Het veloren weten – strofe 15 van de Tao Teh King en een berijming door C. van Dijk

LEES MEER EN DOWNLOAD HET GRATIS GEDEELTE VAN TAO EN TEH

De wijze mannen der oudheid waren onbeschrijflijk fijn en scherp en diep.
Wilt ge een denkbeeld van hen?
Zij waren aarzelend als iemand, die ‘s winters een stroom
oversteekt; weifelend als iemand, die zich door zijn buren bespied waant; plechtig als een gast tegenover zijn gastheer; zij wisten te verdwijnen als smeltend ijs; zij waren natuurlijk als onbewerkt hout, leeg als een vallei, (ondoorgrondelijk) als slibachtig water.
Stil de troebel uws harten!
Herrijs uit gedurige kalmte tot nieuw leven!
Volg deze weg en ge zult niet talen naar volheid; ge zult niet vervuld
zijn van uzelf en gelijkmoedig staan tegenover de mening der mensen.

Het verloren ‘weten’ Vijftiende Spreuk

116

Meesters in wijsheid die de dingen doorgrondden,
Kenden ‘aanleg’ – ‘wezen’ – en ‘werkelijkheid’.
Wisten dat zij slechts in het aardsche bestonden,
Om tot ‘t Hoogere te worden voorbereid.

117

Onbewust bleef deze zielekracht.
Niet beredeneerd en niet berekend.
Gehoorzamend d’ absolute macht,
Met den aardschen dwang en wetten brekend.

118

Dit onbewuste gaf grootheid aan haar wezen.
Zoo werd zij als het onbeschreven perkament,
Waarop het stoff’lijk oog vergeefs tracht te lezen,
Wat de ‘Dictator’ als het Hoogst’ bewustzijn kent.

119

Omzichtig als wie in het wintergetij
Verraderlijken stroom wil bevaren.
Gevaarlijke ijsblokken, voor- en langszij,
Moet al zijn stuurmanskunsten vergâren.

120

Wie rondom zich vijanden vreest,
Leert scherp toezien en scherp luisteren.
Zoo is ook de critische geest,
Laat zich aan geen drogbeeld kluisteren.

121

Als de vreemdeling zoo koel
Vreemd aan der gewoonte neiging,
Oog gericht op ‘t ééne doel:
‘In zich zelf bewuste stijging’.

122

Wijkt als het smeltend ijs terug.
IJs is niet van eeuw’gen duur,
Blijft niet onverzettelijk stug
Smelt bij hooge temperatuur.

123

Ruw als onbehouwen hout,
Niet tot afgodsbeeld gesneden.
Eén met ‘t ongerepte woud,
Door geen menschenvoet betreden.

124

Als het dalbekken zoo wijd,
In zich dragend alle stroomen,
Die door alle Eeuwigheid,
Uit het hoog’re tot hem komen.

125

Als troebel water, ondoorzichtig.
Doorzichtig is het oppervlak.
Slechts wat bezinkt, is ‘t meest gewichtig.
Eerst komt de stut, en dan het dak.

126

Wie van de huidige intellectueelen,
Heeft de moed en de kracht om de muren te slechten,
Opgestapeld verstand, dat het menschdom blijft knechten
Waarbinnen dwazen, de rol van wijsgeer spelen.

127

Wie hunner durft den dood trotseeren,
Geen uittocht met trompetgeschal,
Maar opgaan in het Groote ‘Al’
Door in zich zelven in te keeren?

128

Zij hebben eens de ‘Baan’ gekend,
Maar konden niet haar licht verdragen.
Zoo kwam de nacht en brak de dagen,
Door kunstlicht, zijn z’ het Licht ontwend.

129

Het bewogene wilde zich zelf bewegen
En liet het Eeuwig-rythme los.
De draad ontwond zich aan den klos,
Wie houdt er de lawine die neerstort tegen?

130

Het zelf-gevoel aldus gegroeid,
Deed verder steeds den draad ontwinden.
Hoe verder aan de bron ontvloeid,
Hoe grooter lust – ‘zijn’ weg te vinden.

Bron: Tao, Universeel bewustzijn – Teh, Universeele bewustwording van E.J. Weltz en C. van Dijk (verschenen in oktober 2019)

LEES MEER EN DOWNLOAD HET GRATIS GEDEELTE VAN TAO EN TEH

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *