De metamorfose van de planten – gedicht van Goethe over de ontwikkeling van planten en analogieën

In zijn boek ‘Metamorfose’ (niet meer in druk verkrijgbaar) neemt F.H. Julius de lezer stap voor stap mee op zijn zoektocht naar de wetmatigheden van het leven, waarbij hij zich vooral laat inspireren door werken van Johann Wolfgang von Goethe (fakkeldrager van het Rozenkruis 11) en Rudolf Steiner (fakkeldrager van het Rozenkruis 16). De bioloog Pieter Geluk verzorgde in 1999 een heruitgave van dit klassieke werk, waarvan de eerste druk verscheen in 1948.

Julius vertrekt bij de plantenwereld en onderscheidt daarin zeven groeivormen, als archetypen van de plant. Vervolgens laat hij zien hoe deze groeivormen samenhangen met de krachten die vanuit de kosmos, met name vanuit de zeven planeten, op aarde inwerken. 

Tenslotte maakt hij de sprong naar de mens: ook in het leven van mensen zijn diezelfde krachten werkzaam. De zeven verschillende ‘groeikarakters’ die Julius in de natuur onderscheidt, zijn terug te vinden in de zeven manieren om als mens in het leven te staan.

De bioloog Frits Julius (1902-1970) was een meester in het waarnemen van de natuur. de fenomenologische methode van Goethe vormt de grondslag van zijn hele levenswerk, dat een verrassend aantal terreinen bestijkt: van plantenkunde en studies over het dierenleven tot optica en chemie. Hieronder volgt het begin van ‘Metamorfose’, waarin ook de Nederlandse vertaling van het het gedicht ‘Die Metamorphose der Pflanzen’ is opgenomen. 

EEN GEDICHT ALS WETENSCHAPPELIJK UITGANGSPUNT 

De taak die wij ons stellen in dit werkje is veelomvattend. Gebieden, die op het eerste gezicht ver uiteenliggen, gaan wij samenvatten en onder een enkel gezichtspunt brengen.

Het is een vraagstuk als voor een reiziger, die een aantal landstreken ineens wil overzien. Alleen door moeizaam een hoge top te bestijgen is dit mogelijk. We mogen onszelf beschouwen als zo’n reiziger. De meeste gegevens waarover wij spreken, zijn reeds algemeen bekend. Nu is het de kunst om het hooggelegen uitzichtpunt te vinden, waardoor alles nieuw verschijnt en in een nieuw verband. 

Een dergelijke hoogte heeft Goethe reeds voor ons bestegen. Hij geeft dit weer in zijn gedicht ‘Die Metamorphose der Planzen’. Schijnbaar beschrijft hij hierin de groei van en eenjarige plant, maar in werkelijkheid gaat het om een wonderbaarlijk aanschouwende samenvatting van de wetten van het hele planteleven. Het is een weergave van datgene, wat hij ‘die Urpflanze’ noemt, van het ideële wezen, waarvan hij zich iedere reële plantenvorm afgeleid denkt. 

Hoogst opvallend is het, dat hij aan het einde ertoe overgaat de inzichten, uit de plantenwereld gewonnen, op het mensenleven toe te passen. Hij geeft hiermee zelf reeds aan, dat het werkelijk om een zodanig hoog gezichtspunt gaat. In het overeenkomstige gedicht ‘Die Metamorphose der Tiere’, spreekt hij het zelfs uit: ‘Waagt gij, zo toegerust, het hoogste punt te bestijgen van deze top, reik mij dan de hand en open uw blik voor het wijde gebied der natuur!’

 DE METAMORFOSE VAN DE PLANTEN

Hoe verwarrend, mijn liefste, die bonte tuin vol met bloemen:
wel duizend planten in bloei, waar je ook kijkt om je heen.
Vele namen hoor je, of erger: je oor wordt geteisterd,
zo barbaars is hun klank dat je niet weet wat je hoort.

Veel vergelijkbare vormen, maar niet één is gelijk aan de ander.
Daarmee wijst dit akkoord op een verborgensysteem,
op een goddelijk raadsel. Hoe graag maak ik jou nu gelukkig,
jou, mijn liefste vriendin, met het verlossende woord!

Wordend aanschouw nu de plant, die stap voor stap zich ontwikkelt,
verder en verder omhoog, voortschrijdt in bloem en vrucht.
Zij ontkiemt uit het zaad zodra Moeder Aarde – vol liefde –
haar in vrijheid laat leven vanuit haar vruchtbare schoot.

Nu ook vertrouwt zij de aanleg van tere, ontluikende blaadjes
toe aan de eeuwige stroom, de heilige roep van het licht.
Eens sliep de kracht in het zaad, waar als een eerste voorbeeld
onder de zaadhuls, gebogen, naar binnen gekeerd

blad en wortel en kiem, nog amper gevormd en kleurloos.
Droog blijft zo in de kern het rustende leven behoed,
hoger strevend ontspringt zij, het milde vocht tegemoet,
zich gelijktijdig verheffend uit de omhullende nacht.

Hoe eenvoudig blijft toch de eerste vorm die verschijnt.
Want al zijn het ook planten, daaraan herken je het kind.
Dan, direct erop volgend, verschijnt steeds een volgende loot,
knoop op knoop gestapeld vernieuwt elk de eerste vorm.

Maar niet altijd hetzelfde, want wat er ontstaat verschilt.
Kijk maar naar alle blaadjes, elk volgend blad krijgt meer vorm:
meer gespreid, meer gekerfd, gespitst en in delen gescheiden
wat ooit vergroeid lag te rusten onderaan de knop.

Nu bereikt zij vooreerst het hoogste dat is te volbrengen,
waardoor menig soort plant jouw verwondering wekt.
Met al die nerven en lobben, overvloedig van massa,
schijnbaar zonder beperking, zo overvol is de stengel.

Doch met haar machtige handen stopt de natuur deze groei,
zachtjes leidt ze die over naar een nog volmaaketere staat.
Intomen doet zij de sapstroom, versmallen doet zij de vaten,
nu zijn direct in de vorm subtiele processen te zien.

Stil trekt de kracht zich terug, weg van de groeiende bladrand
tot in de nerf van de bladsteel, waar steeds meer vorm in verschijnt.
Bladloos echter en snel verheft zich de tere stengel.
Zie een wonderlijk bouwwerk, daar trekt onze aandacht naar toe.

Soms telbaar, soms talloze blaadjes stellen zich op in een kring,
kleiner, de een naast de ander en alle gelijk aan elkaar.
Dicht opeen aan de bloesemsteel vertoont de omhullende kelk zich,
die als haar hoogste verschijning een kleurige bloemkroon ontsluit.

Zie, daar prijkt de natuur in haar volmaakte gedaante.
Stap voor stap vertoont zij de som van haar delen meer.
Wat ben je steeds weer verwonderd als de bloem ontluikt aan de stengel
boven het rank fundament van blaadjes in velerlei vorm.

In volle glorie getuigt zij van deze neiuwe schepping;
Ja, het gekleurde blad heeft Gods hand aangeraakt.
Snel nu trekt ze zich samen tot de meest kwetsbare vormen.
Tweeërlei soort van organen, bedoelt te versmelten tot één.

Wat staan ze intiem bij elkaar, als verliefde paartjes,
allen klaar voor de zegen, rondom het altaar geschaard.
Hymnen, god van het huwelijk, zweeft hier alomtegenwoordig,
heerlijk zoet stromen geuren die alles met leven doortrekken.

Ieder voor zich nu beginnen ontelbare zaadjes te zwellen,
als in de schoot van hun moeder omhuld door de zwellende vrucht.
En hier sluit de natuur haar eeuwigdurende cirkel,
maar meteen grijpt nieuw leven zich in het voorgaande vast.

Zo plant de keten zich voort door alle tijden heen;
alles komt zo tot leven, elk deel even goed als ’t geheel.
Richt dan nu – o, mijn liefste – je blik naar dit bonte schouwspel,
dat, niet langer verwarrend, zich in je denken voltrekt.

Elke plant verkondigt je nu haar eeuwige wetten.
Iedere bloem spreekt een taal, steeds luider en luider tot jou.
Heb je het heilige schrift der godin eenmaal ontcijferd,
dan zie je het overal terug, al ziet het er steeds anders uit.

Aarzelend kruipt de rups, de vlinder is ijverig bezig.
Hoe ook verandert de mens: hij geeft zijn leven zelf vorm.
Liefste, je weet toch hoe in onze ontmoeting de kiem lag
voor onze goede verhouding en dagelijks groeiende band,

hoe, wat diep in ons hart lag, zich machtig als vriendschap ontpopte,
en hoe Amor tenslotte bloemen en vruchten voortbracht!
Weet hoe vaak de natuur stil ons gevoel heeft ontplooid
in een of andere vorm, in de houding die zij ons schonk!

Wees dan ook blij deze dag, nu de heilige liefde
leidt tot de hoogste vrucht van het samen één kunnen zijn,
tot zo’n zelfde kijk op de dingen, dat in een harmonische visie
dit paar zich kan verbinden, de hogere wereld kan vinden!

J.W. von Goethe, 1798

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *