Hephaistos de Griekse god van de smeedkunst, het vuur en de vulkanen – Vulcanus bij de Romeinen

BESTEL ZIEN WAT BLIJFT, MYTHEN IN WERK EN BEELD

In het boek Zien wat blijft – Mythen in werk en woord staan veel schilderijen van Joop van Mijsbergen waarop Griekse goden zijn afgebeeld. Het bovenstaande schilderij verbeeldt Hephaistos. De onderstaande tekst van Ankie Hettema-Pieterse gaat over deze zoon van het vuur die een meester is in metaalbewerking en die vergelijkbaar is met de Romeinse god Vulcanus.

Het beeld trekt mijn oog naar het middelpunt van de aarde, waar in de diepste gronden het vuur gloeit. Het vuur kreeg een gezicht in Hephaistos. Hij was een zoon van het vuur, maagdelijk verwekt bij Hera – misvormd en mank, en zo lelijk bij de geboorte dat hij van de berg de Olympus werd afgegooid en afgewezen. Toch was hij één van de twaalf Olympische goden. In zijn werkplaats onder de Olympus smeulde het vuur.

Zonder Hephaistos had Zeus geen bliksem.
Zonder Hephaistos had Hermes geen gevleugelde sandalen.
Zonder Hephaistos, Helios geen strijdwagen, Poseidon geen drietand, Herakles geen schild.

Hephaistos was het die Prometheus in boeien sloeg en aan de berg ketende nadat de laatste de mensen het hemels vuur had gegeven. Zijn vlam maakte hem tot de god van de smeedkunst. Zijn Romeinse naam Vulcanus leeft voort in het woord vulkaan. 

Vuur verwarmt, reinigt, zuivert, vuur verandert, toont hoe materie wordt omgezet in energie – de as van een blok hout heeft niets meer van de eigenschappen van het hout – het vuur heeft het etherische, van dat wat leven geeft, gescheiden van het materiële, de as. 

Wij kennen het vuur als warmte in ons bloed. Het vuur in ons hart, wanneer wij ‘in vuur en vlam staan’. Een ‘laaiende haat’ voelen, een ‘brandende liefde’, of ‘koken van woede’.

Het vuur is te herkennen in denkprocessen: ‘Er gaat mij een licht op’, het vuur brandt in de wervelkolom, als bewustzijn, ‘het slangenvuur’. Waarom wordt de mens vanaf vroegste tijden gefascineerd door het vuur? Waarom aanbidt hij het en probeert hij het te ontraadselen? Het geestvuur – diep in ons – laat ons niet met rust. Het vraagt om een omzetting in ons: dat wij door het materiële en sterfelijke het onsterfelijke van de geest zullen kennen. Mythen leggen het verband met de goddelijke wereld. Vuur als een louterend proces, als alchemie. Het zet het aardezware lood om in het lichte goud van de geest. Een vuurproces dat licht en leven schenkt – altijd. 

Hephaistos, het vuur dat diep in de aarde brandt, ontwikkelt zich in het bewustzijn van de mensheid: tot de alles overstralende geestelijke zon achter de zon; tot de lichtende vonk, het vuur van de geest binnen in alles.

Kloof het hout en ik ben daar. (Het Evangelie van Thomas)

Mensen zijn ‘zonen van het vuur’. Zij kunnen ‘meester van het vuur’ worden: door een juiste beheersing van levenskrachten, op rechte wijze en evenwichtig, altijd in samenhang en eenheid met al wat leeft, het vadervuur als levensenergie te gebruiken zonder zelf uitgeput te raken, of onze planeet moederaarde uit te putten. 

Het vuur smeedt dan door eeuwen de gouden schakels van hen die het vuur toebehoren. 

Delf dan geduldig, kernwaarts door uw donker, naar ‘t vuur dat in uw diepste gronden gloeit.

Bron: ‘Zien wat blijft, Mythen in werk en woord’ door Joop Mijsbergen en Ankie Hettema-Pieterse

BESTEL ZIEN WAT BLIJFT, MYTHEN IN WERK EN BEELD

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *