Het wezen doorvloeit alles en verandert niet, strofe 25 van de Daodejing en een commentaar

Daodejing.025

Vóór Hemel en Aarde bestonden,  was er een vaag Wezen.
Hoe rustig-kalm! Hoe onstoffelijk!
Het staat alleen, op zichzelf, en verandert niet.
Het doorvloeit alles en loopt (toch) geen gevaar.

Het mag wel de Moeder van alles onder de Hemel worden genoemd.
Ik weet niet Zijn naam.
(Maar) Het een karakter willende geven noem ik het Tao.
Wil ik Het met alle geweld omschrijven, dan noem ik Het groot.
Van groot noem ik Het vervliedend.
Van vervliedend noem ik Het vèr.
Van vèr noem ik Het (weer) terugkerend.

Daarom, Tao is groot, de Hemel is groot, de Aarde is groot, de Koning is groot.

Er zijn vier grote machten in de wereld, en de Koning is er één van.
De wet van de Koning is van de Aarde;
de wet van de Aarde is van de Hemel;
de wet van de Hemel is van Tao.
(Maar) de wet van Tao is van zichzelve.

Bron: Mysteriën van Tao en de Daodejing

Vóór hemel en aarde bestonden, was er iets ´anders´. De Universele Leer getuigt van twee ruimten, twee astrale velden die we aanduiden als de natuur des doods en de natuur des levens, de dialectische natuur en de oorspronkelijke godsnatuur. Ook in het evangelie van Johannes lezen wij over twee velden: ´het Woord´ en ´de duisternis´. Het Woord, als de grote werkelijkheid zelf, de ene en volstrekte kracht en wijsheid die van Tao is, doorklieft de duisternis met haar licht.

Voorheen, toen er nog geen sprake was van een val, was er een innige samenwerking tussen het Levende Water en de wateren des levens, dat een ontwikkelingsveld was, in evenwicht met de godsnatuur. De dialectische natuur is bedoeld als oefenschool der eeuwigheid. Daarom is het noodzakelijk dat de dingen steeds veranderen, komen en gaan, treedt bij voortduring het beweeg der tegengestelden op.
Daarom zien wij in de grote ruimte van de natuur des doods niet slechts de  verandering van aanzichten van de menselijke samenleving – veranderingen die door de omlopen en de wisselingen der stralingen veroorzaakt worden – doch er is ook steeds sprake van fundamentele en structurele veranderingen. Niet slechts de persoonlijkheid van de mens gaat heen en vervluchtigt, doch eveneens komen er tijden dat de gehele zich openbarende planeet verdwijnt, sterft en zich oplost. Alzo is het gehele zonnestelsel een leven dat aan verscheidene incarnaties onderworpen is.

Vóór uw persoonlijkheid bestond, was er iets ´anders´, met name uw microkosmos of monade. Vóór u bestond er een vaag wezen, volstrekt onstoffelijk en – ten opzichte van uw levensstaat – rustig en kalm. U bent in en van de natuur der bewogenheid; uw monade uit en van het gans andere.
Dezelfde verhouding kennen wij met betrekking tot de aarde. Vóór de aarde bestond er een vaag wezen, volstrekt onstoffelijk. De aarde als stofmanifestatie krimpt van tijd tot tijd ineen door de bewogenheden die haar teisteren en die vanuit haar eigen diep omhoog drijven. Doch de andere aarde, die Johannes voor zich ontsluierd zag, de monadische existentie van het planetaire wezen, is volstrekt onstoffelijk. Dezelfde verhouding kennen we ook met betrekking tot het zonneleven, tot de zodiakale levens en de totale dialectische ruimte.

Zo staat nu het stoffelijke tegenover het onstoffelijke. Het onstoffelijke – de door Lao Zi bedoelde grote werkelijkheid van de waarlijk goddelijke al-openbaring – staat op zichzelf en verandert niet. Het doorvloeit alles en loopt geen gevaar, het is onaantastbaar. Het onstoffelijke is in wezen de Vader-Moeder van de stoffelijke al-openbaring. De grote werkelijkheid van het onveranderlijke staat diametraal tegenover dat wat wij werkelijkheid noemen, de dialectiek in al haar verschijningsvormen die in diepste wezen niet bestaat. De dialectiek is een zichzelf oplossende waan.

Zo verhoudt zich ook de microkosmos, de niet-waan, de werkelijke, de eeuwige, zich tot de persoonlijkheid, de waan, de onwerkelijkheid, het eindige. U leeft nog niet, in diepste wezen bestaat u niet. Want kan men dat wat zich steeds weer opheft, wat volstrekt verdwijnt, werkelijkheid noemen?  U ervaart het als werkelijkheid, omdat u zich steeds weer inspant om het als werkelijkheid te willen zien, omdat u het wilt vastgrijpen en behouden. Indien u van binnenuit deze schijnwerkelijkheid als onwerkelijk zou willen zien en ervaren dat zij in werkelijkheid, taoïstisch gedacht, niet is, als u psychisch het niet-zijn zou beleven, dan zou u uw grote koningschap binnentreden.

Uw microkosmos is de werkelijkheid. Als persoonlijkheid bent u slechts projectie, de werkelijkheid tot spiegelbeeld dienende. Toch zou dan de ene werkelijkheid, door middel van het spiegelbeeld, een machtige weerkaatsingsarbeid kunnen verrichten. Als de waan van u afvalt en u zich als projectie van het Eeuwige zou hervinden, kan er een machtig stralingswerk tot ontwikkeling komen. Dan zal het licht kunnen stralen in de duisternis.

Zoals de projectie veroorzaakt wordt door het zich projecterende, zo is de Zoon uit de Vader. Als u de waan van het zelf-bestaande in u volkomen neutraliseert, dan zult u één worden, één zijn, met de Andere. Dan kunt u spreken: ‘De Vader en ik zijn een’. Het geheim van het bestaan is uzelf als persoonlijkheidsmens in een zodanige toestand brengen, tot zulk een levenshouding voeren, dat het werkelijke, de Ene, zich kan projecteren door u. In uw nu bevlekte en beslagen spiegel des harten zal de stem van de roos, de stem van de monade kunnen roepen. Zo wordt alles door verlangen naar en het begrip van de ene oplossing, de levenshouding van het niet-zijn, het woe wei, vrijgemaakt. Het zijnde, het absolute, kan zich dan in het niet-zijnde weerkaatsen.

Hoe zou men in die vreugde die eeuwigheid kunnen bepalen? Wij noemen het Tao. Als we ‘het’ omschrijven, dan spreken wij van ‘groot, groots, vervliedend, ver en weer terugkerend´.
Er ligt een groot plan aan de goddelijke alopenbaring ten grondslag en het zal worden vervuld. Hoe? Tao projecteert zich, het weerspiegelt zich. Het maakt zich een astrale werkelijkheid, een alchemische werkplaats. In deze werkplaats dalen de microkosmoï af, om te arbeiden aan het grote plan van de alverwerkelijking.

Het is de menselijke persoonlijkheid die in haar gestalte het koningschap, de zuivere weerspiegeling van heel het bedoelen dat in Tao besloten ligt, tot uitdrukking brengt. Daarom werd de waarachtige persoonlijkheidsmens in de gewijde historie aangeduid als en vergeleken met een tempel. En van tijd tot tijd werd aan de mens verwijtend gevraagd: `Weet ge niet dat gij Gods tempel zijt?`
Het is de tempel waarin het hoge bedoelen van Tao tot uitdrukking moet komen. Van Tao gaat een straling uit. Van hen die uit Tao geworden zijn, namelijk de microkosmoï of de monaden, gaat dus eveneens een straling uit. Door die straling kan alles wat in de microkosmos besloten ligt, tot uitdrukking worden gebracht, tot projectie. Wat Lao Zi u wil doen verstaan is: de persoonlijkheidsmens is de projectie, de uitdrukking van het zijnde. Alleen tezamen vormen zij de werkelijkheid van het goddelijke. Zonder deze samenwerking is de persoonlijkheidsmens een vloek en is hij aan de vernietiging overgeleverd.

Als u de vier grote machten en de viervoudige wet van het koningschap, aarde, hemel en Tao begrijpt, buigt u. Besef diep dat God licht is. Door het licht wordt de Godheid, de werkelijkheid, de waarheid van Tao, door hemel en aarde heen in u openbaar. Als u krachtens uw gehele existentie licht geworden bent, openbaart u dat wat u dan bent, in en voor anderen. Dan is door de waarlijk in Tao levende mens de viervoudige wet, de wet van de goddelijke volheid, hersteld.

Bron: hoofdstuk 25 van De Chinese Gnosis van J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *