De blik van Medusa – roman van Natalie Haynes gebaseerd op Griekse mythen

BESTEL DE BLIK VAN MEDUSA

Natalie Haynes heeft als missie om nieuw licht te werpen op vrouwelijke personages in Griekse mythen. Medusa is de enige sterfelijke dochter in een familie van Gorgonen. Terwijl ze opgroeit met haar twee zussen beseft ze al snel dat zij de enige van het gezin is die ouder wordt, verandering ondergaat en kwetsbaar is. Wanneer de god en heerser van de zee, Poseidon, in Athenes heilige tempel een onvergeeflijke misdaad begaat, neemt de godin wraak op een onschuldige: Medusa. Haar leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Verbijsterd ziet ze dat haar prachtige krullen vervangen zijn door slangen en merkt ze dat haar blik elk levend wezen in steen verandert. Medusa kan nooit meer naar haar geliefden kijken zonder ze te doden. Ze is gedoemd tot een leven in het halfduister, totdat Perseus aan zijn queeste begint om het hoofd van een van de Gorgonen te pakken te krijgen. De blik van Medusa is het door vele stemmen vertelde verhaal over een jonge vrouw die een monster werd. En over de vraag of ze ooit wel echt een monster is geweest.

GORGONEION

Ik zie jullie. Ik zie ieder van jullie die door de mensen monsters worden genoemd.
En ik zie de mannen die hen zo noemen. Zij noemen zichzelf natuurlijk helden.
Ik zie ze maar heel even. Dan zijn ze weg.
Maar het is lang genoeg. Lang genoeg om te weten dat het niet de held is die barmhartig is of moedig of trouw. Soms – niet altijd, maar soms – is hij monsterlijk.
En het monster? Wie is zij? Zij is wat er gebeurt als iemand niet te redden is.
Dit specifieke monster wordt aangerand, misbruikt, geschonden.
Toch is, zoals het verhaal altijd wordt verteld, zij degene die je moet vrezen. Is zij het monster.
Dat valt te bezien.

PANOPEIA

Zo ver naar de avondzon als je kunt reizen ligt een oord waar de zee in een smalle sliert landinwaarts krult. Je bent waar Aithiopia Okeanos raakt: het verste land en de verste zee. Als je eroverheen kon vliegen, het kon zien zoals de vogels het zien, zou je merken dat deze vaargeul (die geen rivier is, want ze stroomt de verkeerde kant op, al zou je dat als onderdeel van haar magie kunnen zien) kronkelt als een adder. Je bent over de Graiai gevlogen, maar dat is je misschien niet opgevallen, want zij houden zich schuil in hun hol om niet op hun klif te struikelen en de woeste zee in te tuimelen. Zouden ze zo’n val overleven? Allicht: ze zijn onsterfelijk. Maar zelfs een god wil niet tot in de eeuwigheid door zowel de golven als de rotsen gebeukt worden.

Je bent ook voorbij de grot van de Gorgonen gescheerd, die op geringe afstand wonen van de Graiai, hun zusters. Ik noem hen zusters, maar ze hebben elkaar nooit ontmoet. Ze zijn met elkaar verbonden – al weten ze dat niet, of zijn ze het al lang vergeten – door de lucht en de zee. En nu ook door jou.

Onderweg zul je ook andere plaatsen moeten aandoen: de Olympos natuurlijk. Libya, zoals het door de Egyptenaren en later door de Grieken zal worden genoemd. Een eiland dat Seriphos heet. Misschien lijkt zo’n tocht je te hachelijk. Hoe dan ook, dat je je hier bevindt betekent dat je het einde van de aarde al hebt bereikt, dus zul je nu zelf de weg terug moeten vinden. Je bent niet ver van waar de Hesperiden wonen, al vrees ik dat je op hen niet hoeft te rekenen, ook al zou je hen weten te vinden (wat niet zo is). Dus ben je bij de Gorgonen. Je bent bij Medusa.

METIS

Metis veranderde van gedaante. Als je haar had gezien vlak voordat ze zich van het gevaar bewust werd, zou je een vrouw hebben gezien. Rijzig, met lange ledematen, dik zwart haar in een vlecht op haar rug. Haar grote ogen omrand met kohl. De manier waarop ze alles tegelijk leek op te nemen gaf haar blik iets vogelachtigs: waakzaam, zelfs als ze roerloos zat. Ze had ook haar afweermiddelen, welke godin had die niet? Maar Metis was beter voorbereid dan anderen, ook al was ze niet gewapend met pijlen, zoals Artemis, of met nauwverholen drift, zoals Hera.

Dus toen ze voelde – nog vóór ze het zag – dat ze in gevaar was, veranderde ze in een arend en vloog de hoogte in, met gouden vleugels waarvan de buitenste veertjes lichtjes wapperden in de zoele zuidenwind. Maar zelfs haar scherpe ogen konden niet zien wat de korte haartjes boven aan haar vlecht had doen samentrekken toen ze nog haar mensengedaante had. Ze cirkelde enkele keren door de lucht, maar kon niets bespeuren en streek uiteindelijk neer in de top van een cipres, waar ze haar gespierde nek naar links en rechts draaide, waakzaam als altijd. Ze spiedde rond en dacht na.

Vanuit de hoge takken daalde ze naar de zanderige grond; bij het neerkomen trokken haar klauwen smalle voren in het stof. Een tel later was ze geen arend meer. Haar kromme snavel trok zich in en haar gevederde poten verdwenen onder haar. Het ene pezige lijf ging over in het andere; alleen de intelligentie in de spleetjes van haar ogen bleef constant. Nu gleed ze over de keien; de schubben op haar rug vormden een zigzagpatroon, haar buik had de kleur van bleek zand. Even rap als ze door de lucht had gevlogen flitste ze nu over de grond.

Onder een cactus hield ze halt. Ze drukte haar lichaam in de aarde in een poging de bron van haar onrust te voelen die ze als arend niet had kunnen lokaliseren. Maar ook al vluchtten de ratten die zich aan etensresten uit de nabijgelegen tempel tegoed deden voor haar weg, de voetstappen van degene voor wie zij zou moeten vluchten voelde ze niet. Ze overdacht wat ze het beste kon doen.

Een tijdlang bleef ze onder de cactus liggen, in het behaaglijk hete zand; alleen haar geloken ogen bewogen, verder niets. Ze was nagenoeg onzichtbaar, wist ze. Ze was sneller dan bijna alle andere dieren en haar beet was giftig, dodelijk. Ze had niets te vrezen. Toch voelde ze zich niet veilig. En ze kon hier niet eeuwig blijven, voor altijd een slang.

Ze wond zich los van de cactusstam en gleed de schaduw van de cipressen in. Opeens richtte ze zich op en veranderde opnieuw van gedaante. De zigzagstreep op haar rug viel uiteen in vlekken, de schubben zelf verzachtten tot een stugge vacht. Oren sproten op, geklauwde tenen verschenen aan het uiteinde van gespierde poten. De luipaard was imposant om te zien, zoals ze met haar staart zwiepte om de vliegen te verjagen. Eerst stapte ze traag, zich bewust van elk steentje onder haar zachte voetkussens. Opnieuw voelde ze de huivering van angst die ze opriep in de dieren om haar heen. Maar weer slaagde ze er niet in haar eigen angst af te schudden. Ze sprintte weg, tussen de bomen door, waar stekelig onkruid in haar vacht bleef haken. Niet dat het haar pas vertraagde. Ze kon alles vangen. En wat kon haar vangen? Niets. Ze verlustigde zich in haar kracht. Nagenoeg gewichtloos voelde ze zich, pure spierkracht, gericht op haar prooi.
En toen werd ze gevangen.

Zeus was overal en nergens tegelijk. De helwitte wolk die haar plotseling omhulde sneed haar de pas af. Ze trok haar kop in voor de gloed die te fel was voor haar kattenogen, veranderde terug in een slang terwijl de wolk zich verdichtte en haar steeds verder insloot. Ze probeerde eronderdoor te glippen, maar er was geen eronder. De wolk bolde van alle kanten op, vanaf de grond, vanuit de lucht. Ze probeerde hem af te schudden, maar welke kant ze ook op schoot, de wolk werd steeds taaier en compacter. Het felwitte licht was ondraaglijk: haar ogen brandden, hun beschermende vlies ten spijt. Ze deed nog een laatste poging zich te bevrijden door snel achtereen van gedaante te veranderen: in een arend, maar ze wist niet boven de wolk uit te vliegen; in een ever, maar ze wist zich met haar slagtanden geen uitweg te rijten; in een sprinkhaan, maar ze wist de wolk niet te verorberen; opnieuw in een luipaard, maar ze wist hem niet te ontlopen.

De wolk leek te stollen, ze voelde hoe hij haar omklemde. De druk deed haar spieren bonzen, zodat ze geen andere keus had dan zich kleiner en kleiner te maken: wezel, muis, cicade. De druk werd alleen maar groter. Ze deed een laatste poging: mier. Toen hoorde ze zijn gehate stem, de stem die zei dat ze niet aan hem kon ontkomen. Ze wist al wat ze moest doen om de pijn te laten stoppen. Zich onderwerpen aan een andere pijn. Haar nederlaag aanvaardend gaf ze zich gewonnen en nam haar oorspronkelijke gedaante aan.

Terwijl Zeus haar verkrachtte dacht ze zich in dat ze een arend was.

*

Het enige voordeel van Zeus’ seksuele incontinentie, dacht zijn echtgenote Hera vaak, was hoe extreem kortstondig die was. De begeerte, jacht en bevrediging waren van zo korte duur dat ze zichzelf aanpraatte dat het niets voorstelde en het nog bijna geloofde ook. Als er maar niet elke keer nageslacht van kwam. Steeds meer goden en halfgoden dienden zich aan, naar haar idee louter om haar in te wrijven hoe lukraak hij zijn ontrouw botvierde. Zelfs zij, een godin met een vrijwel onuitputtelijk reservoir aan rancune, kon nauwelijks de tel bijhouden van de stoet vrouwen, godinnen, nimfen en krijtende borelingen die ze moest afstraffen.

Doorgaans hoefde ze haar aandacht niet te richten op zijn voormalige echtgenote. Aan Metis dacht ze liever zo min mogelijk, en dan altijd met lichte ergernis. Niemand komt graag op de tweede plaats, of de derde, en Hera was daarop geen uitzondering. Lang voordat Hera haar zinnen op een huwelijk met Zeus zette was Metis zijn gemalin geweest. Maar hun wegen hadden zich al zo lang geleden gescheiden dat ze vergeten waren dat ze ooit man en vrouw waren geweest. Als Hera goedgehumeurd was liet ze het van zich afglijden, slechtgehumeurd zag ze het als overspel.

Wat haar vooral onredelijk voorkwam was dat een godin zich boven haar, Hera, levensgezellin van Zeus, verheven kon voelen, louter omdat ze hem eerder had gehad. En omdat Hera veel vaker slecht- dan goedgehumeurd was, had ze een hekel aan Metis. Maar omdat ze zo veel andere provocaties het hoofd moest bieden negeerde ze het meestal.

Het was – wie anders – Metis geweest die Zeus van advies had gediend tijdens zijn oorlog met de Titanen, Metis die Zeus had bijgestaan bij zijn strijd tegen zijn vader Kronos. Metis, die zo listig en schrander was en altijd plannetjes smeedde. Wel, Hera was net zo schrander als haar voorgangster, dat stond buiten kijf. Maar de omstandigheden dwongen haar om plannetjes tégen Zeus te smeden, terwijl Metis haar wijsheid ten gunste van hem had ingezet. Hera snoof. Het had haar niet gebaat. Hera had haar plaats ingenomen; wie bracht Metis nog in verband met Zeus? Wie twijfelde nog aan de superioriteit van zijn zuster en gemalin, Hera, koningin van de Olympos? Geen sterveling of god zou het wagen.

Vandaar dat ze het niet kon uitstaan dat Zeus haar uitgere- kend met zijn vorige vrouw had bedrogen. Het gerucht had zich als een wervelende bries onder de goden en godinnen verspreid. Niemand durfde Hera in te lichten, maar ze wist het allang. Elke nieuwe onthulling maakte haar verachting voor haar echtgenoot groter en haar voornemen hem een lesje te leren vaster. Al een etmaal hield Zeus zich opvallend stil; hij hoopte zeker dat zijn vrouw wel zou bijdraaien als hij haar een tijdje ontliep. Toen ze hem hoorde aankomen nestelde Hera zich in een grote, gerieflijke zetel in haar privéverblijf diep in het galmende geborchte van de Olympos en bestudeerde zogenaamd haar nagels.

Ze drapeerde haar gewaad zo dat het meer dan haar enkels liet zien en trok het bij de boezem iets omlaag. ‘Echtgenoot,’ zei ze toen Zeus met een ietwat schichtige blik op zijn gezicht binnenkwam.
‘Ja?’ antwoordde hij.
‘Ik maakte me zorgen om je.’
‘Ja, ik…’ Door de jaren heen had Zeus geleerd dat het beter was een zin niet af te maken dan zijn vrouw met een leugen af te schepen. Haar vermogen om zijn uitvluchten te doorzien was een van haar minst aantrekkelijke eigenschappen.
‘Ik weet waar je hebt gezeten,’ zei ze. ‘Iedereen heeft het erover.’
Zeus knikte. Uiteraard: geen grotere roddelaars dan de goden. Hij wenste dat hij destijds zo slim was geweest om hun geen stem te geven, althans, de goden die hij zelf had geschapen. Kon dat misschien nog met terugwerkende kracht?

Hera merkte dat ze niet zijn onverdeelde aandacht had. ‘En ik maakte me zorgen,’ zei ze nogmaals.
‘Zorgen?’ Hij wist dat het een valstrik was, maar soms was het gemakkelijker om er maar met beide benen in te trappen.
‘Zorgen om je toekomst, schat,’ prevelde ze en ging terloops verzitten zodat haar gewaad nog iets verder openviel.
Razendsnel woog Zeus de situatie. Zijn vrouw was vaak boos en soms verleidelijk, maar beide tegelijk, dat kon hij zich niet heugen. Hij deed een stap in haar richting, voor het geval dat de juiste zet was. ‘Mijn toekomst?’ vroeg hij, terwijl hij zijn hand uitstak en haar plagerig aan een van haar krullen trok.

Ze tilde haar hoofd op en keek hem recht aan. ‘Ja. Ik hoor zulke nare dingen over Metis’ nakomelingen.’ Ze voelde hem even verstrakken voordat zijn vingers hun gestreel vervolgden. Hij deed zijn best om zich in te houden, dat voelde ze. ‘Het was Metis, hè? Deze keer.’
Ze slaagde er niet in de scherpte uit haar stem te houden. In een oogwenk wond Zeus haar krullen om zijn hand. Ze wist dat hij in staat was haar haar van haar schedel te rukken als ze niet oppaste. ‘Ik vroeg me alleen af of je echt vergeten kunt zijn wat ze je ooit over haar kinderen heeft verteld,’ zuchtte Hera. ‘Dat ze een zoon zou baren die jou van de troon zou stoten.’

Zeus zweeg, maar ze wist dat haar pijl doel had getroffen. Hoe kon hij zo dom zijn geweest? Terwijl hij zijn vader had onttroond – met hulp van Metis nota bene – en zijn vader hetzelfde had gedaan met de zijne? Hoe kon hij vergeten zijn wat Metis zelf tegen hem had gezegd toen ze nog man en vrouw waren? De sufferd.
‘Je moet snel ingrijpen,’ ging Hera verder. ‘Ze heeft je verteld dat ze een dochter zou krijgen die iedereen, op haar vader na, zou overtreffen in wijsheid. En na haar een zoon die over goden en stervelingen zou heersen. Dat risico kun je niet nemen.’
Maar ze sprak tegen de ether, want haar echtgenoot was al verdwenen.

*

De tweede keer dat Zeus haar belaagde deed Metis geen poging zich te verbergen. Ze wist wat er ging gebeuren en ook dat ze niet aan hem kon ontkomen. Ze kon alleen nog hopen dat haar dochter (ook zonder haar profetische gaven zal ze hebben geweten dat het een dochter was, want dat voelde ze) zou blijven leven. Had ze geweten dat het zo zou gaan, lang geleden, toen ze haar man had verteld dat ze hem een dochter zou schenken, en daarna een zoon die zijn vader van de troon kon stoten? Beter dan wie ook wist ze wat Zeus vreesde. Hij zou alles in het werk stellen om te voorkomen dat hun zoon het levenslicht zag.

Opnieuw zag ze zich omhuld met een helwit licht, als de kern van een bliksemschicht. Opnieuw voelde ze de druk die haar kleiner en kleiner maakte: luipaard, slang, sprinkhaan. Maar ditmaal was er geen pijn. Alleen een plotse, allesomvattende duisternis toen Zeus haar in zijn reuzenvuist nam. En daarna het merkwaardige gevoel dat ze ín de zwarte wolk zat die op de bliksemflits volgt. Een duisternis waaraan geen einde zou komen. Zeus, besefte ze, had haar opgeslokt, met huid en haar. Zij en haar dochter zaten nu in de koning der goden; ontsnappen was uitgesloten. En terwijl dit tot Metis doordrong, en zij erin berustte, voelde ze dat iets binnen in haar, binnen in Zeus, er weerstand tegen bood.

STHENNO

Sthenno was niet de oudste zuster, want ze dachten niet in termen van tijd. Wel was ze van hen tweeën het minst geschrokken van de baby die op het strand voor hun grot was achtergelaten. Euryale was even verbijsterd als ontzet: waar kwam dat kind van- daan? Welke sterveling zou het wagen om de grot van de Gor- gonen te naderen en het daar neer te leggen? Sthenno had geen antwoord op haar vragen; zwijgend bogen ze zich over het kind en vroegen zich af wat ze ermee aan moesten.
‘Kunnen we het opeten?’ vroeg Euryale.
Sthenno dacht even na. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dat zouden we kunnen doen. Alleen is het wel een erg klein hapje.’
Haar zuster knikte somber.
‘Jij mag het hebben,’ zei Sthenno. ‘Ik heb al…’ Ze hoefde haar zin niet af te maken. Haar zuster zag de stapel afgekloven run- derbeenderen naast haar.

De zusters aten niet om hun honger te stillen: Gorgonen waren onsterfelijk, ze hadden geen voedsel nodig. Maar hun scherpe slagtanden, hun krachtige vleugels en hun sterke benen waren geschapen voor de jacht. En als je toch ging jagen kon je je prooi net zo goed opeten. Nogmaals keken ze naar het kindje. Het lag op haar rug in het zand, haar hoofdje ondersteund door een graspol. Haar zuster hoefde het niet hardop te zeggen, dacht Sthenno: als prooi viel er geen eer aan te behalen. Het vluchtte niet, het had zich niet eens in hoger gras proberen te verbergen.

‘Waar kan het vandaan gekomen zijn?’ vroeg Euryale opnieuw.
Ze hief haar enorme hoofd en zocht met haar bolle ogen de rotsen boven hen af. Niemand te bekennen.
‘Het moet uit het water gekomen zijn,’ antwoordde Sthenno. ‘Stervelingen kunnen niets zonder sturing van de goden. En al was dat wel zo, dan nog zouden ze het niet wagen hier te komen. Die baby is vanuit de zee hierheen gebracht.’

Euryale knikte en liet haar vleugels klapperen. Ze tuurde in alle richtingen over het zeeoppervlak. In de korte tijd sinds ze de baby hadden gevonden had een schip nooit uit het zicht kunnen verdwijnen. Ze hadden iets gehoord, waren opgestaan en samen de grot uit gelopen. Geen schip, geen zwemmer had zich zo snel onzichtbaar kunnen maken.

‘Ik weet het ook niet,’ beantwoordde Sthenno Euryales gedachten. ‘Maar kijk.’ Ze wees naar de baby en nu zag Euryale het ook: de cirkel nat zand onder het kindje en het spoor van zeewier dat naar de waterkant liep.
Peinzend zaten ze naast elkaar.
‘Kan het neergelegd zijn door…’ Euryale aarzelde en keek haar zuster aan; ze wilde niet dom overkomen.

Sthenno haalde haar brede schouders op, waarbij haar vleugels even het briesje vingen. ‘Ik weet niet wie het anders gedaan kan hebben,’ antwoordde ze. ‘Het moet Phorkys zijn geweest.’
Euryale sperde haar ogen open. ‘Maar waarom dan? En hoe komt hij aan een mensenkind? Van een schipbreuk?’

De Gorgonen wisten maar weinig van hun vader. Phorkys, een van de oergoden, leefde in de diepst van de oceaan met hun moeder Keto. Naast Euryale en Sthenno hadden ze nog een hele schare kroost. Skylla, een nimf met zes hondenkoppen en evenveel hondenmuilen, die hoog in een grot boven de zee woonde, vanwaaruit ze opdoemde om passerende zeelui te verslinden. Trotse Echidna, half nimf, half slang. De Graiai, drie grijze zusters die samen één oog en één tand deelden en in een hol woonden waar zelfs de Gorgonen zich niet zonder reden zouden wagen.

Sthenno en Euryale naderden het kind stap voor stap. Ach- ter hen fluisterde de zee. De baby was hoog boven de vloedlijn neergelegd. Sthenno wees naar het natte spoor van de branding naar het kind: een lange groef met paarsgewijze putjes aan weerskanten.
Euryale knikte. ‘Het was vader,’ zei ze. ‘Dat moeten zijn klauwafdrukken zijn.’

Toen ze dichterbij kwamen viel het Sthenno op dat het kind lag te slapen op een hoop verdord zeewier; had haar vader dat verzameld om een soort bedje te maken? Alles wat haar ogen za- gen voerde strijd met alles wat ze meende te weten. Dat Phorkys iets zo – Sthenno zocht naar het juiste woord – zo ménselijks deed als een baby in een zelfgemaakt wiegje leggen was onbestaanbaar. Toch waren dit onmiskenbaar de sporen van zijn klauwen, aan weerszijden van de brede vore die zijn vissenstaart had getrokken. En dan dat kindje, dat veilig boven de vloedlijn lag te slapen op die doorschijnende slierten wier; net afgestoten slangenvellen, bedacht ze.

Pas toen ze pal boven het kind stonden en Euryale het beurtelings monsterde als ongewenst bezoek en karig hapje, beseften de zusters dat Phorkys het doelbewust bij hen moest hebben achtergelaten.
‘Ze heeft…’ Euryale hurkte en hield haar hoofd schuin om de schouders van het kindje beter te bekijken. Door het zeewier heen was maar een stukje van haar rug zichtbaar, maar Euryale had het goed gezien. De baby had vleugels.

*

Het kostte de Gorgonen een heel etmaal om te aanvaarden dat ze er een zusje bij hadden, een mensenzusje nog wel. En daarna kostte het hun een paar dagen om te leren haar niet per ongeluk te doden.
‘Waarom huilt het zo?’ vroeg Euryale haar zuster. Ze porde even tegen de baby, met haar klauwen angstvallig in haar hand- palm verstopt om het kindje geen pijn te doen.
Bezorgd keek Sthenno haar zuster aan. ‘Ik heb geen idee,’ zei ze. ‘Wie weet waarom mensen doen wat ze doen?’ Beiden probeerden zich voor de geest te halen of ze stervelingen iets soortgelijks hadden zien doen, maar ze konden niets bedenken. Sterker, ze konden zich niet heugen ooit een mensenkind te hebben gezien, maar ineens schoot Euryale een aalscholvernest te binnen dat ze tussen de rotsen een eindje verderop had gevonden. De aalscholver had jongen, zei ze tegen Sthenno, die knikte alsof ze het zich ook herinnerde.

‘Die kuikens maakten een vreselijk kabaal,’ zei Euryale. ‘En de moeder voerde ze.’ Haar brede mond spleet tot een grijns. Ze vloog weg en koerste landinwaarts tot ze bij een nederzetting kwam. Met onder elke arm een schaap keerde ze terug. ‘Melk,’ zei ze. ‘Ze voeren baby’s melk.’
En zo leerden ze, ook al waren ze godinnen, hun kleine zusje eten te geven. Algauw merkte Sthenno dat ze niet meer wist hoe hun woonplek eruit had gezien zonder de bescheiden kudde schapen die behendig over de stenige bodem scharrelde.

Zelfs Euryale, die vroeger de lucht doorkruiste op zoek naar prooien die ze tussen haar machtige kaken vermaalde omdat ze het zo prettig vond knarsen, had blijkbaar plezier in het schapen hoe- den. Toen een arend op een dag een lammetje meegriste vloog Euryale eropaf om het te bevrijden. De arend was haar te snel af en ze keerde met lege handen terug, al dwarrelden achter haar een paar roofvogelveren omlaag in het zand. Maar de arend waagde het niet nog eens.

De eerste tijd vroeg Sthenno zich nog af of Phorkys zou terugkeren om zijn gedrag te verklaren of een bericht van hun moeder Keto over te brengen, maar hij vertoonde zich niet. De twee Gorgonen keken hier verschillend tegen aan: Euryale was trots dat hun ouders dat vreemde mensenkind aan hen hadden toevertrouwd, Sthenno vroeg zich af of hun vader hen met dat kind had opgezadeld in de hoop dat ze zouden falen.

Voor goden was het onmogelijk om naar stervelingen te kijken en geen lichte afkeer te voelen. Sthenno was even verknocht aan haar nieuwe zusje als aan Euryale, maar ze moest altijd een rilling van afschuw onderdrukken bij het zien van haar griezelig kleine handen en voeten, haar weerzinwekkend nietige nageltjes. Maar ook al was er blijkbaar bij de geboorte iets misgegaan, Medusa was en bleef een Gorgo. En wie weet zou het mettertijd bijtrekken.

Want dat was de volgende verontrustende ontwikkeling. De baby veranderde aldoor: ze groeide, wisselde, als was ze Proteus, onder hun ogen van gedaante. Sthenno en Euryale hadden zich nog niet aan de ene onverklaarbare eigenschap aangepast of Medusa ontwikkelde weer een andere. Ze droegen haar overal naartoe omdat ze zich niet kon voortbewegen, en toen opeens kon ze kruipen. Daar raakten ze aan gewend, maar vervolgens ging het kruipen over in lopen.

Haar vleugels groeiden met haar mee; tot hun opluchting stelden de zusters vast dat ze weliswaar niet heel goed kon vliegen, maar ook niet helemaal aan de aarde gebonden was. Euryale bekende dat de vleugels haar eraan herinnerden dat ze ondanks alles zusters waren. Even leefde hun hoop op toen ze bij Medusa tanden zagen doorkomen, maar die waren klein en bleven achter haar lippen verborgen zonder tot echte slagtanden uit te groeien. Ja, ze kon ermee kauwen, maar wat had je daaraan?

Omdat Medusa bleef veranderen moesten de zusters meeveranderen. Sthenno leerde brood voor haar te bakken, want aan melk had ze niet meer genoeg. Gedrieën tuurden ze naar het deeg terwijl het rees en blazen vormde op een platte steen die ze op hun vuur hadden gelegd. Euryale had op haar expedities mensenvrouwen hetzelfde zien doen en was teruggekeerd met instructies en adviezen. Hoe meer tijd er verstreek, hoe meer ze de handelingen van de mensen in de omgeving begonnen na te bootsen.

LIJST VAN PERSONAGES

  • Sthenno, Euryale, Medusa – de Gorgonen – zijn dochters van de zeegoden keto en phorkys. Ze wonen aan de noordkust van Afrika.
  • Athene, godin van de strijd; dochter van metis – een van de vroege godinnen uit de mythologie – en Zeus, de koning van de Olympische goden.
  • Poseidon, god van de zee; broer van Zeus, oom van Athene.
  • Amphitrite, koningin van de zee; vrouw van Poseidon.
  • Hera, koningin van de Olympische goden; vrouw van Zeus.
  • Gaia, godin van de aarde; moeder van de Titanen en de reuzen, onder wie Alkyoneus, Porphyrion, Ephialtes, Eurytos, Klytios, Mimas en Enkelados.
  • Hephaistos, god van de smeedkunst, zoon van Hera (maar niet van Zeus).
  • Hermes, boodschapper van de goden.
  • Hekate, godin van de nacht en de hekserij.
  • Demeter, godin van de landbouw en moeder van Persephone.
  • Moirai, de schikgodinnen.
  • Graiai (de Grijze Zusters) – deino, enyo, pemphredo: personificaties van de geesten van de zee. Samen hebben ze één oog en één tand.
  • Hesperiden, in een lusthof wonende nimfen die tot taak hebben de gouden appels te bewaken die toebehoren aan Hera. Ook beschikken ze over vrijwel alles wat je nodig hebt voor het vervullen van een heroïsche opdracht.
  • Nereïden, vijftig zeenimfen met een onbestendig humeur. zeus, koning van de goden, echtgenoot van Hera.

Stervelingen

  • Danaë, dochter van akrisios, een Griekse vorst.
  • Diktys, vriend van Danaë; broer van polydektes, koning van Seriphos, een klein Grieks eiland.
  • Perseus, zoon van Danaë en Zeus.
  • Kassiope, koningin van Aithiopia; vrouw van kepheus. andromeda, dochter van Kassiope en Kepheus. erichthonios, legendarische koning van Athene. iodame, een jonge priesteres van Athene.

Anderen

  • Kornix, een praatgrage kraai.
  • Elaia, een olijfgaard in Athene.
  • Herpeta, slangen.

BESTEL DE BLIK VAN MEDUSA

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER GRIEKSE MYTHEN