Het taboe op weten wie je bent – Alan Watts

BESTEL HET TABOE OP WETEN WIE JE BENT

“Wat ik graag wil is niet vertellen hoe de dingen zouden moeten zijn,
maar hoe ze zijn, en waarom we niet willen weten hoe ze zijn.”
Alan Watts

Dit is het centrale thema in ‘Het taboe op weten wie je bent’ waarin Alan Watts (1915-1973) zich baseert op zijn grondige kennis van de oude Indiase Vedanta filosofie in combinatie met de wetenschappelijke inzichten uit de kwantummechanica. De fundamentele en totale onderlinge afhankelijkheid van alle dingen is nergens zo duidelijk en overtuigend uiteengezet als in dit boek, dat door velen als zijn beste boek wordt beschouwd. Hij schreef het in 1966 en plantte daarmee het zaadje voor de verspreiding van de leer van non-dualiteit in het westen.

In dit boek combineert hij zijn radicale filosofie met hilarische beschrijvingen van ontwikkelingen in de maatschappij die verrassend actueel blijken te zijn. De ondeelbaarheid van het bestaan ontgaat ons, omdat we de wereld der verschijnselen, inclusief onszelf, beschouwen als een verzameling losse elementen, opgedeeld in ogenschijnlijke tegenstellingen als licht en donker, groot en klein, goed en slecht. Door de smalle lichtstraal van onze bewuste aandacht steeds op die ogenschijnlijke tegenstellingen te richten, zijn we niet in staat om het geheel te zien, de ultieme werkelijkheid.

Het laatste bestaande ‘taboe’ is volgens Watts: de hardnekkige illusie dat datgene wat we ‘ik’ noemen een afzonderlijk ego zou zijn, opgesloten in een lichaam dat zich moet zien te handhaven in een vijandige buitenwereld. De werkelijke aard van het ‘zelf’ blijkt een verbijsterend mysterie; hij noemt dit boek zelf dan ook “een handboek ter inleiding in het mysterie van het bestaan, dat iedere vader kan doorgeven aan zijn zoon, of iedere moeder aan haar dochter, als ze staan op de drempel naar volwassenheid”.

BESTEL HET TABOE OP WETEN WIE JE BENT

VOORWOORD DOOR HAN VAN DEN BOOGAARD

Ondanks zijn joviale houding en onberispelijke voorkomen was Alan Watts in de dagelijkse omgang een moeilijk te peilen man. In de ogen van velen was hij wijs, humoristisch en innemend, en hij speelde de rol van gangmaker op willekeurig welk feest veelal met verve. Hij was populair, en veel mensen keken tegen hem op. Hij was een uiterst begenadigd spreker, iemand met een ongekende ‘gift of the gab’, wat zoveel betekent als de gave van het woord.

Hij was een woordkunstenaar die zichzelf profileerde als ‘spiritual entertainer’, en hij gaf gedurende het laatste deel van zijn leven vrijwel onafgebroken lezingen op radio en televisie over de meest uiteenlopende onderwerpen.

De woonboot in de haven van San Francisco die hij in die tijd bewoonde werd geleidelijk aan het middelpunt van een tegencultuur waarin traditionele maatschappelijke normen en waarden werden omgegooid en losgelaten. In zijn gesprekken en optredens liet hij zich steeds weer inspireren door zijn onbegrensde liefde voor en kennis van Oosterse filosofie en levenswijsheden, hoe uiteenlopend die ook mochten zijn. Hij bereidde zijn voordrachten zelden voor en praatte het liefst ‘a l’improviste’. Het maakte hem niets uit of hij voor een volle zaal stond, een groepje geïnteresseerden op een feestje bezighield of een diepgaande discussie voerde met personen die hij evenveel kennis en diepgang toedichtte als zichzelf – mensen als Joseph Campbell, D.T. Suzuki of C.G. Jung.

Maar met evenveel reden zou je kunnen zeggen dat Watts een onmogelijke man was: egocentrisch en in weinig anders geïnteresseerd dan zijn eigen fascinaties; iemand die vooral zichzelf graag hoorde praten en zich niet erg empathisch opstelde. Hij zag het leven als een spel en gebruikte de interactie met anderen om dat spel zo interessant mogelijk te houden. Hij trouwde drie keer en had zeven kinderen, maar het instituut huwelijk zei hem niets, en met de opvoeding van zijn kinderen bemoeide hij zich nauwelijks. Hij ging door het leven als iemand die geen tijd had om zich druk te maken om de problemen van anderen. Hij was sensitief en sensueel en dompelde zich graag onder in de geneugten van het leven. Daar was hij gulzig in, om niet te zeggen mateloos, en uiteindelijk raakte hij dan ook verstrikt in een alcoholverslaving.

Maar daar leek hij niet mee te zitten. Hij legde zich volledig neer bij hoe hij als persoon functioneerde, omdat hij wist dat die persoon een fictie was, een hallucinatie, een illusie. Keer op keer bleef hij benadrukken, zoals ook in dit boek te lezen is, dat er niemand aan het stuur van jezelf of de kosmos zit. Alles gaat zijn eigen gang, en elk wilsbesluit is net zo’n fictie als de persoon die zo’n besluit lijkt te nemen en uit te voeren – het eenzame, geïsoleerde bestaanscentrum dat leeft vanuit het tragische idee dat het zich moet zien te handhaven in een vreemde en vijandige wereld. De onhebbelijkheden en neurotische eigenschappen van het personage Alan Watts, dat hij meestal met plezier en toewijding speelde, manifesteerden zich wat hem betreft op dezelfde eigenzinnige manier als het weer en de wildgroei van onkruid.

Die visie bracht hij niet alleen onder woorden in zijn lezingen. Hij was ook een uiterst begenadigd schrijver. Vóór zijn twintigste schreef hij al zijn eerste boek, en zijn laatste heeft hij door zijn vroegtijdige dood nooit zelf kunnen afmaken. Hij praatte en praatte, en als hij niet praatte schreef hij. Over zenboeddhisme, levensgeluk, de verhouding tussen man en vrouw, de rijkdom van de psychedelische ervaring en talloze andere onderwerpen.

Maar door de tientallen boeken die hij schreef (en de tientallen boeken die er na zijn dood door zijn zoon Mark van zijn lezingen zijn gemaakt) loopt een rode draad. Dat is zijn centrale inzicht, dat begon te dagen toen hij nog een tiener was en voor het eerst over zenboeddhisme las, en dat in de loop van zijn leven steeds verder uitgekristalliseerd is in talloze gesproken en geschreven teksten.

Als er één boek is dat dat centrale thema expliciet heeft uitgewerkt, dan is het wel Het taboe op weten wie je bent. Het wordt door velen beschouwd als zijn beste boek, en zelf sluit ik me daar zonder voorbehoud bij aan. De leidraad van Watts’ leven en werk, de fundamentele en totale onderlinge afhankelijkheid van alle dingen, is nergens zo duidelijk en overtuigend uiteengezet als juist in dit boek. Hij baseerde zich daarbij voornamelijk op de klassieke Vedantadoctrine
– de leer van de nondualiteit – uit het oude India, zoals weergegeven in de Upanishads, een verzameling dialogen, verhalen en gedichten die deels teruggaan tot 800 voor Christus.

“In de Vedantafilosofie”, schrijft hij, “bestaat er niets anders dan God. Er lijken andere dingen
te bestaan dan God, maar dat is alleen maar omdat hij ze tevoorschijn droomt als zijn vermommingen, zodat hij verstoppertje kan spelen met zichzelf.” In die oermythe wordt God het Zelf genoemd, “het Ene-zonder-tweede, het wat er is en het alles wat er is, dat zichzelf verbergt door jou als vorm aan te nemen.”

De mythe van God die verstoppertje speelt met zichzelf omdat er anders niets zou gebeuren en daarom ook niets ervaren zou kunnen worden door wie of wat dan ook, heeft in Watts’ ogen weliswaar niets aan relevantie verloren, maar de verwoording ervan was in zijn ogen wel aan vernieuwing toe. We moeten, zegt hij, onszelf opnieuw verstoppen en dan nieuwe manieren zien te vinden om onszelf weer terug te vinden, want dat verstoppen en terugvinden vormen samen de dans en het wonder van het leven. Om die reden heeft hij in dit boek de klassieke Vedantaleer op een volkomen unieke manier verpakt in een modern jasje door hem te combineren met de meest recente wetenschappelijke inzichten (in de tijd – 1966 – waarin hij het boek schreef). Bovendien heeft hij er de inhoud van een groot deel van zijn lezingen in verwerkt, zodat het met recht als een samenvatting van zijn hele visie beschouwd kan worden.

De ondeelbaarheid van het bestaan, zo betoogt hij, ontgaat ons omdat we de wereld der verschijnselen, inclusief onszelf, consequent beschouwen als een verzameling losse elementen of onderdelen, opgedeeld in ogenschijnlijke tegenstellingen als licht en donker, groot en klein en goed en slecht. Door onze aandacht steeds maar als een smalle lichtstraal te richten op die ogenschijnlijke onderdelen en tegenstellingen, zijn we niet meer in staat het geheel te zien, de ultieme werkelijkheid van ons bestaan. En dat is de belangrijkste reden waarom onze samenleving op weg is naar de totale vernietiging: we herkennen de fundamentele eenheid en ondeelbaarheid van onszelf en de wereld niet meer, we negeren de totale samenhang ervan die ze tot één levend geheel maakt, en ‘gebruiken’, losgezongen als we zijn van die fundamentele eenheid, de aarde als bron van genot, welvaart en vermaak. Tot de bron leeg is of zo vies is geworden dat we dreigen om te komen in ons eigen afval. Hij leek in 1966 al te voorzien in wat voor globale crisis we vijftig jaar later terecht zouden komen.

Het grootste deel van Het taboe op weten wie je bent beschrijft de mythen en waandenkbeelden die ons als samenleving zo ver uit het lood hebben doen slaan. Aan het eind van het boek vat Watts zijn verhaal op de voor hem zo karakteristieke wijze als volgt samen: “In zijn kern is het universum een magische illusie en een fantastisch spel, en bestaat er geen los individu, geen afgescheiden ‘ik’ dat er voordeel uit kan halen, alsof het leven een bank is die beroofd kan worden. De enige echte ‘jij’ is degene die komt en gaat, die zichzelf eeuwig manifesteert en terugtrekt in en als ieder wezen met bewustzijn. Want ‘jij’ is het universum dat naar zichzelf kijkt vanuit miljarden gezichtspunten die komen en gaan, zodat wat gezien wordt altijd weer nieuw is.”

Het ontbreken van het besef dat de positieve en negatieve polen van ieder aspect van het bestaan in feite onafscheidelijk zijn, heeft geleid tot de meest wanhopige strijd die we als mens kunnen voeren: die tegen de dood als tegenpool van het leven. Die strijd wordt uiteraard onvermijdelijk verloren, tenzij wordt doorzien dat de dood geen vijand is, maar een onmisbaar aspect van ons bestaan. Dat is het ideale moment om alles, inclusief jezelf, los te laten en op te
gaan in het Zelf, de enige permanente werkelijkheid. Met veel genoegen haalt Watts de woorden aan van zijn vriend Ananda Coomaraswamy, die ooit tegen hem zei dat je beter tien jaar te vroeg dan tien minuten te laat kunt sterven, omdat je in dat laatste geval de gelegenheid hebt gemist om jezelf los te laten en “je moedwillig neer te vleien”.

Uiteindelijk schreef Watts in dit boek zelf misschien wel de meest geruststellende woorden die hij over de dood te zeggen had: “De dood van het individu is geen uitschakeling, maar gewoon
terugtrekking. Het lijk is als een voetafdruk of een echo – het vervagende spoor van iets wat het Zelf is opgehouden te doen.”

De diepte van Alan Watts’ woorden maken hem wat mij betreft tot een van de belangrijkste denkers en schrijvers van de afgelopen eeuw. Niet voor niets is zijn werk, mede door het actieve beheer van zijn nalatenschap door zijn zoon Mark, de afgelopen jaren weer sterk in de belangstelling komen staan. Veel van zijn boeken en lezingen, waarvan er talloze terug te zien en te beluisteren zijn op Youtube, hebben nog niets aan diepgang en actualiteit ingeboet. Integendeel, de situatie waar we met zijn allen in deze tijd in beland zijn, maakt de (her)lezing van zijn werk alleen maar dringender en noodzakelijker.

Wat hij ons voorhoudt heeft betrekking op ieder van ons, ook al (of juist omdat!) het betrekking heeft op de illusie van ons bestaan als individu. Dat hij daar met zoveel humor en relativering over kon vertellen, heeft ervoor gezorgd dat zijn werk, en met name dit boek, tijdloos is en door iedere generatie opnieuw gelezen kan worden als het boek dat een ouder zijn kind meegeeft als dat het huis verlaat en de wijde wereld intrekt. Met die intentie schreef hij het ook, als “Het Boek dat ik mijn eigen kinderen mee zou willen geven …. Wat ik graag wil is niet vertellen hoe de dingen zouden moeten zijn, maar hoe ze zijn, en waarom we niet willen weten hoe ze zijn.” Als filosoof en spiritual entertainer hadden weinigen daar geschikter voor kunnen zijn dan hij.

Han van den Boogaard
Nijmegen, sept. 2021

BESTEL HET TABOE OP WETEN WIE JE BENT

VOORWOORD DOOR ALAN WATTS

Dit boek verkent een onherkend maar machtig taboe – onze stilzwijgende samenzwering om te negeren wie of wat we werkelijk zijn. Onze stelling is kort samengevat dat de overheersende opvatting ten aanzien van jezelf als een afzonderlijk ego opgesloten in een zak van huid, een hallucinatie is die noch met de Westerse wetenschap te rijmen valt, noch met de filosofie van de religies van het Oosten – vooral niet met de kern daarvan, de Vedanta filosofie van het hindoeïsme. Deze hallucinatie vormt ook de oorzaak van het verkeerd gebruik van technologie voor het gewelddadig bedwingen van ons natuurlijk milieu, met als gevolg de uiteindelijke vernietiging daarvan.

Wat we daarom dringend nodig hebben, is een visie op ons eigen bestaan die overeenstemt met de fysieke feiten, en die ons gevoel van vervreemding van het universum overstijgt. Voor dit doel heb ik geput uit de inzichten van Vedanta, waarbij ik die echter op volslagen moderne en Westerse wijze formuleer – zodat dit boek niet poogt een leerboek over Vedanta te zijn, of een inleiding daartoe. Het is eerder een kruisbestuiving van Westerse wetenschap met Oosterse wijsheid.

Bijzondere dank komt toe aan mijn vrouw, Mary Jane, voor haar zorgvuldige redactie van en commentaar op het manuscript. Dank komt ook toe aan de Bollingen Foundation voor haar steun aan een project dat het schrijven van dit boek omvatte.

Alan Watts,
Sausalito, California, januari 1966

1 INFORMATIE UIT DE EERSTE HAND

Wat zou een jonge man of vrouw precies moeten weten om ‘op de hoogte’ te zijn? Met andere woorden: is er bepaalde informatie uit de eerste hand, een of ander speciaal taboe of geheim van het leven en het bestaan, dat de meeste ouders en leerkrachten of niet weten of niet willen vertellen?

In Japan was het vroeger gebruikelijk om jonge mensen die gingen trouwen, een boek te geven om onder hun kussens te leggen: een ‘kussenboek’. Dit was een boekje met houtsneden, vaak in kleur, die alle bijzonderheden van de geslachtsgemeenschap toonden. Niet alleen omdat, zoals de Chinezen zeggen, ‘één plaat evenveel zegt als tienduizend woorden’. Maar ook omdat het de ouders de gênante moeite bespaarde om deze intieme zaken van aangezicht tot aangezicht uiteen te zetten. Maar tegenwoordig is zulke informatie overal verkrijgbaar. Seks is niet langer een zwaar taboe. Tieners weten er soms meer van dan volwassenen.

Maar als seks dan niet langer het grote taboe is, wat dan wèl? Want er is altijd wel iets taboe, altijd wel iets dat wordt onderdrukt, dat niet wordt toegegeven of dat alleen maar vluchtig en steels wordt bekeken omdat openlijk kijken te verwarrend is. Taboes liggen in andere taboes besloten, als de schillen van een ui. Wat zou dan Het Boek zijn dat vaders stiekem aan hun zoons en moeders aan hun dochters zouden kunnen toeschuiven, zonder het ooit openlijk toe te geven?

In sommige kringen heerst een krachtig taboe op de godsdienst, zelfs in kerkse of orthodoxe kringen. Hier is de godsdienst je eigen privé aangelegenheid. Het is ongepast om erover te praten of te debatteren, en echt faliekant fout om met je vroomheid te koop te lopen. Maar voor bijna elke algemeen bekende godsdienst geldt dat als je je erin verdiept, je je afvraagt waarover in vredesnaam zo geheimzinnig moest worden gedaan. Stellig zou Het Boek dat ik op het oog heb niet de bijbel zijn, die fascinerende bloemlezing van oude wijsheden, geschiedenis en fabels die al zo lang door gelovigen als een heilige koe is behandeld. Dat boek zou eigenlijk best eens voor een eeuw of twee achter slot gezet kunnen worden, opdat de mensen er dan weer met schone oren naar zouden kunnen luisteren.

Er staan inderdaad geheimen in de Bijbel, en sommige zijn heel ondermijnend, maar die zijn allemaal zo ingepakt in archaïsche symbolen en manieren van denken, dat het ongelooflijk moeilijk is geworden het christendom aan een modern mens uit te leggen. Dat wil zeggen, tenzij je er genoegen mee neemt het te verwateren tot goed gedrag en pogen Jezus na te volgen, maar geen mens vertelt ooit hoe je dat doen moet. Om dat te kunnen moet je beschikken over een bijzonder van God gekregen vermogen dat bekend staat als ‘genade’, maar al wat wij werkelijk over genade weten is dat sommigen het krijgen en anderen niet. De algemeen bekende godsdiensten, of die nu joods zijn of christelijk, mohammedaans, hindoeïstisch of boeddhistisch, zijn – zoals ze thans worden beleden – als uitgeputte mijnen: moeilijk te ontginnen. Op enkele uitzonderingen na, lijken hun ideeën over mens en wereld, hun beelden, hun riten en hun noties van het juiste leven, niet aan te sluiten bij het universum zoals wij dat nu kennen, of bij een menselijke wereld die zó snel verandert, dat veel van wat je op school leert al is verouderd als je eindexamen doet.

Het Boek waaraan ik denk zou niet godsdienstig zijn in de gebruikelijke zin, maar het zou vele zaken moeten bespreken waarmee godsdiensten zich hebben bezig gehouden: het universum en de plaats van de mens daarin, het mysterieuze centrum van ervaring dat wij ‘ikzelf’ noemen, de problemen van leven en liefde, van pijn en van dood, en de hele vraag naar de betekenis van het bestaan, in welke zin dan ook. Want er is een groeiende vrees dat het bestaan een felle wedijver is (als tussen ratten) in een valstrik: levende organismen, met inbegrip van mensen, zijn slechts buizen die zich aan het ene uiteinde vullen met dingen die ze er aan het andere eind uitgooien. En dit houdt hen niet alleen daarmee bezig, maar verslijt hen op den duur. Om dus deze klucht gaande te houden, vinden die buizen manieren om nieuwe buizen te maken, die zich net zo aan het ene eind met dingen vullen die ze er aan het andere eind uitgooien.

Aan het invoer-einde ontwikkelen ze zelfs zenuwkernen die hersens heten, met ogen en oren, zodat ze makkelijker dingen kunnen ‘organiseren’ om op te vreten. Terwijl en wanneer ze genoeg te eten krijgen, verbruiken ze hun overtollige energie door in moeilijke patronen te wriemelen, waarbij ze allerlei geluiden maken door lucht in en uit het invoergat te blazen, en in groepen samendrommen om met andere groepen te vechten. Mettertijd ontwikkelen die buizen zo’n overdaad aan aangehechte apparaten dat ze nauwelijks meer herkenbaar zijn als eenvoudige buizen, en ze zien kans dit te doen in een ontstellende verscheidenheid van vormen. Er is een vage regel dat je geen buizen van je eigen vorm eet, maar in het algemeen is er een serieuze wedijver gaande om uit te maken welke de hoogste soort buis zal zijn. Dit alles lijkt wonderlijk zinloos, en toch, als je erover nadenkt, wordt het meer wonderlijk dan zinloos. Het lijkt inderdaad buitengewoon bizar.

Het is een bijzonder soort verlichting, om te beseffen dat deze gebruikelijke, normale gang van zaken, vreemd is – eng eigenlijk, en hoogst onwaarschijnlijk. G.K. Chesterton zei eens dat het niet zo vreemd is om je te verbazen over een draak of een griffioen, beesten die niet bestaan; maar het is heel wat anders om je te verbazen over een neushoorn of een giraffe, beesten die wèl bestaan en er uitzien alsof ze niet bestaan. Dit gevoel dat alles eigenaardig is, omvat een fundamentele en intense verwondering over de zin der dingen.

Waarom, van alle mogelijke werelden, deze kolossale en klaarblijkelijk nutteloze menigte van sterrenstelsels in een geheimzinnig gekromd ruimte-tijd continuüm, deze ontelbare buis-soorten die in wilde opwinding spelletjes doen om elkaar de loef af te steken, deze talloze manieren om ‘het te doen’, van de elegante architectuur van het sneeuwkristal tot de verbijsterende pracht van de liervogel en de pauw?

Ludwig Wittgenstein en andere ‘logisch denkende’ filosofen hebben gepoogd deze vraag te verdringen door te zeggen dat die geen betekenis heeft, en niet gesteld behoort te worden. De meeste filosofische problemen moeten worden opgelost door zich ervan te ontdoen, door aan te landen op het punt waar je ziet dat vragen als ‘Waarom dit universum?’ een soort intellectuele neurose zijn, een verkeerd gebruik van woorden in die zin dat de vraag verstandig klinkt, maar feitelijk even zinloos is als de vraag: ‘Waar is dit universum?’ – als de enige dingen die ergens zijn, ergens binnen dat universum moeten zijn. Het is de taak van de filosofie om de mensen van zulke onzin te genezen.

Zoals we zullen zien, had Wittgenstein in zekere zin gelijk. Niettemin is verwondering geen ziekte. Verwondering, en de uiting daarvan in poëzie en beeldende kunst, behoren tot de belangrijkste kenmerken die mensen lijken te onderscheiden van andere dieren, en intelligente en gevoelige mensen van zwakzinnigen.

Is er dan over dit verbijsterend geheel niet een of andere kennis uit de eerste hand, iets dat nooit echt uitlekt via de gebruikelijke kanalen voor Het Antwoord – de historische godsdiensten en filosofieën? Ja zeker. Het is al keer op keer gezegd, maar op zo’n manier dat wij vandaag, in deze bepaalde beschaving, het niet horen. We beseffen alleen niet dat het volslagen ondermijnend is, niet zozeer in politieke en morele zin, als wel in die zin dat het onze gewone kijk op de dingen, via ons gezond verstand, binnenste buiten keert en op zijn kop zet. Het kan natuurlijk politieke en morele gevolgen hebben, maar vooralsnog hebben we er nog geen duidelijk idee van wat die zouden kunnen zijn.

BESTEL HET TABOE OP WETEN WIE JE BENT