Graalvertelling van Chrétien de Troyes is weer verkrijgbaar in het Nederlands, vertaald door Ard Posthuma

BESTEL ‘DE GRAAL’ VAN CHRÉTIEN DE TROYES

De eerste schriftelijke bron waar de vele Europese graallegenden op zijn geïnspireerd is weer in druk beschikbaar in de Nederlandse taal: de graalvertelling van Chrétien de Troyes (1135-1183). In 2020 kwam uitgeverij Atheneum met een herdruk van het wereldberoemde werk dat vele jaren niet nieuw verkrijgbaar in het Nederlands. Chrétien schreef vijf ridderromans die zich afspelen rond het hof van koning Arthur en het is dankzij hem dat deze Arthur-legenden wereldberoemd werden. In zijn laatste en meest ambitieuze Arthur-roman, Le conte du Graal, gaf hij dit genre een totaal nieuwe dimensie, die ver uitstijgt boven wat de lezer van een avontuurlijke ‘ridderroman’ zou verwachten.

Chrétien versmaadt de rechtlijnigheid van het heldenepos waarin moreel superieure ridders als onomstreden voorvechters van het christendom ten strijde trekken. In plaats daarvan biedt hij een veel diepzinniger visie op de menselijke psyche en de als ambivalent ervaren werkelijkheid. De graal is een onomstreden hoogtepunt van de middeleeuwse literatuur.

Tekst van literair vertaler Ard Posthuma, blog van 25 maart 2021 

Afgelopen zomer werd mijn vertaling van ‘De Graal’ herdrukt. Het weerzien van het beroemdste werk uit de middeleeuwse literatuur was allerhartelijkst. Het blijft een ijzersterk en geestig verteld verhaal. Met Perceval, de aandoenlijke kinkel die zich na veel misslagen opwerkt tot ridder, oog in oog komt te staan met de Graal en op het beslissende moment verzuimt het voor de hand liggende te doen en terug is bij af. Geschreven door een dichter, Chrétien de Troyes, die zijn meesterwerk niet heeft kunnen voltooien, maar misschien juist daardoor het mysterie van de graal onsterfelijk gemaakt heeft. Na bijna negenduizend verzen verschijnt een hofdame ten tonele, totaal ontredderd, en

‘et quant la reïne la voit,
si li demande qu’ele avoit……….

‘als de vorstin ziet hoe ze beeft,
roept ze diep verontrust: ‘wat heeft ………

Ja, wat heeft…?! Voor ze haar vraag kon afmaken liet de schrijver het afweten. Hartstilstand? In de kantlijn van het handschrift staat met rode inkt: ‘Explycyt Percevax le viel’ (‘hier eindigt de oorspronkelijke Perceval’). En zo bleef het raadsel van de graal tot op de dag van vandaag onopgelost.

Wat is überhaupt een ‘graal’? Eigenlijk een (heel effectieve) vertaalfout, want voor het oorspronkelijke publiek was het een dagelijks woord voor een dure schaal, een stuk serviesgoed waarin eten werd opgediend. Latere bewerkers veranderden het in een flonkerende steen of in een miskelk, zoals afgebeeld op het omslag. Maar daaruit kun je geen vis eten, hooguit bouillabaisse. Iets waar de man voor wie de schotel bestemd was trouwens geen enkele behoefte had:

‘Want denk niet dat hij uit die schaal
lamprei of snoek of zalm wil eten;
Nee slechts één hostie, naar we weten
die hem daarin wordt geserveerd
en waar hij een heel jaar op teert.’

Helaas zien wij die graal in Chrétiens verhaal na de centrale scène niet meer terug. Perceval evenmin, al had de auteur dat wel beloofd. Naar dat ‘heilige ding’ is sindsdien naarstig gezocht. Al direct waren er vier Franse continuaties, waarbij de tekst steeds weer van smaak veranderde. En al na enkele decennia oogstte de Duitse minstreel Wolfram von Eschenbach met zijn Parzival meer roem dan Chrétien ooit gegund was. Hij maakte het verhaal drie keer zo lang en voorzag het van een happy ending. Maar zijn oplossing bevredigde mij niet en ik ging zelf aan de slag. De uitgever stribbelde tegen maar wijlen Tom van Deel roemde in TROUW niet alleen het Chrétien-deel in alle toonaarden maar noemde mijn zelfverzonnen afronding ‘misschien wel de kroon’ op de vertaling. ‘Dat slothoofdstuk’, schreef hij, ‘mag niemand missen!’ En zo is het.

Bij het schrijven daarvan was mijn probleem het verhaal zo te beëindigen dat het mysterie van de Graal intact zou blijven tot het eind ter tijden. Ik besloot mijn licht op te steken bij de astrofysica, bij de ontploffende sterrenstelsels, de alles opslokkende zwarte gaten, de donkere materie waarin ik het mysterie kon laten verdwijnen. Om die duizelingwekkende uiteinden van ruimte en tijd te kunnen benaderen moest ik Einstein de middeleeuwse wereld binnensmokkelen. Hij verschijnt als de witharige speelman die in het bezit is van de toverformule E = mc2 en geeft die mee aan de Energieke ridder Gawan:

‘Van deze weg is geen terug
want halverwege is een brug
die lijkt te zweven en die slechts
bestaat uit leggers, links en rechts,
maar zonder loopvlak tussen beiden:
die brug kan niemand overschrijden
die niet qua massa en gewicht
sneller is als een bliksemschicht.’

Die brug trok de aandacht van mijn jeugdvriend Maarten de Haan, een creatieve geest die al sinds 1988 in Amerika woont en als natuurwetenschapper bovengenoemde brug al vroeg met bliksemsnelheid (60.000 km per seconde) heeft overschreden Wij doorliepen samen de middelbare school waar we als ware alfa- en bètadeeltjes uit tevoorschijn kwamen. Hij omschrijft zichzelf als een kruising van Willy Wortel en Prof Prlwytzkofsky (een creatie van Marten Toonder). Mijn vriend is behalve bedenker van de polaroid camera en allerlei voor mij onbegrijpelijke gepatenteerde uitvindingen ook filosofisch ingesteld en vestigde een half jaar geleden mijn aandacht op het ontbreken van taal bij het beschrijven van de talrijke nieuwe ontdekkingen op zijn kennisgebied. Ik laat hem even aan het woord:

‘Hoe breng je een zwart gat onder woorden? Ze bestaan toch echt wel, maar hoe beschrijf je zoiets met een gegeven woordenschat? Er zijn duizenden woorden aan besteed, maar iedere keer dat we een stukje meer begrijpen, wijkt het echte begrip verder. Met elk stukje begrip zien we hoeveel groter ook ons onbegrip is geworden. Of kijk naar de wereld van het kleine, waar we nu neutrinos meten die op onbegrijpelijke wijze van smaak (flavor) veranderen op hun reis. ‘Flavor’ is het woord dat gebruikt wordt om de drie verschillende gedaantes van neutrinos te beschrijven.’

Ik mailde terug dat je een neutrino dus ook gerust een Perceval zou kunnen noemen die immers op zijn zoektocht door ruimte en tijd ook minstens drie keer van naam en gedaante veranderde (Parzival, Parsifal, Parcival) en liet hem mijn continuatie van De Graal lezen, waarin ik al allerlei moderne verschijnselen uit de wondere wereld van de kern- en astrofysica en biogenetica in een middeleeuwse setting had verstopt.

Met als gevolg dat ridder Gawan, die na de verdwijning van Perceval het heft in handen neemt, bij een tweesprong een ‘speelman met sneeuwwit haar’ kon aantreffen die alle kenmerken van Albert Einstein vertoonde. Die hielp hem in de hierboven al geciteerde passage op weg naar de twee werelden waarin de moderne wetenschap de meest sensationele ontdekkingen doet: die van het hele kleine en die van het hele grote: dna-structuren versus uitdijend heelal. Voor de ware ridder geen moeilijke keuze, zodat Gawan in een flits de Brug van de Relativiteit overschreed en Percevals zoektocht naar de heilige Graal voortzette in het rijk van de donkere materie.

BESTEL ‘DE GRAAL’ VAN CHRÉTIEN DE TROYES

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *