voor hem was de beweging van de hemellichamen een duidelijke demonstratie van de perfecte orde waardoor het universum wordt geregeerd . Elk hemellichaam was een vertegenwoordiger van een kwaliteit van de geest der engelen, en hun relatieve bewegingen illustreren de ordelijke wisselwerking tussen de kwaliteiten. Wat de geest van de mens op de aarde ervaart is eenvoudig tegendeel van deze bewegingen in de hemelse wereld. Deze bewegingen zijn in het geheel in overeenstemming met het Goede, maar de meeste mensen interpreteren die als goed of slecht, en baseren hun oordelen op wat hun fysieke effecten lijken te zijn .

Ficino zakt met het denkbeeld van de astrologie nooit onder een bepaald punt af. Soms wordt het astrologische argument in het geheel afgedankt . Hij wenst nooit dat iemand ooit zou geloven dat zijn geluk op een of andere wijze afhankelijk van de sterren zou zijn. Hoewel astrologie het geluk regeert, is degene die de goddelijke voorzienigheid toestaat hem te leiden niet afhankelijk van het geluk, zelfs in fysieke termen.

Waarom dan gebruikt Ficino zo vaak de taal van astrologie? In een brief van 1494 aan Poliziano schrijft hij: ’Het is niet zozeer astrologie die ik onderwijs, maar eerder door middel van astrologie dat ik de morele allegorieën en zinnebeelden die naar het goddelijke leiden, uitzoek.’ Ficino was ervan overtuigd dat een begrip van de principes van de goddelijke geest door middel van astrologie kon helpen om de mens naar kennis te leiden over hemzelf en over God.

Wat moeilijk is om in elke vertaling van Ficino over te brengen is de schoonheid van zijn taal. In brief 3 legt hij aan Bartolomeo della Fonte uit dat hij de opdracht van de hemel volgt, zowel als het voorbeeld van Plato en vele anderen door ’poëtische ritmes en getallen’ in zijn proza te weven. De vaardigheid waarmee hij woorden met dezelfde klanken combineert, en speelt met woorden van eenzelfde klank maar verschillende betekenis zijn vreemd genoeg bijna Shakespeariaans. ’Als je vertrouwen in mij verliest, zullen de snaren van je lier volledig vals voor je klinken’ (brief 8) kan niet de kracht over brengen van ’Si fidem fregeris, fides tibi penitus disonabunt’.

Deze brieven geven de indruk dat in termen van wereldse vooruitgang de jaren 1476-1477 niet de meest gemakkelijke waren voor Ficino. De relatie met zijn beschermheer, Lorenzo de’ Medici, is niet zo innig als in voorgaande jaren, als men mag afgaan op de toon van de correspondentie in Boek III, in vergelijking met Boek i. Verschillende brieven, namelijk 9 en 10, geven de aanwijzing dat Ficino voor geld onder druk was gezet door de pauselijke autoriteiten, die hij niet zou kunnen betalen. Brief 17 schijnt een verzoek te zijn om meer ondersteuning door Antonio degli Agli, de Bisschop van Volterra. Gedurende deze jaren stonden Ficino en zijn Platonische Academie onder druk van diverse kanten. Misschien de meest gewelddadige van deze aanvallen werd door de schrijver van het satirische gedicht Morgante, Luigi Pulci, wiens achternaam (dit betekent ’vliegen’ in het Italiaans) door Ficino in brief 5 als gelukkig toepasselijk voor Pulci’s karakter en talenten werd gevonden. Ondanks Ficino’s tegenaanvallen bleef de dichter die Ficino’s Academie hekelde in de gunst van Lorenzo de’ Medici.

Ondanks al deze moeilijkheden bleef Ficino’s literaire produktie verbazingwekkend. Hij schreef een aantal theologische essays (Opuscula Theologica) genoemd in brief 26. Het bleek uit brief 37 dat hij zijn voornaamste werk, de Platonische Theologie (verdeeld over 18 boeken) nog steeds aan het reviseren was. Ongeveer in dezelfde tijd was hij ook begonnen met de revisie van zijn vertalingen van de werken van Plato, en bereidde hij zijn Disputatio Contra Indicium Astrologorum voor.

Maar nog groter dan de omvang van zijn geschriften is de reikwijdte en invloed ervan. Misschien is dit nergens beter geïllustreerd dan in zijn lange brief over plicht (brief 53) waarin hij plicht definieert als ’de actie geschikt voor elk mens, die blijft bij wat gepast en eervol is voor wat de omstandigheid, persoon, plaats en tijd aangeeft’. Met dit uitgangspunt gaat hij er vervolgens toe over de plicht van meer dan dertig beroepen en functies te definiëren.

Wat was het principe dat hem in staat stelde zo helder de aard van de verschillende functies van de mens en hun relaties ten opzichte van elkander en het geheel te zien? Het is het principe waarnaar hij herhaaldelijk in dit deel terugkeert; het principe van eenheid. Hij keert er naar terug niet alleen als een filosofisch concept maar als een onmiddellijke waarneming. Omdat hij zelf geworteld was in deze eenheid begreep hij de ene functie van al de activiteiten van de mens: namelijk om de ziel terug te leiden naar de eenheid.

In brief 30 schrijft hij: ’Onze Plato heeft me overtuigd dat ik op het einde het meeste zou volbrengen als ik altijd hetzelfde ding zou doen….. een mens die alles dwingt bereikt niets omdat het vele het ene onderdrukt, terwijl het ene het vele dient en verenigt.’ Steeds sprak hij vanuit dit standpunt en daarom was zijn Academie in staat mensen met zovele beroepen te verenigen: staatslieden, dichters, leerlingen, wetgevers, musici, priesters, dokters en vele meer. Het was dezelfde geest die de Renaissance op al zijn verschillende activiteiten inspireerde.

Het was dus de ’Gouden Eeuw’ die kon oprijzen uit de schaduw van de ’IJzeren Eeuw’. Ficino schrijft enige jaren later aan Paul van Middelburg  (’voornaam wetenschapper en astronoom’): ’Sommige mensen zijn door de natuur met een bronzen intellect begiftigd, sommige met een ijzeren, sommige met een zilveren, en sommige met een gouden. Als er een gouden tijd genoemd zou kunnen worden dan is het ongetwijfeld de tijd die gouden geesten in overvloed produceert. Niemand die de wonderlijke ontdekkingen van onze tijd beschouwt zal er aan twijfelen dat dit een gouden is. Want deze gouden tijd heeft het licht hersteld voor de vrije kunsten die bijna gedoofd waren: grammatica, poëzie, retorica, schilderen, beeldhouwen, architectuur, muziek en de oude kunst van zingen met de Orphische lier.’

Het doel van Ficino om deze brieven te schrijven is duidelijk om de liefde voor de waarheid in de mens te doen ontvlammen en de geest open te zetten voor zijn zoektocht. Hoewel iedere brief individueel gericht is, is hij tevens voor de mensheid geschreven. In feite zijn een aantal brieven zowel in Boek I en III specifiek gericht aan de Mensheid. Noch is zijn werkingssfeer beperkt tot de 15e eeuw. Omdat hij met zulk een inzicht discussieert over vragen met onophoudelijk belang voor de mens zijn deze brieven in zekere zin tijdloos.

De vertalers

INHOUDSOPGAVE

Dankwoord
Woord vooraf bij de brieven
Toelichting bij de vertaling van de brieven
Noten bij woord vooraf
De brieven

    1. Inleiding. Een aansporing tot oorlog tegen de barbaren
    2. De bedrieglijkheid van menselijke voorspoed
    3. Proza behoort te worden verfraaid met het ritme en de maat van poëzie
    4.  Wie alles en allen liefheeft in wat zelf nooit verloren gaat, verliest nooit een geliefd iemand
    5.  Lasteraars moeten worden veracht
    6.  Lasteraars moeten worden veracht
    7. Blijdschap over de benoeming van een magistraat
    8. Er is geen zoetere melodie dan de zoetste vriend
    9. Waarheid heeft geen ander verweer nodig dan zijn eigen kracht
    10. Venus beheerst Mars, en Jupiter Saturnus
    11. Gelukkig de mens die tevreden is met wat hem toekomt
    12. De deugd van een rechtschapen burger
    13. De echte lof van lofspraak
    14. Niets op aarde is van meer waarde dan een mens
    15. Over de luister van een aards banket, over de pracht van een hemels banket en over de gelukzaligheid van een boven-hemels banket
    16. Een wijs mens wijst niemand als nutteloos af
    17. Voor verdorven geesten zijn alle dingen tegenstrijdig
    18. De Gratiën en Muzen zijn van God en moeten weer tot God gericht worden
    19. Iemand, die de waarheid niet liefheeft kan zichzelf niet werkelijk liefhebben. Evenmin kan iemand zich waarlijk verheugen in goede dingen, wanneer hij door gehechtheid eraan het goede zelf waaruit al het goede voortkomt, miskent
    20. Niemand is gelukkig, tenzij hij waarlijk verblijd is. Wie zich verblijdt in de waarheid is werkelijk verblijd
    21. Zo moeilijk en riskant als het genot van tijdelijke vormen is, zo gemakkelijk en gelukzalig is de liefde voor het eeuwige
    22. God maakt alles goed
    23. Het duivelse komt niet van de sterren maar van een gebrek in de materie of door gebrek aan begrip
    24. Alle lof komt toe aan God die het begin en einde van alles is
    25.  Niemand stijgt op tot God totdat God zelf in zekere mate in hem is afgedaald
    26. De massa leeft van onzin
    27. Ware vriendschap wordt door ware religie gevormd
    28. Niet de schil, maar de pit geeft voeding
    29. Wie afhankelijk is van de toekomst en van uiterlijke zaken, is beklagenswaardig
    30. Wie van alles wil, bereikt niets
    31. Hoe afgunst kan worden bestraft, ingetoomd of uitgeroeid
    32. Heb achting voor alle mensen, kies en bemin er e¤ e¤ n, en vertrouw alleen op God
    33. Goede daden op het verkeerde moment zijn in mijn ogen slechte daden
    34. Marsilio uit zich ironisch ten opzichte van de tegenstanders van filosofi
    35. Wat van iemand zelf is, behoort naar hem zelf te worden toegestuurd
    36. Men moet goed doen aan een vriend, zelfs als hij dat niet wenst
    37. Er zijn drie stappen in de platonische beschouwing
    38. Wanneer het fundament zelf wankelt, stort alles wat erop gebouwd is in
    39. Waar liefde gloeit, straalt God, en ontspringt genade
    40. Al het goede van de wereld is slecht voor de mens die een verdorven leven leidt in die wereld
    41. Geef vrijelijk wat vrijelijk is ontvangen
    42. Over de voldoening, het eind, de vorm, de proviand, voorschriften, kruiden en invloed van het feestmaal
    43. Hoe bevallig is het aangezicht van een vriend, hoe noodzakelijk is de in vrijheid gekozen liefde
    44. De mens is de mens een wolf, geen mens
    45. God geeft niemand alles
    46. Het principe van leren en spreken
    47. De wens naar wraak is niets anders dan de acceptatie van een ander onrecht
    48. Wie veel probeert, begeeft zich op een dwaalspoor
    49. Men kan kunst niet tevredenstellen als men zelf door kunst steeds tevreden wordt gesteld
    50. Alleen liefde kan het leven beschermen, maar om bemind te worden moet men liefhebben
    51. Geld weggooien is zeker een ernstige zaak, maar een mens afwijzen is nog erger
    52. Wie goedgelovig is, verdient weinig geloof
    53. Over plichten
    54. Men vervalt nimmer tot de hel wanneer men, gegrondvest op het hogere, het laagste onderzoekt met zuiverheid en erbarmen
    55. Op het gemakkelijke levenspad van ondeugd volgen moeilijkheden op het moeilijke levenspad in deugdzaamheid volgt gemak
    56.  Zoals in de fysieke wereld schoonheid liefde oproept, zo schept liefde in de geest schoonheid
    57. Vrome werken behoren bij de vrome
    58. Vrome werken behoren bij de vromen
    59. Als we maar helder zagen hoe onzuiver en hoe opgewonden de onoprechte ziel is, dan zouden we niet zondigen
    60. Niets is schaamtelozer dan een mens in wiens huis, alle dingen mooier zijn dan de ziel
    61. Voor slechte mensen is voorspoed slecht maar voor goede mensen is tegenspoed goed
    62. De ziel is niet bevredigd door sterfelijke dingen, want zij verlangt immer naar het onsterfelijk
    63. Niet het kaf maar de korrel geeft voeding
    64. Wat goed is, is feitelijk nog beter als het overvloedig is
    65. Dingen kunnen niet verenigd worden in wat zelf veranderlijk en verschillend is
    66. Cupido is overtuigender door stil te zijn, dan Mercurius door te spreken en Phoebus door te zingen

Noten bij de brieven
Correspondenten van Ficino

BESTEL GEEF VRIJELIJK WAT VRIJELIJK ONTVANGEN IS – BRIEVEN DEEL II

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *