Kabbalah als transformatieproces – voordracht van Daniël van Egmond over de roeping van de mens

BESTEL KABBALAH – WEGWIJZER TUSSEN AARDE EN HEMEL

De kabbalah, en zeker de joodse kabbalah of de christelijke kabbalah kent veel geschriften. Maar als er één boek 13 is dat uiterst belangrijk is voor de kabbalah is dat de Zohar, de Sefer Zohar. Het boek van de schittering. Die Sefer Zohar is een mythisch boek, er wordt ons verteld dat het geschreven is door Rabbi Shimon Bar Yochai.

Rabbi Bar Yochai leefde ergens in de eerste eeuw van onze jaartelling. Hij werd vervolgd door de Romeinen en in een grot waar hij zich met zijn zoon verschuilde onderging hij allerlei visioenen. Na dertien jaar verliet hij die grot en op dat moment werd de Zohar geschreven. Het boek werd geschreven in de taal van die tijd, het Armeens, en we weten inmiddels, academisch gezien, dat dit boek waarschijnlijk eerst veel later ontstond: ergens in de dertiende eeuw. Desalniettemin bevat het allerlei verhalen, symbolen, mythen die zeker terug gaan tot het begin van onze jaartelling, zo nog niet verder.

De Zohar is een heel merkwaardig geheel; want het is eigenlijk niet een boek. Het is eigenlijk een bibliotheek die uit meer dan 25 traktaten bestaat en het hoofddeel van die Zohar is wat wij wel noemen een mystieke Midrasj op de Bijbel. Midrasj is een commentaar op de Bijbel, het woord mystiek hoef ik verder niet uit te leggen. Het is een poging om uit Genesis, Exodus en een aantal fragmenten van latere Bijbelboeken de diepere betekenis te onthullen. 

Ergens in de loop van dat boek – althans in de Engelse vertaling die nu bezig is te verschijnen en uit twaalf delen van zo’n vijfhonderd bladzijden bestaat – beginnen allerlei andere traktaten tussen die Midrasj ingeschoven te worden. En uiteindelijk komen wij dan bij de kern van de Zohar. Die bestaat uit drie boeken.

Het boek van het verborgen mysterie dat bestaat uit, nu laten we zeggen in de Armeense tekst iets van zo’n twaalf tot twintig bladzijden. Dan Het boek van de grote Vergadering en Het boek van de kleine Vergadering; die commentaren op het eerstgenoemde boek zijn. Dat is het hart van de Zohar. En alle andere studies in de Zohar, al die duizenden bladzijden die je moet doorwerken zijn een soort voorbereiding om uiteindelijk bij dat boek van die verborgen mysteriën te komen. 

Wat doe je nu eigenlijk als je de Zohar leest? Je leest het niet als een gewoon boek, dat doe je ook niet als je de Bijbel leest als mysticus, maar je probeert als het ware geïllumineerd door de heilige geest door de woorden heen, door de vaste begrippen heen die je hebt opgebouwd in de loop van je leven, de tekst zelf te laten spreken, de tekst zich te laten onthullen. Want die tekst, aldus de kabbalisten, de Zohar, is een heilige tekst náást de Bijbel en de Talmoed. 

De Zohar is de derde heilige tekst in het kabbalistische jodendom. En een heilige tekst, als je je daar voor opent, als je die leest, niet met je gewone verstand, maar als je die leest vanuit je hart, verlicht door de heilige geest. Het is een tekst die je vormt, die je omvormt, want het is een symbolische tekst, en die symbolen gaan voorbij het gewone verstand. En naarmate je je meer opent voor die symbolen, beginnen die symbolen in je te leven en gaan ze langzaam maar zeker eerst de persoonlijkheid omvormen, en na verloop van tijd begint ook de innerlijke mens wakker te worden. 

Wel, die eerste duizenden bladzijden, dat Midrasj-commentaar, daarin zit verborgen de boom des levens. Al die verhalen kun je zien als uitdrukking, steeds van die zelfde boom des levens. 

U moet zich voorstellen dat de eerste lezers van de Zohar dat helemaal niet wisten. Die lazen al die verhalen, probeerden ze vaak te visualiseren, voor te stellen en al doende begon die boom des levens voor hen te leven. Aan de hand van alle mogelijke symbolen die met die verschillende Sefirot verband houden. En zo, wanneer ze bij het Boek van het verborgen mysterie kwamen – een boek dat zeer ondoorgrondelijk is, op het eerste gezicht, en ook wel op het tweede gezicht – leefde in hen reeds die boom des levens. 

De boom des levens is voor de kabbalist, zowel voor de joodse als de christelijke kabbalist, een beetje te vergelijken als het beenderenstelsel. Hij geeft structuur, op een bepaalde wijze is het nog niet af, die boom des levens daar moet nog iets mee gebeuren, en het is precies daar, in dat Boek van verborgen mysterie dat er iets nieuws gebeurt; plotseling staat de boom des levens niet echt meer centraal maar blijkt de boom des levens op te bloeien als drie of soms vijf personen. 

De boom des levens, u hebt dat gehoord, kent een bepaalde indeling. De drie hoogste Sefirot Kether, Chochmah, Binah blijken in het Boek van verborgen mysterie het Grote Gelaat genoemd te worden. Wel, ‘gelaat’, dat kunnen we niet zo zeer als van een mens zien, maar is dat van een persoon waarmee je op de één of andere wijze in een relatie kunt treden.

De volgende zes sefirot, van geboerah tot en met malchoet met de verborgen zevende, vormen samen het Kleine Gelaat, en malchoet, de laatste, als je van bovenaf rekent althans, is de dochter, of de gemeenschap, de ecclesia, zou men zeggen in christelijke kabbalistische termen, de heilige geest.

Nu kunt u zich voorstellen dat toen christelijke mensen voor het eerst de Zohar lazen en Het boek van verborgen mysteriën lazen dat ze daarin vader, zoon en heilige geest zagen, en we zien dan ook dat het christenen zijn geweest die er voor zorgden dat de Zohar gedrukt werd, want eerder bestond die alleen in allerlei manuscriptvormen. En vervolgens werden Het boek van verborgen mysterie en die twee commentaren in het Latijn vertaald. Voor sommige joden was het een bewijs dat de Zohar eigenlijk een soort kryptochristelijk geschrift was.

Vader, zoon en heilige geest. We kennen toch maar één God, Jahwe, of Jehova, of beter uit- gedrukt Jod-Heh-Vau-Heh – want we kennen niet de klinkers waarmee we deze vier letters moeten uitspreken.

Nu handelt Het boek van verborgen mysterie over het Grote Gelaat, dat is een uitdrukking van de allerhoogste, El Elyon. In de kabbalah ook wel genoemd En Sof, het onbegrensde, die overstroomt van wat we in menselijke termen zouden zeggen: liefde, maar die dat alleen maar kan geven wanneer er iemand is om het te ontvangen. En dat is de zoon. Maar dat is de zoon alleen als hij zich keert naar de allerhoogste. En als de zoon zich keert naar de allerhoogste, verschijnt de allerhoogste, die elk begrip overstijgt, die zelfs ook elke persoonsvorm overstijgt, plotseling toch als een persoon, als het Grote Gelaat. 

Tussen de zoon, of het Kleine Gelaat en het Grote Gelaat ontstaat een relatie die meer dan een gewone relatie is. Een relatie tussen personen. En vervolgens zien we hoe de kracht en de liefde die daar vanuit de allerhoogste stroomt en door de zoon wordt opgevangen, die zoon als het ware doet omkeren, zodat deze liefde vervolgens kan doorstromen naar de wereld. En dat is wat we een schepping noemen. Want de zoon, het Kleine Gelaat, in dit Boek van verborgen mysterie, is gelijk aan YHVH, is gelijk aan de God zoals wij die kennen in het klassieke jodendom. Hij is de schepper – hoewel er eigenlijk zeven scheppers zijn, de Elohim, zes met de verborgen zevende. YHVH is de verborgen kern van de Elohim. 

Er zijn dus zeven scheppende krachten, de zeven lagere sefirot zou je kunnen zeggen, die vervolgens voor de schepping zorgen, hetgeen tot uitdrukking komt in de zeven scheppingsdagen. Eigenlijk hoor ik te zeggen: zes scheppingsdagen, want op de zevende dag werd er niets geschapen, zoals wij in het Genesisverhaal kunnen lezen. 

Maar belangrijk is te beseffen dat die schepping een daad is die te maken heeft met een persoonsrelatie. En dat alles wat in de schepping tot uitdrukking komt de beeltenis draagt van de zoon, van die persoon, zodat alles wat in de schepping bestaat op de een of andere wijze een persoon is, op een symbolische wijze. We kunnen ons ook voorstellen dat die schepping waarover gesproken wordt vooralsnog niet de schepping van deze aardse wereld is, maar een wereld die als het ware achter deze wereld ligt. Die wereld kennen wij als het paradijs. 

De allerhoogste overstijgt alles, maar als die door de zoon, als het ware wordt ontvangen, verschijnt hij voor de zoon toch als het Grote Gelaat, als de Vader. En wij mensen zijn niet in staat om tot de allerhoogste te komen, dan via de zoon, zoals een bekende christelijke uitspraak luidt. Zo kunnen we begrijpen waarom christenen in de zestiende en zeventiende eeuw zo gefascineerd werden door deze tekst. 

Niemand kan tot de vader komen dan door de zoon. Niemand kan de allerhoogste ervaren dan wanneer hij zich niet op de een of andere wijze verenigd heeft met de zoon. 

Samenvattend, vanaf het begin van de sefer dzenioetha, dat wil zeggen het Het boek van verborgen mysterie, staan dus persoonlijke relaties centraal – liefderelaties. God is liefde en de hele schepping is een uitdrukking van die liefde. En liefde betekent: ontvangen en geven. En zo wordt ons verteld, eveneens in Het boek van verborgen mysterie, dat vóór de schepping van de wereld, dus vóór het verhaal dat in Genesis 1 verteld wordt, er een heel andere schepping had plaatsgevonden. Een schepping van de engelen, van de grote aartsengelen die als functie hebben om de liefde van de allerhoogste te ontvangen en via hun gebeden en hymnen terug te geven, waardoor er een soort heen-en-weer beweging tussen hen en de allerhoogste bestond; een soort levende dynamiek van geven en ontvangen.

Ons wordt verteld in Het boek van het verborgen mysterie dat er engelen waren die op een gegeven moment wel wilden ontvangen maar niet wilden geven. En dat was het moment dat er iets misging. Daarmee werd het kosmisch verbond verbroken en verwerd die engel tot de satan, is geworden het begin van al het kwaad. Hier is sprake van een toe–eigening van de liefde: wel willen ontvangen maar niets willen doorgeven. 

En de allerhoogste zag dus dat prachtige weefsel van de eerste schepping – die vooral bestond uit de engelenwereld, dat die, ja, ik zou bijna zeggen, dat die gescheurd was. En dat die engelen, er was er niet één maar het was uiteindelijk een hele massa engelen die niet langer ontvingen en gaven, dat die daardoor in diepe duisternis terecht waren gekomen. Maar de allerhoogste is alles overstromende liefde. Daarom – ik zeg het maar een beetje onparlementair: het heilige wilde hoe dan ook deze engelen verlossen. 

En nu is het de schepping zoals die in Genesis 1 wordt beschreven, die geschapen wordt ter verlossing van het kwaad. Ik moet u zeggen dat toen ik dat voor het eerst las, ik dat een zeer ontroerende gedachte vond: de schepping, dat is nog steeds niet helemaal onze schepping, dat komt zo, maar die schepping die in Genesis 1 besproken wordt, ‘is geschapen ter verlossing van het kwaad’.

Alles wat bestaat, heeft deel aan dat verlossingswerk. En de plaats van de belangrijkste engel die neer viel, Satan, moest in de hemel vervangen worden, en zo werd Adam geschapen. En dat lezen we in Genesis 2. In Genesis 2 wordt ons verteld dat Adam, dat betekent mens, man en vrouw, androgyn, dat hij-zij geschapen wordt, dat hij geformeerd wordt door Yod-Heh-Vau-Heh Elohim. 

Dat wil zeggen: YHVH als zoon – dus met de zes andere Elohim erbij – formeert nu Adam uit wat vaak in het Nederlands vertaald wordt als ‘veld’ of ‘akker’, maar in het Hebreeuws staat het woord Adamah – dat is Adam met een slot-h. Dat betekent dus de vrouwelijke Adam, dat is zijn moeder. Adam wordt geformeerd uit moeder Adamah en vervolgens blaast YHVH Elohim Adam de levensadem in. En in het Hebreeuws zien we daar verschillende woorden staan, die corresponderen met het verhaal van de allerhoogste of het Grote Gelaat en het Kleine Gelaat en de dochter.

Dat verhaal is als volgt: hoe werd die adem ingeblazen? Als de heilige, gezegend zij zijn naam, Adam de levensadem inblaast, moet die adem uit de heilige komen – die adem is natuurlijk geen fysieke adem; het is levenskracht en die adem die bij de heilige is heet nu nesjamah, dat vaak vertaald vaak met ‘ziel’ en deze ziel wordt vaak beschouwd als drievoudig. Precies keter, chokmah, binah waar u vanmorgen al het één en ander over gehoord hebt, de drie hoogste sefirot. 

Vervolgens verlaat de adem (symbolisch natuurlijk) de mond van de heilige en gaat door alle niveaus van de werkelijkheid heen, dan is het als een soort wind, roeach, vaak vertaald met ‘geest’, maar soms ook vertaald met ‘ziel’. Roeach dringt door in de neus van Adam, die net geformeerd is uit Adamah, de rode aarde, zijn moeder, en daardoor begint Adam in te ademen; Adam ademt in terwijl de heilige nog steeds aan het uitademen is. 

Adam wordt helemaal vol van de adem en dan komt Adam tot rust; deze fase wordt nefesj genoemd, de derde ziel. Inmiddels is de heilige in ademnood gekomen dus hij-zij moet gaan inademen, en de nefesj die tot rust kwam in Adem, begint nu uit Adam uit te stromen en wordt weer roeach. Die gaat door alles heen en komt uiteindelijk weer bij de heilige terug: de nesjamah. Nogmaals, we spreken nog steeds niet over de fysieke adem; de fysieke adem is de buitenkant van dit innerlijke proces, want we zijn nog niet op het niveau van deze fysieke wereld terecht gekomen. 

Wat in dit verhaal belangrijk is, is dat Adam van moment tot moment door deze adem verbonden is met de heilige, gezegend zij zijn naam. Van moment tot moment! Want u moet zich voorstellen, dit is een mythisch verhaal en mythen gaan over wat hier-en-nu plaatsvindt en heeft niets te maken met onze ruimte en tijd, heeft niets met het verleden te maken; dit ademhalingsproces vindt NU plaats. Ieder van ons ontvangt van moment tot moment de adem, ieder van ons wordt van moment tot moment gemaakt tot een levende ziel. 

Hier ziet u weer waar het om gaat: je moet leren je te openen voor de adem zodat je die kunt ontvangen, maar je moet die adem ook weer teruggeven, niet willen vasthouden. Zo ontstaat Adam, en Adam ‘wordt geplaatst in het paradijs’.

Het paradijs is in de terminologie van de vier werelden de wereld van Yetzirah, de we-
reld van de symbolen, de wereld van de mythen. Deze wereld heeft niets te maken met Jungs collectief onbewuste, want deze wereld is veel werkelijker, bezit veel meer zijnskracht, dan deze wereld van onze zintuiglijke ervaring. Alle dingen die wij zien op aarde met onze zintuigen zijn slechts schaduwen van wat in die wereld van Yetzirah, in dat paradijs, aanwezig zijn.

Adam wordt in het paradijs geplaatst en krijgt een opdracht, hij krijgt als opdracht de dieren, dat wil zeggen alles wat leeft, een naam te geven. Hoe doet hij dat? Dat doet hij niet door te verzinnen maar door zich te richten op het heilige en door contemplatie in Gods denkvermogen de oertypes te zien van alles wat leeft in het paradijs. Zo ontvangt hij de juiste naam, die hij vervolgens kan ‘geven’, dat wil zeggen: hij geeft de essenties aan alles wat er bestaat. En zo is Adam brug tussen hemel en paradijs. Adam heeft niet alleen maar een paradijslichaam, aangezien Adam in zich draagt reeds de kiem van een aards lichaam.

Want het is in het aardse gedeelte van de schepping dat alle gevallen engelen als het ware gevangen liggen. Adam is vooral geschapen om een brug te zijn tussen hemelen en hellen en daarom moet hij zowel via zijn lichtlichaam verbonden zijn met de hemelen en via zijn aardse kern met de hellen.

We zeggen daarom vaak dat Adam brug moet zijn tussen hemel en aarde, maar strikt genomen kunnen we beter zeggen: tussen hemel en hel. En dat kan Adam alleen maar als hij voortdurend open is voor de heilige, bewust diens adem ontvangt en daarin aanschouwt wat in het denkvermogen van de heilige aanwezig is en dit vervolgens als essentie, als naam doorgeeft aan alles wat leeft. Daardoor kunnen de misvormde gevallen engelen weer verbonden worden met hun hemelse oertypen en zo uit de hel verlost worden.

U kent het vervolg van dit verhaal: Adam gaat dezelfde fout maken als daarvoor de gevallen engelen hebben gemaakt. Op een gegeven moment vindt Adam de wereld waarin al de hemelse symbolen concrete tot uitdrukking komen, zo aantrekkelijk dat hij daar op de een of andere wijze, ik wil niet zeggen, eigenaar van zou willen zijn, maar hij wil zich al die concrete symbolen toch toe-eigenen, zoals dat gesymboliseerd wordt in het eten van de appel. 

Er gaat nog een heel verhaal aan vooraf maar gezien de beperkte tijd die ik nog mag gebruiken, moet ik u dat allemaal voorbehouden. Adam maakt uiteindelijk dezelfde fout als de gevallen engelen; hij keert zich af van de heilige en richt zich uitsluitend op deze wereld. 

Kortom, hij ontvangt alles van de heilige maar wil niet meer doorgeven. Hij wil het in zijn eigen bezit houden en zelfstandig worden. En het is op dat punt dat dan Adam het paradijs uitgestuurd wordt, je kunt ook zeggen dat hij daardoor zelf het paradijs verlaat. Inmiddels heeft ook in het paradijs de splitsing tussen man en vrouw plaats gevonden – maar dat voert nu te ver. 

De drie zielen, nesjamah, roeach en nefesj, corresponderen met de Personen die in Het boek van het verborgen mysterie worden beschreven. Nesjamah met het Grote Gelaat of de vader, Roeach met het Kleine Gelaat of de zoon en Nefesj met de dochter of de heilige geest. Nu wij, net als Adam, vanuit het paradijs in deze fysieke wereld zijn gekomen, leven wij nog uitsluitend vanuit onze nefesj. 

We ontvangen weliswaar nog steeds iets van de adem van de heilige, want anders zouden we niet kunnen blijven bestaan, maar we zijn niet langer open voor de allerhoogste en ook niet voor de zoon. Wij proberen voornamelijk op basis van onze persoonlijkheid, op basis van onze veelheid aan ikken, ons allerlei dingen toe te eigenen, zekerheden te scheppen, ach u kent al die verhalen wel. Welnu, door nu de Zohar te lezen, te bestuderen, niet met het verstand, maar door de symbolen in ons hart toe te laten, begint er iets van een herinnering wakker te worden. 

Er is een onderscheid tussen geloven dat God bestaat (dat kan een mentale act zijn, omdat u zo bent opgevoed) en plotseling voelen dat je geroepen wordt, dat je geroepen wordt om weer Adam te worden, om uit de fascinatie voor deze zintuiglijke wereld wakker te worden en weer de adem volledig te leren ervaren en als een Adam te gaan leven, als een brug tussen hemel en aarde of nog sterker, als een brug tussen hemel en hellen, opdat het kwaad verlost wordt! 

Dit kunnen wij niet op eigen kracht, niet vanuit onze persoonlijkheid, want dat kan helemaal niet, maar wel doordat we de adem van de heilige weer volledig gaan ontvangen. Dat is een roep en in die roeping wordt ervaren dat je bij je ware naam genoemd wordt. Zoals Adam de dieren bij hun naam noemde, noemt de heilige, gezegend zij hij, ieder van ons bij zijn ware naam. Niet onze doopnaam, niet de naam die onze ouders ons gegeven hebben, maar een naam die op een witte steen geschreven staat, zoals ons dat in de Openbaring van Johannes wordt – onze ware naam. 

In Jesaja 43 vers 1 staat geschreven: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen.’ En dat noemen vindt op elk moment plaats; ieder van ons wordt voortdurend geroepen, maar weinige geven er gehoor aan: velen zijn geroepen, weinigen zijn uitverkoren. Door de teksten uit de Zohar te contempleren, door het gebedsleven (want bidden is ademen en ademen is bidden, als u tenminste aan adem de betekenis geeft die we zojuist hebben vernomen: de drie niveaus van de ene ziel). Door te bidden, door de adem te ontvangen, treden wij weer in relatie met de zoon, met YHVH of binnen de christelijke kabbalah met YHSVH, hetgeen zeggen wil: Jeheshoeah, Jezus. 

Door de adem in ons toe te laten tijdens onze meditaties, door symbolen op ons in te laten werken en door het gebed komen wij meer en meer in een wederzijdse relatie met de heilige. Dan pas worden wij een persoon (in plaats van een persoonlijkheid), zoals in Het boek van het verborgen mysterie het Grote Gelaat en het Kleine Gelaat ook personen zijn. 

Personen zijn unieke wezens die met niemand te vergelijken zijn. Maar zolang wij niet in een ik-gij relatie staan met de zoon, met het Kleine Gelaat, blijven we een aardse persoonlijkheid, niets anders dan een sociaal en cultureel bepaalde constructie. Ieder van ons heeft een persoonlijkheid die gebaseerd is op culturele en genetische invloeden en op onze opvoeding. Deze persoonlijkheid is een kunstmatige psychologische structuur. Dat is wat anders dan persoon-zijn; we kunnen enkel persoon zijn in relatie met de heilige.

Voor de kabbalist (of het nou een christelijke of een joodse kabbalist is) gaat het er nu om dat ik als mens, die zichzelf voortdurend verliest in de zintuiglijke en psychologische wereld, die zich met van alles identificeert, met zijn gedachten, zijn gevoelens, zijn wilsimpulsen, dat ik leer om die gedachten en gevoelens en wilsimpulsen niet zozeer weg te duwen, maar me daarmee niet langer te vereenzelvigen. 

Zo kan er een soort ruimt ontstaan waar al die gedachten kunnen komen en gaan of ik wil of niet, waar al die gevoelens kunnen komen en gaan, zonder dat ik me langer met die gedachten en gevoelens identificeer. Sinds de zeventiende eeuw zijn wij opgevoed met de opvatting dat wij de bron zijn van onze gedachten, dat wij de bron zijn van onze gevoelens, dat wij de bron zijn van onze wil. 

Welnu, als u de bron bent van uw gedachten, moet het mogelijk zijn om nu op te houden met denken. Geen getetter meer in het hoofd, lekker helemaal stil – probeert u het eens! U zult zien: dat gaat helemaal niet. 

Conclusie: U bent niet de bron van uw gedachten. Er wordt in u gedacht door talloze krachten, door omgevingsfactoren, door andere mensen, door overledenen en misschien ook door al die gevallen engelen. Altijd en overal komen gedachten en gevoelens in ons op. Dat is ook de bedoeling, want die moeten verlost worden. Alleen kunnen die niet verlost worden wanneer we onszelf met hen identificeren. Indien wij die gedachten, ge- voelens en wilsimpulsen volgen, worden wij zelf deel van het probleem. 

Dus de opdracht van kabbalisten (maar dat geldt niet alleen voor kabbalisten, dat geldt eigenlijk voor iedereen die een religieuze of mystieke weg volgt) is leren een soort ruimte te zijn waarin die gedachten en gevoelens kunnen komen, terwijl die ruimte open en ontvankelijk is voor de zoon, open en ontvankelijk is voor de heilige; een ruimte die de adem kan ontvangen, zodat alle gedachten en gevoelens worden toelaten, opdat zij omgevormd kunnen worden. 

Wij worden daar zelf niet echt beter van, ja, we worden er doodmoe van, maar anderen worden er wel beter van. Dat is onze taak als Adam. En natuurlijk, door zo te werken worden we zelf ook meer en meer van persoonlijkheid tot persoon omgevormd. Belangrijk is dat we deze taak op ons nemen, de taak waarvoor de schepping was geschapen en waarvoor Adam was geschapen. Kortom, de mens was geschapen ter verlossing van het kwaad. 

Voor de kabbalist gaat het niet om een weg die ons van de wereld bevrijdt; het is niet de bedoeling om ons terug te trekken uit de wereld, want de wereld heeft juist bruggen tussen hemel en aarde (of hellen) nodig. In vrijwel alle culturen en religies vindt u het verhaal dat er tenminste een aantal Zaddikiem, ‘rechtvaardigen’ moeten zijn, of bij de Soefies: ‘polen’; wereld-assen, die bruggen zijn tussen hemel en aarde (hellen). Als deze ‘rechtvaardigen’ er niet zouden zijn, dan is de schepping verloren. 

Er zijn bruggen nodig. En ieder mens is geroepen bij zijn of haar naam een dergelijke brug te worden. Hoe doe je dat? Antwoord: door je te verdiepen in de mythen, of, binnen de kabbalistische traditie, de Zohar te lezen. De symbolen in je wezen toe te laten, zodat de boom des levens in je gestalte krijgt tot je komt bij dat Boek van het verborgen mysterie en je gaat ontdekken dat er inderdaad een Groot Gelaat en een Klein Gelaat bestaan en dat je daar op de een of ander wijze aan mag participeren, dat jij deel kan uitmaken van een ecclesia, van een gemeenschap, van de dochter, dat je deel mag uitmaken van die beweging tussen het Grote Gelaat en het Kleine Gelaat en de dochter. En dat je dus, doordat je bij je naam genoemd bent en dit hebt gehoord, een opdracht hebt gekregen. 

We kunnen dit doen door geregeld te bidden, te contempleren of te mediteren. Door te leren meer en meer ruimte te zijn – niet alleen tijdens stille meditatie-uren maar tijdens het dagelijks leven. Op die wijze kun je ongemerkt een brug zijn tussen hemel en aarde. En er zitten valkuilen bij, want stel dat u op een gegeven moment merkt dat u even brug mag zijn dan zijn er altijd ‘ikken’ die zeggen: ‘wat ben ik goed bezig, wat ben ik belangrijk.’ 

U ziet: nu maak ik dezelfde fout als Adam, want ik buig op mezelf terug en aldus ben ik weer terug bij af. Ja, de verleidingen zijn groot om alles wat er gebeurt, alles wat je mag ontvangen, je toch toe te eigenen. Dat deed die grote aartsengel Lucifer, dat deed Adam, die neiging hebben we allemaal. 

Daarom vraagt de weg van de kabbalah om je te verdiepen in de symbolen, niet theoretisch, geen betekenissen leren, want dat maakt de alleen maar symbolen stuk, maar wakker te worden voor de symbolische werkelijkheid. Daarbij, tegelijkertijd voortdurend open zijn voor de heilige en weten dat je uit jezelf niets kan denken, niets kan willen, niets kan voelen wat de moeite waard is. Je bent een ontvangstapparaat. 

Maar je bent bedoeld als een uiterst belangrijk ontvangstapparaat. Want in jou mag het kwaad verlost worden. Kabbalah, dat hebt u vandaag vast al vele malen gehoord, betekent ‘ontvangen’; niet zozeer het ontvangen van leerstellingen, want in strikte zin heeft de Kabbalah helemaal geen leerstellingen. Leerstellingen zijn conceptuele producten, maar het ontvangen van de adem en het ontvangen van symbolen waardoor transformatie plaats kan vinden is heel iets anders. 

Het gaat om het ontvangen van je naam en tegelijkertijd om het doorgeven van alles wat je ontvangen hebt. Zowel alles aan de heilige teruggeven als aan je naaste doorgeven en vooral ook aan de natuur, want zoals Paulus zegt, de natuur ligt in barensnood – ook de natuur wil verlost worden (Romeinen 8:22). Want hoe schoon de natuur ook is, ze wordt voortdurend aangetast, door tijd, door mensen. Alles wat in de natuur aanwezig is heeft zijn prototype daar in de wereld van de symbolen, de wereld van Yetzirah. 

Dus als u langs een boom loopt of u ziet een koe in de wei en u bent ruimte en u bent even Adam, dan verbindt u die koe met haar oertype. Dan doet u precies wat Adam deed in het paradijs. U geeft even de koe of de boom een naam zodat hij-zij weer even verbonden is met zijn of oertype en daardoor even helemaal werkelijk kan zijn. Dat is een taak van Adam, brug zijn tussen hemel en aarde. Dat is de taak van namen geven. 

Er wordt wel gezegd dat de kabbalah een typisch joodse traditie is. Ik heb al gesproken over de christelijke kabbalah maar als je met een academische pet op een vergelijkende studie zou maken met andere grote mystieke tradities, vind je naast grote verschillen (omdat de joodse traditie en de christelijke traditie een eigen symboliek hebben) ook grote overeenkomsten. 

In de meeste gevallen gaat het om een zelfde soort weg. Maar ik herhaal: de verleidingen op deze weg zijn groot. Eén verleiding is je alles toe te eigenen; een andere verleiding is om zo snel mogelijk de wereld te verlaten omdat het toch een tranendal is. In beide gevallen vorm je geen brug tussen hemel en aarde.

De neiging om de wereld te verlaten, om op de een of andere wijze op te stijgen en nooit meer terug te komen, is net zo erg als je identificeren met de aarde. Het eerste lijkt wel spiritueler, maar het is net zo egocentrisch als de materialistische verleiding. Want Adam is bedoeld als brug tussen hemel en aarde. Geworteld op aarde, geworteld in de hemel, opdat beide samen kunnen komen en het kwaad verlost kan worden. 

Daniël van Egmond (1947-2018) heeft ruim 15 jaar voor Stichting Arcana lezingen en meditatiecursussen gegeven. Naast veel artikelen heeft hij vier boeken geschreven: Body, subject and self (1993), De dood serieus nemen (1996), De mens en zijn engel (2012) en De wereld van de ziel (2014). Verder zijn er vijf CD’s met voordrachtenreeksen van hem verschenen.

Bron: Kabbalah – wegwijzer tussen aarde en hemel, Symposionreeks 32, symposion gehouden op 24 mei 2014 op het conferentiecentrum Renova in Bilthoven

LEES MEER OVER DE AUDIO-CD’S VAN DANIËL VAN EGMOND

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *