Gustav Meyrink, citaten uit zijn romans

   

Wij beschouwen onszelf als wezens die zelfstandig bestaan, om onszelf. De Praags-Weense schrijver Gustav Meyrink (1868-1932) is daarvan nog niet zo zeker. Hij heeft zijn hele leven gewijd aan de vraag: Wat is dat zelf dan? Wat is het ik? Wat is echt, en wat is waan?

Meyrinks carrière begint in Praag als bankier en eindigt als romanschrijver in München. Zij leven is een aaneenschakeling van opvallende, mysterieuze en turbulente gebeurtenissen. Zijn protestantse geloof verruilt hij voor een rationeel boeddhisme; hij onderzoekt de waarheid van de alchemie en bestudeert Isis Ontsluierd en De Geheime Leer, werken van de Russische schrijfster H.P. Blavatsky. Alles onderzoekt hij: van seances van het medium Eva C. tot een ‘telepathisch contact’ met de beroemde Indiase Meester Sri Ramana Maharishi. Ook houdt hij zich bezig met magie, oosterse mystiek, tantra en gnostiek.

Het is niet mogelijk zijn boeken eenduidig te verklaren. Zij zijn te lezen als esoterische roman, als psychologisch drama, als misdaadthriller of als liefdesroman, maar ook als pure mystieke contemplatie. Hij zegt dat hij, wanneer hij zijn inzichten terugleest in de boeken, soms zelf niet weet waar deze vandaan komen. Meyrink noemde zijn opvatting van literatuur ‘magie-suggestie’. Met zijn boeken wilde hij bij de lezer beelden, gedachten, gevoelens opwekken die uitgaan boven het gewone literaire genre: hij wilde hem in de ziel raken. Het gaat erom inzicht te krijgen in wie de mens is.          

De citaten in dit blogbericht komen uit het Contemplatief jaarboekje Gustav Meyrink uit 2009 en zijn afkomstig romans die van zijn hand zijn verschenen.

De Golem, Gustav Meyrink | hardback | 227 x 145 mm | 274 blz. | € 23,00 bestelnr. 1117 | 9789067321822

De Golem is een inwijdingsverhaal waarin de hoofdpersoon een spirituele ontwikkeling doormaakt. Het decor is het oude ghetto van Praag. Het boek maakte Gustav Meyrink in 1915 op slag beroemd. Het is een esoterische roman, maar tegelijk ook een psychologische roman en een misdaadverhaal. De golem is een mysterieuze figuur die elke drieëndertig jaar in het getto van Praag verschijnt om de joden daar te genezen van de kwalen van hun ziel. Langzaam versmelt het leven van de hoofdpersoon van dit verhaal met dat van anderen in het getto en ontstaat een droombeeld waarin de golem een belangrijke rol speelt.

Het groene gezichtMeyrink, G. | hardback | 225 x 144 mm | 283 blz. |€ 23,00 bestelnr. 1069 | 9789067320467

Het groene gezicht (1916) beschrijft het innerlijke pad tot bevrijding door middel van talrijke kleurrijke personen in het gebied achter de Nicolaaskerk en de Zeedijk, in het Amsterdam van rond 1910. Chidher (de eeuwig groene, de onsterfelijke) is een bekende figuur in o.a. Arabische, Perzische en Joodse sagen. Hij is altijd onderweg om mensen die in nood zijn en zijn hulp verdienen, te helpen. Zo ook de hoofdpersonen van dit boek. Elke persoon staat voor een bepaald aspect van Meyrinks filosofie. Daarmee wil hij laten zien wat de zin van het bestaan volgens hem is, namelijk het oplossen van de tweevoudigheid van het menselijk bestaan.

Walpurgisnacht, Gustav Meyrink| hardback | 226 x 147 mm | 190 blz. |€ 20,00 bestelnr.| 9789067322300

In Walpurgisnacht schildert Gustav Meyrink in apocalyptische beelden de ondergang van de oude, versteende adel op de Praagse burcht, de Hradschin, en de geboorte van een nieuwe adeldom: die van de bezielde, vrije geest, gesymboliseerd door het koningspaar van de arme violist Ottokar en zijn geliefde Polyxena. Van oudsher is de nacht van 30 april op 1 mei Walpurgisnacht, de heksensabbat, waarbij de demonen worden vrijgelaten. Gustav Meyrink vergroot dit thema tot kosmisch-apocalyptische dimensies: de chaotische omwenteling die vooraf gaat aan de wederopstanding van het zuivere innerlijke leven, verpersoonlijkt in de tot koning gekroonde, arme vialist Ottokar en zijn geliefde Polyxena. Op indringende en vaak komische wijze schildert Meyrink de ondergang van de oude, potsierlijke adel, die door de furie van de spoken van het Boheemse verleden uit hun Praagse burcht, de Hradschin, wordt verjaagd. Mythe en realiteit versmelten tot een fantastische vertelling die, hoewel in 1915 geschreven, aan actualiteit nog niets heeft ingeboet.

De witte dominicaan, Gustav Meyrink, hardback | 226 x 147 mm | 196 blz. |€ 20,00 bestelnr. 1053 | 9789067320849

De witte dominicaan is een ontroerend mooie beschrijving van de zoektocht, een liefdesgeschiedenis die leidt tot een diep begrip van het doel van het mens zijn. De witte dominicaan is de derde grote roman van Gustav Meyrink. Hoofd- persoon Christof Duivenslag leert wat ‘mens ken uzelf’ echt betekent. Daardoor kan hij het bestaan in deze wereld doorgronden. Meyrink zoekt in dit boek de diepere zin van het leven. Het is tegelijk een verslag van zijn eigen zoektocht. Hij laat zien wat de psyche van de mens ondergaat op weg naar bevrijding uit misleiding, (zelf)bedrog en de gevangenschap van het bloed.

De engel van het westelijk vensterGustav Meyrink | hardback | 226 x 146 mm | 448 blz. | 23,00 bestelnr. 1029 | 9789067320597

Volgens Gustav Meyrink is er de mens in deze wereld, en het oorspronkelijke leven, de innerlijke mens. De zoekende mens heeft geen inzicht en schept illusies die hem te gronde richten. Die illusies noemt Meyrink ‘engelen van het westelijk venster’. Als we God willen vinden, moeten we de binding houden met het juweel met de twaalf vlakken, zo schrijft hij. Dit alles vertelt hij aan de hand van het levensverhaal van John Dee, alchemist in de tijd van Elisabeth I (1533-1603).

CITATEN

Spreken in geestelijke betekenis is zoveel als scheppen; het is een magisch te-voorschijn-roepen. Schrijven hier op aarde is het vergankelijke van een gedachte neerleggen; schrijven in geestelijke betekenis is: iets graveren in het geheugen van de eeuwigheid. Lezen betekent hier: de zin van iets dat geschreven is tot zich nemen. Lezen aan gene zijde is: de grote onveranderlijke wetten erkennen en ernaar handelen terwille van de harmonie!  (De witte dominicaan)

Voor hem die arbeidt als een onsterfelijke – niet om iets te verkrijgen dat hij wenst te bezitten (dat is een doel voor geestelijk blinden), maar om de opbouw van de tempel van zijn ziel – die zal de dag zien, al is het ook na duizenden jaren, waarop hij kan zeggen: Ik wil en het is er; wat ik beveel, da`t geschiedt en heeft niet meer de tijd nodig om langzaam rijp te worden. Tegenover zo iemand zullen de heiligen arm zijn aan ervaring, want zij zullen niet weten wat de ander weet: namelijk dat eeuwigheid en rust hetzelfde kan zijn als reizen en oneindigheid. (De witte dominicaan)

Zoals een mens de betekenis van een boek niet kan begrijpen als hij het slechts in de hand houdt of alleen de bladzijden omslaat zonder ze te lezen, zo brengt hem het verloop van zijn levenslot geen winst als hij de betekenis ervan niet begrijpt; de gebeurtenissen volgen elkaar op als de bladen van een boek die de dood omslaat; hij weet het: ze verschijnen en gaan voorbij en met het laatste is het boek uit …(De witte dominicaan)   

Eeuwige jeugd is eeuwige toekomst, en in het rijk van de eeuwigheid waakt ook het verleden weer op, als eeuwig heden. Nu weet ik dat de mensenziel van de aanvang aan alwetend en almachtig is en dat het enige dat de mens voor haar kan doen is: alle hindernissen die haar ontplooiing in de weg staan, op te ruimen. (De witte dominicaan)

De geheime weg tot de wedergeboorte in de geest, waarvan in de Bijbel wordt gesproken, is de verandering van het lichaam en niet van de geest. Zoals de vorm is, zo uit zich de geest… (De witte dominicaan)

God alleen, de Algeest, verandert haar en vergeestelijkt de ledematen, indien het diepste innerlijk, de oermens, zijn gebed niet naar buiten zendt, maar lid voor lid zijn eigen vorm aanbidt, alsof in ieder onderdeel daarin verborgen de Godheid woont, als anders verschijnend beeld… De tijd komt, dat de leer van alchemie voor velen weer zal worden opgebouwd. (De witte dominicaan)

Had ik mij maar nooit laten verleiden om te geloven dat de een of andere macht buiten mijzelf deze boom zou kunnen oprichten – hoeveel ellende zou mij dan bespaard zijn gebleven! Ik was de enige meester over mijn lot – en ik wist het niet! (Het groene gezicht)

Ik dacht dat ik er weerloos tegenover stond, omdat ik niet in staat was het door daden te veranderen. Hoe vaak is niet door mijn hoofd geschoten dat meester over je gedachten ook moet betekenen: de almachtige bestuurder te zijn van je lot! Ik onderschatte de magische kracht van de gedachten en verviel steeds weer in de erffout van de mensheid de daad voor een reus en de gedachte voor een hersenschim te houden. (Het groene gezicht)

Slechts wie leert het licht te bewegen, kan de schaduw gebieden en daarmee het lot! Wie het met daden tracht te volbrengen, is zelf slechts een schaduw die tevergeefs met schaduwen strijdt. Maar het lijkt alsof het leven ons bijna tot de dood toe moet pijnigen, alvorens wij eindelijk de sleutel zien. (Het groene gezicht)

Ja, jullie kunnen meester over het lot worden, maar alleen als jullie weten dat jullie God zijn. Als jullie geloven dat jullie alleen mensen zijn en van God gescheiden en van God verbroken en anders dan God, dan blijven jullie onveranderd, en het lot staat boven jullie. (Het groene gezicht)

De vreugde heeft geen oorzaak nodig, zij groeit uit zichzelf als God. Vreugde die een aanleiding nodig heeft, is geen vreugde, maar genoegen. Maar wie eenmaal de oorzaakloze vreugde is binnengevaren, die heeft voortaan het eeuwige leven, want die is verenigd met het ‘Ik’, dat de dood niet kent. Die leeft altijd in vreugde, ook als hij blind en kreupel geboren was. Maar de vreugde die wil geleerd worden, wil verlangd worden. maar wat de mensen verlangen is niet de vreugde, maar de aanleiding voor vreugde. Dat begeren zij en niet de vreugde. (Het groene gezicht)

De mensen die hun lot overgegeven hebben aan hun inwonende geest, staan onder een geestelijke wet. Zij zijn mondig verklaard, en vrijgekomen van de bevoogding door de aarde, waarover zij eens zullen heersen. Wat hun in het uiterlijke leven nog overkomt, heeft alleen nog betekenis in innerlijk stuwende zin: alles wat er met hen gebeurt, gebeurt zó, dat het nooit beter zou kúnnen gebeuren. (Het groene gezicht)

Wie gelooft dat hij leeft omwille van zijn nageslacht, beliegt zichzelf. Het is niet waar: de mensheid heeft geen vooruitgang gemaakt. Het lijkt maar zo. Zij heeft slechts enkele individuen voortgebracht die werkelijk zijn vooruitgegaan. In een kring lopen betekent: niet vooruit komen. Wij moeten de kring doorbreken, anders hebben wij niets gedaan. Zij die wanen dat het leven begint met de geboorte en eindigt met de dood, – waarlijk die zien de kring niet; hoe zouden zij hem dan kunnen doorbreken? (Het groene gezicht)

Wij leven slechts voor de volmaking van onze ziel; wie dit doel voortdurend in het oog houdt, er altijd aan denkt en het immer voelt zo dikwijls hij iets begint of besluit, die zal spoedig een zeker kalmte verkrijgen en op een onbegrijpelijke wijze zal zijn lot veranderen. (Het groene gezicht)

Wij weten dat er een tijd zal komen dat velen wakker zullen worden en gescheiden zullen worden van de slapers die niet kunnen begrijpen wat het woord waken betekent. Wij weten, dat het goed en het kwaad niet bestaan, maar alleen het ware en het valse. (Het groene gezicht)

De mensen zouden denken dat ik in beelden sprak als ik het hun zei. Het is de dubbelzinnigheid van de taal die ons scheidt. Als ik openlijk iets zou schrijven over innerlijke groei, dan zouden zij daaronder verstaan: verstandiger worden, of: beter worden, zoals zij onder filosofie een theorie verstaan en niet een werkelijk navolgen. (Het groene gezicht)

Zich houden aan de geboden alleen, zelf op de eerlijkste manier , is niet voldoende om innerlijke groei te ontwikkelen, want het is slechts de uiterlijke vorm. dikwijls is het overtreden van de geboden een betere leerschool! (Het groene gezicht)

Maar wij houden ons aan de geboden als we zouden moeten overtredenen wij overtreden ze als we ons er aan moeten houden. (Het groene gezicht)

Omdat een heilige allen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden. Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren. (Het groene gezicht)

Ook al zou je het meest onzinnige doen wat je maar kunt bedenken, dan nog was het altijd beter dan terug te vallen in de maalstroom van het aloude, waarvan het laatste doel een zinloze dood is. (Het groene gezicht)

Waak bij alles wat je doet! Denk niet, dat je al wakker bent. Neen, je slaapt en je droomt. Verzamel al je krachten en laat gedurende een ogenblik dit gevoel je lichaam doorstromen: nu waak ik! (Het groene gezicht)

Als je daarin slaagt, zul je dadelijk erkennen, dat de toestand waarin je je bevond een sluimer en een slaap lijkt. Dat is de eerste aarzelende stap van, de lange, lange reis, die leidt tot de onderwerping aan de almacht. (Het groene gezicht)

Op de weg van het ontwaken, zal de eerste vijand die je ontmoet je eigen lichaam zijn. Het zal met je strijden tot het eerste hanengekraai. Maar als je de dageraad van het eeuwige waken ziet. die je wegvoert van de slaapwandelaars, die geloven mensen te zijn en niet weten dat zij slapende goden zijn, dan zal de slaap uit je lichaam verdreven worden en zal de wereld aan je onderworpen zijn. Dan zal je wonderen kunnen bewerkstelligen, als je dat wilt. (Het groene gezicht)

Ga op die wijze voort van ontwaken tot ontwaken. Er bestaat geen verontrustende gedachte die je op die manier niet zou kunnen uitbannen. Zij blijft achter en kan je niet meer bereiken. Je strekt je uit boven haar, zoals de kroon van een boom zich verheft boven de dorre takken. De smarten verlaten je als dode bladeren, wanneer deze waakzaamheid ook je lichaam in bezit neemt. (Het groene gezicht)

Wie zijn weg gehoorzaamt, hoe kan die bang zijn? Angst kan slechts diegene voelen die zich tegen zijn lot verzet. Het leven is genadig. elk ogenblik schenkt het ons een begin. Elke seconde dringt zich de vraag aan ons op:” ‘Wie ben ik?’ Maar wij stellen die vraag niet. Dat is de reden waarom wij het begin niet vinden. (Het groene gezicht)

Alles wat niet uit de geest komt, is dode aarde en wij moeten tot geen andere God bidden dan tot die God die zich in onze eigen ziel openbaart. (Het groene gezicht)

De sleutel, die ons tot meesters zal maken over de innerlijke natuur roest sedert de zondvloed. Hij heet: waken. Waken is alles. De mens is er vast van overtuigd, dat hij waakt, maar in werkelijkheid is hij gevangen in een net van slapen en dromen, dat hij zelf geknoopt heeft. Hoe dichter het net, hoe krachtiger heerst de slaap. Zij die in de mazen ervan gevangen zijn, zijn de slapers die door het leven gaan als kuddedieren, die gedreven worden naar het slachthuis, onverschillig en gedachteloos. (Het groene gezicht)

Wij zien in de Bijbel niet alleen een registratie van gebeurtenissen van een voorbij tijdperk, maar ook een weg van Adam tot Christus, die wij in onszelf moeten afleggen op de magische wijze van een innerlijke groei van ‘naam‘ tot ‘naam‘, dat is: van krachtsontplooiing tot krachtsonplooiing, van de verdrijving uit het paradijs tot de opstanding. (Het groene gezicht)

Zij die in blindheid deze aarde verlaten hebben, zij zijn niet aan gene zijde; zij zijn als verwaaide melodieën in de lucht, die door het heelal dwalen – tot ze weer in aanraking komen met snaren waarop ze opnieuw kunnen klinken. Daar waar zij menen te zijn, is geen plaats waar men kan zijn. Het is een droomeiland van schimmen, buiten elke ruimte, nog minder werkelijk dan de aarde. Waarlijk onsterfelijk is alleen de ontwaakte mens. (Het groene gezicht)

Als je onzichtbare zelf als wezenheid aan je verschijnt, kun je haar herkennen doordat ze een schaduw werpt. Vroeger wist ik ook niet wie ik was, totdat ik mijn eigen lichaam als schaduw zag. Er zal een tijd aanbreken waarin de mensheid lichtende schaduwen op de aarde zal werpen en niet meer de zwarte schadevlekken, zoals tot nu toe, en aan de hemel zullen nieuwe sterren verschijnen. (Het groene gezicht)

Maar welk doel hebben dan de slagen van het uiterlijke leven, waar u over spreekt? Zijn zij een beproeving of een straf? Beproevingen bestaan niet, evenmin als straffen. Het uiterlijke leven met zijn lotgevallen is niets anders dan een genezingsproces; voor de een meer, voor de ander minder smartelijk. Het ligt eraan hoe ziek het inzicht van de persoon in kwestie is. (Het groene gezicht)

Mijn lied is een eeuwige melodie van vreugde. Wie de vreugde niet kent, de zuivere, grondeloze, blije zekerheid, het oorzaakloze: ik ben die ik ben, die ik was en altijd zijn zal, die is een zondaar tegen de Heilige Geest. Voor de glans van de vreugde, die in de brst straalt als een zon aan de innerlijke hemel, wijken de spoken der duisternis die de mensen begeleiden als de schimmen van vergeten misdrijven, begaan in een vorig bestaan, en die de draden van zijn noodlot weven. Wie dit lied van de vreugde hoort en zingt, die vernietigt de gevolgen van elke schuld en laadt nooit meer schuld op zich. Wie zich niet meer verheugen kan, in hem is de zon gestorven.(Walpurgisnacht)

Hoe zou iemand licht kunnen uitstralen? Wie de vreugde niet kent, die kent ook zijn ‘Ik’ niet. Het innerlijkste ‘Ik’ is de oerbron van de vreugde. Wie het niet aanbidt, die dient de hel. Hij is een dode spiegel geworden, waar vreemde demonen in komen en gaan, een wandelend lijk, zoals de maan aan de hemel met zijn uitgedoofd vuur. (Walpurgisnacht)

Jarenlang schijnt het te stagneren, dan, onverwachts, dikwijls alleen gewekt door een onbelangrijke gebeurtenis, wordt de sluier weggetrokken en op een goede dag rijst er in ons wezen een tak met rijpe vruchten op waarvan we de bloei nooit bemerkt hebben. En wij bemerken dat wij, zonder het te weten, hoveniers geweest zijn van een boom vol geheimenissen. (Walpurgisnacht)

In zeker zin hebben zij die lachen als iemand zegt de mensheid te willen veranderen volkomen gelijk. Zij zien alleen over het hoofd dat het absoluut voldoende is als een enkeling tot in het diepst van zijn wezen verandert. Zijn werk kan dan nooit meer vergaan –   om het even of het aan de wereld bekend wordt of niet. Zo een heeft in het bestaande een gat gescheurd dat nooit meer dicht kan groeien, ongeacht of de anderen het meteen merken of over een miljoen jaar. Wat eenmaal ontstaan is, kan slecht schijnbaar verdwijnen. (Walpurgisnacht)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *