Overbruggingskunst volgens J. van Rijckenborgh in een toespraak voor jongeren: roeping en magie van de kunst

Met betrekking tot de kunst richten wij ons esoterisch, wetenschappelijk en religieus naar normen die men in de samenleving vergeten is. Kunst vertegenwoordigt het realiteitsaspect, het beeldende aspect in het leven. Kunst staat nooit op zichzelf. Wij zien de kunst als schakel in een keten van drie. Godsdienst, wetenschap en kunst zijn één. Wetenschap is de idee: idealiteit. Godsdienst is de kracht die zich verbindt met de idee en wordt: vitaliteit. De kunst, verwerkelijkt in het leven, wordt: realiteit.

Iedere mens beschikt over een zekere idee, een zekere kracht. Iedere mens is in zeker opzicht aan te duiden als een kunstenaar. Wat er aan idee en kracht abstract in hem leeft, brengt zijn kunst naar buiten. Door de kunst wordt het abstracte concreet. Het afgescheiden bestaan van de huidige mens maakt dat geen twee mensen in hun kunstwaardering gelijk zijn. Wanneer dit wel eens zo is, vloeit dat voort uit cultuur: dialectische of geestelijke cultuur.

In de cultuurgang wordt een mens volkomen gelijkgeschakeld naar een idee; de idee gaat over van vader op zoon en vaak van geslacht op geslacht. De jonge mens, beïnvloed door de idee, voert deze uit; hij ziet de dingen zoals hij is opgevoed of ‘afgericht’. Zo’n idee, voortgekomen uit intellectuele training, bestuurt het denken en willen van de mens. Wij zien vaak hoe het gros van de mensen volkomen gelijk handelt. De mens neemt zintuiglijk waar, bepaald door de eigen bloedsstaat; de opvoeding spreekt een woordje mee; alle voorvaderen spreken een woordje mee. Primitieve prikkels besturen en beroeren hem; zijn aard, zijn zinnen, zijn geest en zijn leven bepalen hoe de soort mens die hij is zich uit. 

Deze vorm van cultuur mag door alle tijden heen in verschillende graden van verfijning optreden uiteindelijk is zij toch steeds weer hetzelfde. In iedere streek drukt de cultuur zich anders uit. Iedere mens heeft zo zijn hobby’s. Wij weten dit alles, we doen eraan mee, dus zijn we er ook debet aan. In veel opzichten kunnen wij niet anders, het is de dwang van het bloed; wij zijn in dit levensveld geboren en we betalen de tol. Maar naar onze mening is deze vorm van cultuur met zijn kunst een volkomen waan, in die zin dat dergelijke kunst in geen enkel opzicht gelukkig maakt. Hoe schoon de kunst ook is, zij is nooit en nimmer verlossend. Ook al zitten we in ons huis, helemaal in overeenstemming met onze geestelijke cultuur, toch worden we ons op zeker moment bewust dat we gevangen zitten en krijgen we het gevoel dat we eruit willen, al hebben we de mooiste dingen om ons heen.

Op een gegeven moment verzucht je: ‘‘Was ik er maar uit!’’ Je bent je bewust, dat je in een gevangenis zit, het is dan alsof je wordt opgejaagd door de kracht en het weten en de kunst van het koninkrijk der hemelen. Vooralsnog is die kracht zuiver abstract, je kent haar nog niet bewust.Toch is het goed om te weten dat, in overeenstemming met de reeds eerder genoemde driedeling, er van haar drie stralen uitgaan: een ideale, een vitale en een realiteitsdrang. Drie stralen, die ons opjagen het hoogste te realiseren. Maar omdat ze zich in de aanvang abstract uiten, kun je er niet aan beantwoorden en ontstaat een gevoel van ontevredenheid met wat je hebt en bent naar de natuur. Het gevolg daarvan is: de oude dingen zeggen je niets meer, je wordt er misselijk van, je wordt revolutionair. 

Dit moment komt, als je ten minste een geestelijke zoeker bent. En dat moment bewijst dat je doodgelopen bent. Sommigen kennen een dergelijke situatie alleen maar in theorie. Zij moeten zich eerst nog voltooien naar de cultuur van dit levensveld; de geest van het koninkrijk der hemelen kan hen dan ook nog niet aanraken. Heel wat mensen voelen zich prima in hun leunstoel; voor hen is het woord van het Rozenkruis theorie en tot hen richt het Rozenkruis zich niet, kan het zich ook niet richten.Het Rozenkruis wendt zich alleen tot die mens, die zich bewust is van de herinnering. En wanneer die herinnering ‘pre-herinnering’ je heeft gegrepen, dan voel je je op deze wereld een vreemdeling. Maar begrijp wel: ook al besef je ten volle dat in deze cultuur het geluk niet te vinden is, dit betekent nog niet dat je haar daarom moet negeren.

Er is inderdaad ook schoonheid en troost. Er zijn gelukkig ook nog veel mooie dingen en voor zover je ertoe in staat bent, kun je daarvan volop genieten. Maar wat betreft de kunst besef je steeds dat de roeping en de magie van de dialectische kunst altijd is: je aan deze dialectica te binden. Daarom, pas als de krachten van het verre koninkrijk je aanraken, kun je haar op de juiste wijze schatten en afwijzen omdat je dan doordringt tot het besef dat er iets mooiers is, dat ver boven dit dialectische leven uitgaat.

Het moderne Rozenkruis stelt dus dat we hiermee kunnen breken wanneer de krachten van het verre koninkrijk ons aanraken, wanneer de herinnering doorbreekt. Er zijn heel wat mensen die de consequenties dan niet durven aanvaarden. Moed is dan zeker noodzakelijk. Wanneer een mens door de preherinnering gegrepen wordt, raakt hem een nieuwe idealiteit, vitaliteit en wordt hij tot een nieuwe realiteit gedreven. Hij wil anders dan de massa gaat. Maar door schade en schande zal hij bemerken dat de nieuwe realiteit niet in de sfeer van deze wereld ligt, maar in die van het koninkrijk der hemelen. Je kunt die nieuwe realiteit niet |in deze wereld brengen, dat is onmogelijk, dat breekt en verbrandt elkaar. 

Kijk maar naar het streven van Judas. Hij wordt altijd afgeschilderd als een misdadiger, maar dat was hij zeker niet. In werkelijkheid was Judas een buitengewoon gecultiveerd en sympathiek mens. Binnen de discipelenkring was hij de verstandigste en krachtens zijn staat-van-zijn stak hij ver boven zijn mede-discipelen uit. Hij begreep volkomen wat Jezus wilde. Wanneer de andere discipelen twijfelden en zich afvroegen wat er ge- beuren ging, wist Judas de zaak volledig te omvatten.

Toen Jezus zei: ‘‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’’, maakte Judas een plan om het koninkrijk der hemelen in deze wereld te doen verwezenlijken. Toen hij echter duidelijk ondervond dat Jezus daar niets mee te maken wilde hebben, probeerde hij de weg die Jezus gaan moest, om te leggen en door middel van een crisis alles te forceren. Hij overwoog: ‘Wanneer ik Hem, mijn Heer gevangen laat nemen, wanneer de zwarte klauw zich naar Jezus uitstrekt, moet hij zich verzetten en zal Hij het koninkrijk van Israël voorbereiden. Dan moet Hij zich wel aan het hoofd stellen van een revolutie.’’ Daarom moet je je als jonge mens heel scherp realiseren als de preherinnering je roept, dat je Judas niet nadoet.

De meeste kerken zijn erop uit een aardse theocratie te vestigen. De ware leerling onderneemt in deze richting niets, hij weet dat hij door aan zijn hemelse lichaam te werken, deel krijgt aan een nieuw levensveld, een wereld, waar godsdienst, wetenschap en kunst één zijn. Het is dan bijvoorbeeld niet zo, dat de schoonheid naar voren komt door een schilderij; dat iets moois het oog treft en je dat wilt vastleggen. Nee. Alles |is schoonheid en verhevenheid in het koninkrijk der hemelen, alles vloeit geheel in elkaar over. Maar hiermee zijn we er nog niet.

De geschiedenis is vol van mensen die dachten, dat je er met dit besef was. Zij trokken zich terug in kloosters en dergelijke, en leefden zich zo in die toekomstige wereld in. Maar dit is in feite onjuist: het grote bevrijdings- en verlossingsproces is iets gemeenschappelijks. Zolang er nog één mens niet is bevrijd, blijft het koninkrijk der hemelen een onwerkelijkheid voor ons. Je moet loskomen van de idee: hoe word ik verlost, ik ingewijd, ik bevrijd; er wordt geen ik bevrijd. Als er een ontwikkeling op het Pad kan plaatsvin-den, komt dat door het gemeenschappelijke streven. Alles hier in West-Europa is individualistisch georiënteerd, maar iedere microkosmos behoort tot een veelheid.

Een bol, een aardbol, is een samengesteld organisme. Het gehele levensveld is een samengesteld organisme. Probeer je eens in te leven in de idee dat veel wezens tezamen één wezen vormen. De aarde, als deel van onze planeet, wordt gevormd door veel toestanden van leven. Wanneer één aanzicht hiervan ’t bijltje erbij neerlegt, verstoort dit het hele levensveld. Alles moet samenwerken om in de veelheid en door de veelheid de eenheid te bewijzen. Maak alles ondergeschikt aan de gemeenschap, laat je ik volledig ondergaan in deze gemeenschap, laat het volledig onbewust zijn. 

Zolang je ik nog in het gedrang komt, is het nog niet in orde. Als jong wezen ben je een ik. En met dat ikbewustzijn wil je je een weg banen. Nu moet je op een gegeven moment met mensen gaan samenwerken en met elkaar een groot werk doen. Dan komt het allereerst je kin in de de knel.Als je er nu op toelegt, je werk te zien in het gemeenschappelijke en je stelt je in op het gemeenschappelijke streven, zul je veel kunnen bereiken op de geestelijke terreinen van je leven. Zolang er nog mensen zijn die de weg van het hogere leven nog niet gevonden hebben, zolang zij nog niet thuisgebracht zijn, zal de broederschap van het verre koninkrijk ons bijstaan.

De menselijke levensgolf bestaat uit een vastgesteld aantal microkosmoi, vanaf de eerste dag van onze openbaring. Een deel daarvan bevindt zich hier, een ander deel in het land aan gene zijde, verder een deel in wat de bijbel noemt: ‘de buitenste duisternis’ en een gedeelte in het koninkrijk der hemelen. Het geheel is echter een vastgesteld aantal, niet één radertje kan gemist worden. Daarom zal de broederschap des levens altijd samenwerken met ieder die ertoe geadeld is, om iedereen terug te brengen. Om deze reden werkt de eeuwigheid in de wereld van de tijd, door middel van drie stralen: wetenschap, godsdienst en kunst. De wetenschap, de idee, wordt voortdurend in de mensheid ingestraald; de godsdienst, de vitaliteit, wordt ook verbonden met de massa en de realiteit moet op een of andere manier ook gestalte krijgen. De universele leer, de universele kracht en de universele vrijmetselarij zijn bevrijdend en proberen de mens een deel van het grote licht te tonen.

Sommige mensen worden bij hun geboorte, in hun jeugd, of wanneer dan ook, gegrepen door het verre koninkrijk en staan vanaf die dag op het pad van zelfopoffering. Zulke mensen reageren, ieder naar zijn eigen aard, op deze drie stralen. Deze drie stralen zijn ook aan te duiden als: het koningschap, het priesterschap en de koninklijke kunst van bouw.

Ook iedere leerling van de Geestesschool heeft iets van deze drie stralen in zich, ieder weer iets anders, geheel naar de aard van de betrokken persoon. Voor allen geldt: zij willen iets voor de medemens doen! Een mens is soms wijsgerig, een ander priesterlijk, weer een ander kunstzinnig. Nemen wij nu iemand in wie kunstzinnigheid primair staat; en ook wil hij een medemens helpen.

Zijn kunst komt dan niet uit de dialectica voort. Wel maakt hij van de middelen ervan gebruik, want anders zou de mens hem helemaal niet begrijpen. De werker die zo iets van het lichtrijk toont, hetzij in vorm, kleur of klank, doet dat dus om de mens, die hij helpen wil, te bereiken. Hij brengt iets van de godsorde in de wereld, hetzij als een oordeel, hetzij als een schoonheidsflits, vertroosting of verlossing. Soms zijn in een kunstwerk deze vier aspecten met elkaar verenigd. 

Degene, die zich gedrongen voelt iets te brengen van het verre koninkrijk, brengt zijn werk niet om de schoonheid, zo iemand voelt zich als natuurmens altijd ontoereikend. Hij staat altijd enigszins tussen kunst en boodschap in, zodoende is zijn werk altijd half. Zo kunnen bijvoorbeeld in de literatuur al die vier aspecten tegelijk aanwezig zijn…

Gegrepen door die innerlijke drang van het lichtrijk schrijft iemand een boek en daarmee stelt hij een oordeel. Hij tast de mensheid aan; dat aantasten kan zijn een schoonheidsflits, een vertroosting of een prikkel tot verlossing. Daarom zul je in dergelijke literatuur ook altijd een vierde aspect terugvinden: het verlossingsaspect.

Alles, maar dan ook alles, moet hierin nog gedaan worden. De schilder, de beeldhouwer, zij kunnen ook uitermate sterk zijn in één van deze vieraspecten. De musicus, waarmee ik dan de componist bedoel, kan ook zeer naar voren komen in deze vier aspecten. In feite is er ontzettend veel werk dat ligt te wachten. Overbruggingskunst zou het moeten zijn. Zodra de straling van het lichtrijk in je leven valt, kom je tot reactie en zodra je die realiteitsdrang in je voelt, kun je op datzelfde moment je taak weten en volbrengen. Je kunt je er niet van afmaken: je moet datgene doen wat je innerlijke stem je zegt. Daarin toon je dan de grootst mogelijke moed en dan zul je slagen.

Je kunt met zeer eenvoudige middelen beginnen. De dingen die de wereld bewogen hebben, zijn altijd heel eenvoudig begonnen. De kans die je nu hebt, krijg je in het leven niet weer. Grijp die kans aan, je kunt alle kanten uit. Ook maatschappelijk zul je je ontwikkeling kunnen volgen, als je maar de weg gaat die je innerlijke stem je wijst!

Wanneer je de mensheid iets brengen wilt, moet je samengaan, samenwerken. Alle vorming zal in de toekomst alleen maar mogelijk zijn in groepseenheid. Met el-aar kun je een brug slaan tussen de mens als massa en het lichtrijk. Wanneer je dient als brug tussen de twee levenssferen, de dialectica en de statica, kan dit veel tegenstand oproepen.

Maak je vrij van iedere autoriteit, onderga de kunst naar wat zij je persoonlijk te zeggen heeft. Stel dat je geplaatst wordt voor de Nachtwacht en de heersende mening gebiedt je die Nachtwacht mooi te vinden. Al vind je die zelf niet zo mooi, laat je niet tot een leugen verleiden en buk niet voor de autoriteit. Ontwijk een antwoord, als je moet liegen, of kom eerlijk voor je mening uit. Kom hierin vooral tot eerlijkheid tegenover jezelf. Lieg niet iets mooi, wat je niet mooi vindt. Kom tot een vrij oordeel en maak je vrij van autoriteit. Als je van binnenuit niet geadeld bent om die overbruggingskunst te herkennen kan een autoriteit je dat ook niet duidelijk maken.

Juist die overbruggingskunst zullen we op een gegeven moment kunnen herkennen. Dan zal zich tenslotte de magie van de kunst ontvouwen. Naar mijn mening is het zo, dat deze magie zich alleen openbaren kan, wanneer zij de top van een driehoek vormt, op basis van idealiteit en vitaliteit, universeel weten en universele kracht. Wanneer die binding op basis van de preherinnering er is, kan aan de top van de driehoek de magie zich openbaren. Dan is er een innerlijk weten, een drang die op alle mogelijke wijzen naar buiten straalt.

In bevrijdende zin kan magie niet aangeleerd worden; zodra je dit doet is het resultaat zwarte magie. Een magische uiting kan niet worden aangeleerd; dat moet in je geboren worden; je moet daartoe geadeld worden. Wanneer een kunstenaar die punten van die driehoek niet heeft, kan hij niet komen tot overbruggingskunst. Een geroepene is aldus tevens een magiër. Van zijn werk gaat dan een grote kracht uit. Er zijn kunstwerken, waarvan je zegt: ‘‘Wat is dat eenvoudig en toch gaat er zo’n enorme kracht van uit’’. De kunstenaar was een magiër.

Zodra een werkelijk musicus voor een piano gaat zitten, zodra een werkelijk auteur de pen ter hand neemt, dan komt die magische kracht naar buiten. Je kunt dikwijls niet zeggen waar het in zit, maar het hele werk straalt die kracht uit. Die magische kracht pakt de mens soms ook veel meer dan de vorm, klank of kleur, en al diegenen, die het kunstwerk begrijpen, hebben daarover geen verschil van mening. Zij herkennen dan de overbruggingskunst als geestelijke cultuur. Zij zullen tegen elkaar zeggen: zie je dat? Heb je dat gehoord? Heb je dat bemerkt en dat, zie je hoe overal lichten flitsen? Dat zijn de mogelijkheden die besloten liggen in de overbruggingskunst van de toekomst. Neem dat werk ter hand; de wereld wacht op jullie actie en besluit ter zake. Dan gaan er in de toekomst grote dingen gebeuren.

Bron: Tijdschrift Pentagram 2004-5

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *