Het twaalfde uur van het Nuctemeron van Apollonius van Tyana verwijst naar samenwerkende gnostieke magiërs

BESTEL DIT BOEK

‘Hier worden door het vuur de werken van het eeuwige licht vervuld.’ Dit is de formulering van het twaalfde en laatste uur van Het Nuctemeron van Apollonius van Tyana. Apollonius was een ingewijde die leefde aan het begin van de jaartelling. Het Nuctemeron is een meditatietekst met twaalf niet gemakkelijk te doorgronden korte uitspraken die tezamen het beeld oproepen van een twaalfvoudige weg van inwijding. Hieronder volgt een gedeelte uit een commentaar op het twaalfde uur van het Nuctemeron door J. van Rijckenborgh, één van de oprichters van de School van het Rozenkruis. 

Wat is nu de belangrijkste taak van een leerling in de Geestesschool? Het is: door zelfovergave aan het heilige werk de mogelijkheid te scheppen dat het nieuwe astrale vuur zijn arbeid zal verrichten in dezer tijden gang. Door zelfovergave en persoonlijke liefdedienst voor wereld en mensheid moeten wij het mogelijk maken dat de groep voldoende geslepen en gepolijst zal blijken om, als spiegel voor het licht van de universele, astrale zon, genoeg glans der eeuwigheid in onze duistere wereld te weerkaatsen.

Zij die zo mee kunnen werken, in vol bewustzijn dienend met hun taak van hart, hoofd en handen, zullen in de volle zin des woords gnostieke magiërs genoemd kunnen worden. Een gnostieke magiër is een mens die arbeiden mag en arbeiden kan met de krachten die hem van boven – dus niet van déze wereld – verleend worden. Immers, het astrale vuur van de wereld der levende zielestaat heeft niets aards en planetairs in zich. 

Dit vuur kan met recht worden aangeduid als goddelijke kracht. Daarom dient de gnostieke magiër zich dagelijks dat bekende woord voor te houden: ‘Wie staat zie toe dat hij niet valle!’ Want er zijn drie grote gevaren die hem, zolang hij in de natuur des doods zal moeten arbeiden, van uur tot uur bedreigen. Maar daartegenover staat dat er vier grote krachten zijn die hem steeds te hulp zullen snellen wanneer hij er een beroep op doet, vier krachten der genade, die hem uiteindelijk onoverwinnelijk zullen maken. 

De drie grote gevaren die hem bedreigen vloeien voort uit het feit dat de werker zich in de natuur des doods bevindt. De gnostieke magiër is zelf uit deze natuur ontheven en in zijn wedergeboren staat heeft hij deel gekregen aan de wereld van de levende zielestaat. Daar hij nu zijn arbeid moet vervullen in een hem volkomen vreemd geworden natuurorde, waarin zich ook vele vijandige krachten bevinden, is het duidelijk dat hij daarmee ieder ogenblik rekening zal moeten houden. 

Het eerste gevaar dat de gnostieke magiër onder ogen zal moeten zien is gelegen in een voortdurend beroep dat men zal doen op zijn hulp en bijstand. Levert dat dan gevaar op? Inderdaad! Juist omdat de gnostieke magiër krachtens zijn wezen allereerst een helper wil zijn! U moet er goed van doordrongen zijn dat als een gnosticus iemand helpt, er altijd een binding ontstaat, een magnetische binding tussen helper en geholpene. 

Zulk een binding van een zielemens met een dialectisch mens zonder meer is dan ook slechts in hoogst enkele gevallen verantwoord, namelijk alleen dan wanneer er voor de dialectische mens zielewinst, bevrijdend leven uit geput zal kunnen worden. Uiteraard zal de gnostieke magiër, die werkzaam is met het nieuwe astrale vuur, over grote machten en mogelijkheden beschikken en dus in vele opzichten ‘de sterke’ zijn. 

Daarom zal men trachten misbruik te maken van die mogelijkheden en trachten ze aan te wenden voor gewone aardse aangelegenheden. Juist daardoor zal de werker, gezien de magnetische wet van binding, geslachtofferd worden en het gevaar lopen opnieuw gevangen te worden in de planetaire gevangenis. Elkeen die dus met gnostieke krachten werkzaam is, zal zeer op zijn hoede dienen te zijn om niet op die manier in een warnet te worden verstrikt. 

Voorts ligt het voor de hand dat iedere gnostieke werker bloot zal staan aan vervolging.Vervolging op allerlei wijzen. De natuur-eonen van de planetaire sfeer en al hun lichtkrachten zijn, zoals vanzelf spreekt, verstoord door het optreden van de gnostieke werkers, want de natuureonen worden steeds, zoals het gnostieke Evangelie van de Pistis Sophia dat noemt, door de grote lichtkracht van het zesde kosmische gebied ‘uit hun orde gestoten’. 

Daarom zal iedere werker, waar hij ook is, waar hij ook gaat en staat, worden vervolgd of belemmerd in al zijn activiteiten. Niet vervolgd door lugubere krachten, doch door alles en allen die zich in hun bestaan bedreigd achten. Zie die vervolging daarom als essentieel, behorend tot alles wat tot de natuur des doods behoort. 

Zoals iemand belemmerd wordt in zijn gaan als hij een stroom moet doorwaden, omdat het waterelement meer weerstand biedt dan het luchtelement, zo zijn de fundamentele weerstanden, die één zijn met de natuur des doods, steeds doende de arbeider in Gods verworden wijngaard te weerstaan. 

De mogelijkheid ligt dan ook voor de hand dat zulk een weerstand of een samenloop van tegenwerkende factoren een incident veroorzaakt, een situatie waardoor de werker inderdaad wordt opgehouden, een situatie waar hij niet direct doorheen zal kunnen breken. Dit beduidt dan tijdverlies en energieverlies, derhalve stagnatie in het grote proces van wereld- en mensheidsredding. 

Zo zien wij dus dat er voor de kandidaat drie gevaren zijn: ten eerste het gevaar van funeste magnetische binding; ten tweede het gevaar van vervolging en dus vertraging; ten derde het gevaar van ernstige stagnatie. 

U begrijpt dat, wanneer de werker deze gevaren kent, van tevoren weet dat ze op zijn pad zullen komen, hij er volkomen rekening mee zal kunnen houden. Hij zal steeds op zijn hoede zijn en zo zal hem geen kwaad kunnen overkomen.Vooral omdat hij, naast de drie gevaren, ook weet van de vier krachten der genade, die hem dagelijks van stap tot stap begeleiden. 

Ten eerste zal de broeder of zuster van de Heilige Graal, wanneer dat door hem of haar gewild wordt, of zelfs wanneer er iets geschiedt door onbewustheid, niet door een disharmonische binding, vervolging of stagnatie gegrepen kúnnen worden. De Gnosis verzekert de onmogelijkheid van ontwijding. 

Daar vloeit dan verder uit voort dat iedere deelgenoot aan het universele leven, waar hij of zij zich ook krachtens zijn of haar roeping bevinden zou, het volstrekte deelgenootschap aan de wereld van de levende zielestaat blijft behouden. Er kán geen scheiding zijn voor hen die in de zielegemeenschap opgenomen zijn. 

Ten derde bezit de gnostieke werker het vermogen tot onderscheiding der geesten. Hij zal dus ten volle en van tevoren iedere geest kunnen beproeven of deze waarlijk uit God is. 

Ten vierde bezit de gnostieke magiër als kroon der genade het vermogen van absolute onoverwinnelijkheid. 

Daarom is het zeker dat zij die intelligent – kennende hun taak en roeping in het proces van wereld- en mensheidszieleredding – op het pad van dienst staan, in het bezit van de vier krachten der genade, niet beangst behoeven te zijn voor de drie besproken fundamentele gevaren. Zij zullen ongetwijfeld hun taak tot een goed einde brengen. 

Bron: Het Nuctemeron van Apollonius van Tyana door J. van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *