Het labyrint der wereld en het paradijs des harten – het literaire werk van Jan Amos Comenius

BESTEL SOFTBACK  VOOR € 10,-

BESTEL E-BOOK VOOR € 5,-

In Het labyrint der wereld en het paradijs des harten van Jan Amos Comenius (1592 – 1670, fakkeldrager van het Rozenkruis 9) is voor veel lezers, zeker in de huidige tijd, een feest van herkenning. Comenius was niet alleen pedagoog en filosoof, maar vooral ook een universele mens . Hij stelt de wereld voor als een stad waarvan de straten de verschillende standen en beroepen in de maatschappij vertegenwoordigen. Pelgrim is op zoek naar het beroep dat het best bij hem past, maar in de stad heersen misbruik, wanorde en vervreemding. Over deze stadwereld heerst koningin Wijsheid alias Zinloosheid.

Het eerste deel – Het labyrint der wereld – toont de slechte gewoontes van mensen en hun karakters. Met scherpe pen en vol humor tekent Comenius een wereld die juist nu als zodanig herkenbaar is. Wanneer Pelgrim uiteindelijk diep teleurgesteld de wereld wil verlaten, wordt hij door God geroepen. Hij sluit hem in zijn hart. In het daaropvolgende utopische deel wordt Pelgrim klaargestoomd om met nieuwe energie en nieuwe inzichten weer deel uit te maken van de wereld. Hieronder volgen achtereenvolgens het eerste en het laatste hoofdstuk van ‘Het labyrint der wereld’ en van ‘Het paradijs des harten’, het besluit ( dat een gebed is) en de inhoudsopgave.

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN EN OVER COMENIUS

H E T  L A B Y R I N T  D E R  W E R E L D

1 DE BEWEEGREDENEN VAN MIJN PELGRIMSTOCHT DOOR DE WERELD

1 Toen ik de leeftijd had bereikt waarop het menselijke verstand het onderscheid tussen goed en kwaad, de verschillen in standen, rangen en beroepen, de bezigheden en de oogmerken van de mensen begint duidelijk te worden, scheen het mij dringend noodzakelijk goed te overwegen bij welke groep ik mij zou aansluiten en aan welke goede zaak ik mijn leven zou wijden.

Wankelmoedigheid van geest

2 Nadat ik hierover veelvuldig had nagedacht en mijn verstand ijverig had geraadpleegd, kwam ik tenslotte tot de overtuiging dat ik het meeste genoegen zou vinden in een levenswijze waarin zo weinig mogelijk moeite en zorg en zoveel mogelijk gemak, vrede en blijmoedigheid te vinden zou zijn.

3 Maar vervolgens leek het mij moeilijk tot inzicht te komen welk beroep met een dergelijke leefwijze zou overeenstemmen. Ook wist ik niet wie ik hierover met succes zou kunnen raadplegen, afgezien van het feit dat ik dit niet eens zo erg wenste, daar ik vreesde een verkeerde keus te maken, durfde ik niets geheel zelfstandig en overijld te beginnen.

4 Toch, ik beken het, ben ik heimelijk aan het werk getogen en daarna nogmaals opnieuw, maar zodra ik ontdekte dat mijn moeite – zoals het mij toescheen – vergeefs was, liet ik onmiddellijk alles weer op zijn beloop. Ondertussen vreesde ik dat mijn onstandvastigheid mij tot schande zou strekken; dus wist ik niet wat te doen.

5 Toen ik mij zelf hiermee heimelijk gekweld en het hoofd erover gebroken had, kwam ik tot het besluit eerst alle menselijke werken onder de zon in ogenschouw te nemen en pas wanneer ik op verstandige wijze het ene met het andere zou hebben vergeleken, een bepaald beroep te kiezen en mijn zaken zo keurig te regelen dat ik in de wereld een tevreden bestaan zou kunnen leiden.

36 DE PELGRIM WIL DE WERELD ONTVLUCHTEN

De pelgrim tracht de wereld te ontvluchten

1 Daar ik deze aanblik en het verdriet van mijn hart niet langer verdragen kon, vluchtte ik om mij ergens in een woestenij terug te trekken of, indien mogelijk, de wereld voor altijd te verlaten. Mijn gidsen kwamen mij echter achterna en vroegen waarheen ik van plan was te gaan. Ik antwoordde niet, daar ik hen door mijn zwijgen wilde afschepen. Toen zij mij echter niet loslieten en nog onstuimiger aandrongen zei ik: ‘Ik zie dat het in de wereld nooit beter zal worden. Wee mij, ik heb alle hoop verloren!’

‘Komt u, nu u als afschrikwekkend voorbeeld het lot dat zulke betweters wacht hebt gezien, nog niet tot andere gedachten?’ vroeg verblinding boos.

‘Ik wil liever duizend doden sterven dan daar te leven waar dergelijke gruwelen plaatsvinden en al het onrecht, bedrog, leugen, verleiding en wreedheid te moeten aanzien. Daarom is de dood mij liever dan het leven. Ik ga nu het lot van de doden die daar uitgedragen worden onderzoeken.’

Verblinding verdwijnt

2 Overalblij willigde direct mijn verzoek in met de woorden dat het goed was ook deze dingen te zien en te begrijpen. Verblinding raadde het mij af en verzette er zich sterk tegen. Ik luisterde niet, rukte mij los en ging weg. Hij bleef echter staan en liet mij gaan.

De pelgrim ziet stervenden en doden. De bodem aan gene zijde van de wereld

2 Om mij heen kijkend trok vooral mijn aandacht de manier waarop de stervenden, van wie er daar een vrij groot aantal was, de laatste adem uitbliezen. Het was een treurig gezicht hoe allen angstig en weeklagend, vriend en sidderend de geest gaven. Zij wisten niet wat er met hen zou gebeuren en waar zij terecht zouden komen. Ofschoon ik wel erg schrok liep ik, gehoor gevend aan de drang alles grondig te onderzoeken, toch tussen de in lange rijen opgestelde baren door tot ik aan het einde van de wereld kwam waar de duisternis begon.

Hier, waar anderen met gesloten ogen hun doden uitwierpen, rukte ik de bril van de verblinding af, wreef de ogen uit en boog zo ver mogelijk naar voren. Ik werd slechts een vreselijke duisternis gewaar, waarvan de eindeloosheid en de bodemloosheid het menselijk begrip te boven gingen en in die duisternis niets dan wormen, kikvorsen, slangen, schorpioenen, ontbinding en stank, de lucht van zwavel en pek die lichaam en ziel met bederf doordrongen, kortom, onuitsprekelijke verschrikkingen.

De pelgrim bezwijkt van vrees

4 Verbijsterd door dit alles verstijfden mijn ingewanden, ik beefde over al mijn leden en viel bezwijk van schrik ter aarde. ‘O, allerbeklagenswaardigste, ellendigste, rampzaligste schepselen!’ riep ik in wanhoop. ‘Is dit het roemrijke lot dat u tenslotte wacht, het besluit van uw vele schitterende daden, het doel van uw kundigheden waarop u zo opgeblazen pochte, de eindpaal van uw veelvuldige wijsheid? Zijn dit de vrede en de rust waarnaar u na talloze moeiten en plagen uitzag? Is dit de onsterfelijkheid waarop u altijd hebt gehoopt? O, was ik toch nooit geboren, nooit door de poort des levens gegaan als na alle nutteloze wereldse zorgen slechts duisternis en verschrikking mijn deel zullen zijn. O God, God, als u waarlijk God bent, erbarm u over mij, ellendige!’

H E T  P A R A D I J S  D E S  H A R T E N

37 PELGRIM KOMT THUIS

Het begin van de bekering is het werk van God

1 Nauwelijks had ik mijn klacht geuit en sidderde nog van schrik toen ik plotseling achter mij een zachte stem hoorde spreken: ‘Keer weer!’ Ik hief het hoofd wat op en wilde zien wie mij geroepen had en waarheen ik mij moest wenden, maar ik zag niemand. Zelfs mijn gids Alweter had mij verlaten.

2 En hoor, daar klonk opnieuw die stem: ‘Keer weer!’ Daar ik echter niet wist waarheen ik moest terugkeren of hoe mij uit mijn onmacht op te heffen werd ik bedroefd. Maar hoor, voor de derde maal riep de stem: ‘Keer weer vanwaar u bent uitgegaan, in het huis van uw hart en sluit de deur achter u!’ 

Vervolgens eist de bekering ook een toegewijde medewerking

3 Aan deze raad gaf ik, zo goed als ik hem begreep, gehoor. En ik heb goed gehandeld aan Gods stem gehoor te geven!  Maar dit was al een genadegift van Hem. Zo goed ik kon verzamelde ik mijn gedachten, sloot ogen, mond, neusgaten en alle overige toegangswegen tot de buitenwereld en keerde in tot mijn hart, maar zie, daar was het duister. Toen ik evenwel met de ogen knipperend wat rondkeek, ontdekte ik bij het schijnsel van een zwakke lichtstraal die door enkele kieren naar binnenviel, boven in de welving van mijn kamertje een eigenaardig groot, rond glasvenster. Het was echter zo verontreinigd en bezoedeld dat het nauwelijks enig licht doorliet.

Beschrijving van de verdorven natuur

4 Toen ik bij dit zwakke, sombere schijnsel naar alle kanten rondkeek, zag ik aan de wanden kleine geschilderde portretten hangen, naar het scheen eens door een meesterhand vervaardigd, maar waarvan nu de kleuren waren verbleekt. Van de afgebeelde personen waren sommige ledematen afgehouwen of afgebroken. Wat naderbij komend las ik de opschriften. Voorzichtigheid, Deemoed, Gerechtigheid, Kuisheid, Matigheid en andere. Midden in het vertrek lagen op een grote hoop en in de grootste wanorde door elkaar geworpen: gebroken en verbrijzelde ladders, gespleten hijsblokken, gebroken touwen, een paar grote vleugels waaruit veren waren getrokken en tenslotte vuurwerkraderen met gebroken en verbogen assen, tanden en stijltjes.

Zij kan door menselijke wetenschap niet verbeterd worden

5 Verwonderd vroeg ik mij af waarvoor al deze werktuigen dienden, hoe en door wie zij zo waren beschadigd en hoe zij weer in orde gebracht konden worden. Ik kon hoe ik ook keek en dacht de oorzaak niet vinden, maar de hoop rees dat Hij die mij door Zijn roep in dit vertrek had gebracht mij weer zou toespreken en in al het verdere zou onderrichten. Want datgene waarvan ik hier de aanvang zag bracht mij tot rust, niet alleen omdat het in deze kamer niet zo stonk als in de ruimten die ik eerder in de wereld had doorgewandeld, maar ook omdat hier geen ruis, geratel, geschreeuw, gekraak, getier, onrust of ander geweld werd vernomen. Hier heerste rust.

53 DE PELGRIM WORDT ONDER DE MEDEBEWONERS VAN GODS RIJK OPGENOMEN

1 Toen ik uitgesproken was klonk de stem van mijn verlosser, Jezus de Heer, uit het midden van Gods troon en hoorde ik de volgende woorden: ‘Vrees niet, Mijn beminde, Ik ben met u, uw verlosser en trooster, vrees niet. Zie, uw ongerechtigheid is van u weggenomen en uw zonde is uitgewist. Verblijd u, want uw naam staat geschreven bij die van de hemelingen; indien u Mij trouw zult dienen zult u worden als een van hen. Laat wat u hiet hebt gezien daartoe strekken dat u Mij nog meer zit eerbiedigen en te zijner tijd zult u grotere dingen zien. Wees alleen waakzaam in datgene waartoe Ik u geroepen heb en bewandel trouw de weg die Ik u gewezen heb. Toef slechts als pelgrim, bijwoner, nieuweling of gast in de wereld zolang ik u daarin laat, maar blijf bij mij hier als medebewoner van Gods rijk, want ik schenk u het burgerrecht van de hemelstad. Zoek daarom omgang met de hemel, hef steeds uw hart zo hoog u kunt tot Mij, maar laat het zo diep mogelijk buigen voor uw naaste.

Maak gebruik van de aardse dingen zolang u in de wereld ben, maar schep alleen genoegen in de hemelse zaken. Voeg u naar Mijn wil, doch verzet en kant u tegen wereld en vlees. Bewaar in uw innerlijk de wijsheid die Ik u heb geschonken en leef eenvoudig zoals u is aanbevolen. Laat uw hart spreken, uw tong zwijgen; wees teergevoelig als u de beden van uw naasten aanhoort, doch gehard in het dragen van onrecht dat u zelf treft. Dien met uw ziel alleen Mij, met uw lichaam wie u kunt of moet dienen. Doe hetgeen Ik u beveel, draag wat Ik u opleg, wees onbereidwillig jegens de wereld, volg Mij altijd. Laat uw lichaam in de wereld zijn en uw hart in Mij. Als u slechts zo wilt handelen zult u gezegend zijn en zal het u goed gaan. Zet nu uw weg voort, Mijn zoon, sta in uw roeping tot het einde van uw leven en geniet met blijdschap de troost waartoe Ik u heb geleid.’

54 BESLUIT

Hierop verdween het gezicht en ik sloeg mijn ogen naar boven en dankte zo goed als ik vermocht mijn Verlosser met de volgende woorden:

‘Gezegend zijt Gij, mijn Heer en God, die eeuwig lof en prijs waardig zijt en gezegend zij Uw glorierijke en hoogheilige naam in alle eeuwigheid! Dat uw engelen U verheerlijken en al Uw heiligen Uw lof verkondigen. Want groot zijt gij van vermogen en Uw wijsheid is ondoorgrondelijk, Uw barmhartigheid gaat al Uw werken te boven. Ik wil u loven, Heer, zolang ik besta, want gij hebt mij verheugd door Uw barmhartigheid en mijn mond vervuld met gejuich daar Gij mij uit het meesleurende geweld van de stroom gerukt, uit een diepe draaikolk gered en mijn voeten op vaste grond gezet hebt.

Ik was verwijderd van U, o God, die de eeuwige vreugde zijt, maar Gij zijt tot mij gekomen met Uw erbarming. Ik heb gedwaald, maar Gij hebt mij aan het recht pad herinnerd. Ik doolde rond met wankelende schreden, niet wetende waarheen mij te wenden, maar Gij hebt mij op de rechte weg geleid. Ik liet Uw leiding varen en had U en mij zelf verloren, maar Gij verscheen en deed mij tot mijzelf komen en tot U terugkeren.

Ik ben gekomen waar de bitterheid van de hel begint, maar Gij trok mij achterwaarts en voerde mij omhoog tot waar de hemelse vreugde een aanvang neemt. Daarom looft mijn ziel haar Heer en alles wat in mij is Zijn heilige naam. Mijn hart is bereid, o Heer, mijn hart is bereid, ik zal U ter eer zingen en jubelen. Want gij zijt hoger dan al wat hoog is en dieper dan al wat diep is, wonderbaarlijk heerlijk en vol mededogen. Wee de verdwaasde zielen die, na u te hebben verlaten, nog menen de vrede te kunnen vinden die buiten U noch in de hemel noch op aarde noch in de afgrond te vinden is, want in U alleen is eeuwige rust.

Hemel en aarde zijn de Uwe, zijn goed, schoon en begeerlijk omdat zij door U zijn geschapen. Toch zijn zij noch zo goed, noch zo schoon en evenmin zo begeerlijk als Gij, hun schepper. Daarom kunnen wij de honger vlade ziel die naar troost zoekt niet verzadigen en haar dorst niet stillen. Gij Heer, zijt de volkomen vervulling, ons hart is onrustig zolang het niet in U tot rust komt. Ik heb U, o eeuwige, laat liefgekregen omdat ik U zo laat heb leren kennen. Ik leerde u kennen toen gij Uw schijnsel op mij deed vallen, o hemels licht!

Laat zwijgen over Uw lof wie Uw barmhartigheid niet zelf heeft ervaren, maar gij, mijn diepste innerlijk, belijd uw Heer! O, wie geeft mij dat mijn hart door U bedwelmd mag worden. Gij, geur der eeuwigheid, opdat ik al datgene vergeet wat Gij niet zijt, mijn Heer. Verberg U niet langer voor mijn hart, o schoonste schoonheid, en indien de aardse dingen U voor mij zouden verdonkeren, wil ik liever sterven, juist omdat ik U dan steeds aanschouw, bij U mag zijn en U nimmermeer zal verliezen. Houd mij vast, Heer, leid mij, draag mij, dat ik niet van U afdwaal en niet valle. Geef dat ik U liefheb met een eeuwige liefde en dat ik boven U niets anders bemin, tenzij om Uwentwil en in U, o oneindige liefde.

Doch wat zal ik nog meer spreken, mijn heer? Hier ben ik, de Uwe ben ik, de Uwe ben ik voor eeuwig. Ik wil mijn hemel en aarde graag ontzeggen als ik slechts U heb. Onttrek U niet aan mij, aanheb ik genoeg. Een genoegzaam deel van wat de hele eeuwigheid door onveranderlijk is vind ik in U alleen.

Mijn ziel en lichaam jubelen U, de levende God, tegemoet. Ach, mag ik haast heengaan en voor Uw aangezicht verschijnen? Neem mij, o Heer mijn God, wanneer het Uw wil is, hier ben ik, ik sta gereed. Roep mij wanneer Gij wilt, waarheen Gij wilt, zoals Gij wilt. Ik wil gaan waarheen Gij mij beveelt, ik zal doen wat gij mij gebiedt. Uw goede geest geleide mij en voert mij als over een effen land door de valstrikken van de wereld heen en Uw barmhartigheid geleide mij op al mijn wegen en voert mij door de bange duisternissen der wereld tot het eeuwige licht.

Amen en amen.’

Gloria in exelsis Deo in terra Pax homnibus bonte Voluntatis.

(Ere zij God in de hoge en vrede de mensen op aarde die van goeden wille zijn.)

LEES OVER DE BOVENSTAANDE TRILOGIE OVER COMENIUS

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf
Inleiding
Opdracht aan Baron Karel van Žerotín
Aan de lezer

Het labyrint der wereld

  1. De beweegredenen van mijn pelgrimstocht door de wereld
  2. De pelgrim krijgt Overalbij als gids
  3. Verbinding sluit zich aan
  4. De pelgrim ontvangt een toom en een bril
  5. De pelgrim ziet de wereld vanaf een hoogte
  6. Het lot verdeelt de beroepen
  7. De pelgrim bekijkt het marktplein der wereld
  8. De pelgrim onderzoekt de echtelijke staat
  9. De pelgrim onderzoekt de handwerkersstand
  10. De pelgrim onderzoekt de stand van de geleerden
  11. De pelgrim onder de filosofen
  12. De pelgrim beschouwt de alchemisten
  13. De pelgrim beschouwt de rozenkruisers
  14. De pelgrim onder de geneesheren
  15. De pelgrim bij de rechtsgeleerden
  16. De pelgrim is getuige van de promotie van meesters en doctoren
  17. De pelgrim leert de stand van de geestelijken kennen
  18. De pelgrim beschouwt het christendom
  19. De pelgrim onderzoekt de stand van de overheden
  20. De soldatenstand
  21. De ridderstand
  22. De pelgrim bi ode schrijvers van nieuwsbladen
  23. De pelgrim beschouwt het slot van Fortuna
  24. Het leven van de rijken
  25. Het leven van de genotzuchtigen
  26. Het leven van de groten der wereld
  27. Het leven van de beroemdheden
  28. De pelgrim is ontmoedigt inheeft een twistgesprek met zijn gidsen
  29. De pelgrim bezoekt het paleis van Wijsheid, koningin van de wereld
  30. De pelgrim wordt door zijn gidsen aangeklaagd
  31. Salomo verschijnt met groot gevolg in het paleis van Wijsheid
  32. De pelgrim werpt een blik in de geheime oordelen en het bestuur van de wereld
  33. Salomo onthult de ijdelheden en het bedrog van de wereld
  34. Salomo wordt bedrogen en misleid
  35. Salomo’s gevolg wordt uiteengedreven, gevangengenomen en ter dood gebracht
  36. De pelgrim wil de wereld ontvluchten
  37. De pelgrim komt thuis
  38. De pelgrim ontvangt Christus als zijn gast
  39. De pelgrim treedt in binding met de Christus
  40. De pelgrim is als omgekeerd
  41. De pelgrim wordt in de onzichtbare kerk opgenomen
  42. Het inwendige licht van de christenen
  43. De wijsheid van de aan God gewijde harten
  44. De innerlijke wet van de christenen
  45. Alles is licht en gemakkelijk voor het aan God gewijde hart
  46. De heiligen hebben overvloed van alles
  47. De veiligheid van hen die God zijn toegewijd
  48. De ware christenen genieten een volkomen vrede
  49. Het hart van de ware christenen is duurzaam van vreugde vervuld
  50. De pelgrim beschouwt de christenen in verband met hun standen
  51. De dood van de ware christenen
  52. De pelgrim aanschouwt de heerlijkheid Gods
  53. De pelgrim wordt onder de medebewoners van Gods rijk opgenomen
  54. Besluit

LEES OVER DE BOVENSTAANDE UTOPIEËN UIT DE RENAISSANCE