Alchemisten in de middeleeuwen deden stoffelijke experimenten om innerlijk te transformeren – geestelijke alchemie werkt nu anders volgens Rudolf Steiner

RUDOLF STEINER OVER ALCHEMIE

Waarin verschilt het onderwijs van Christiaan Rozenkruis in vroegere tijd met dat in latere tijden? Dit onderwijs was vroeger meer natuurwetenschappelijk van aard, tegenwoordig meer geesteswetenschappelijk. Zo spraken ze vroeger meer over processen in de natuur en noemden die wetenschap alchemie, en voor zover deze processen buiten de aarde plaatsvonden  noemden ze die wetenschap astrologie. Tegenwoordig gaan we meer van de spirituele manier van beschouwen uit. Als we bijvoorbeeld de opeenvolgende na-Atlantische cultuurtijdperken bestuderen, de oer-Indische cultuur, de oer-Perzische, de Egyptisch-Chaldeeuws-Assyrisch-Babylonische cultuur, de Grieks-Latijnse cultuur, dan leren we daaruit de aard van de ontwikkeling van de menselijke ziel kennen. De middeleeuwse rozenkruiser bestudeerde de natuurprocessen, die hij als aarde-processen van de natuur beschouwde. Zo onderscheidde hij bijvoorbeeld drie verschillende processenin de natuur, die hij beschouwde als de drie grote processen in de natuur. 

Als het eerste belangrijke proces noemen we: de zoutvorming. Alles wat in de natuur uit een oplossing neerslaat als vaste stof, wat een afzetting kan vormen, dat noemde de middeleeuwse rozenkruiser: zout. Maar wanneer de middeleeuwse rozenkruiser deze zoutvorm zag, was zijn voorstelling ervan volkomen anders dan die van de mens van nu. Want het waarnemen van zo’n proces moest als een gebed werken in de ziel van de persoon die het bestudeerde, als hij het tenminste wilde ervaren als iets dat hij begrepen had. 

De middeleeuwse rozenkruiser probeerde zich daarom duidelijk voor te stellen wat er plaats moest vinden in de zijn eigen ziel als deze zoutvorming ook daarbinnen moest plaatsvinden. Hij dacht: de menselijke natuur vernietigt zichzelf voortdurend door de driften en de hartstochten. Ons leven zou een voortdurend ontbindings, een rottingsproces zijn als we ons alleen maar aan begeerten hartstochten zouden overgeven. En als de mens zich echt tegen dit rottingsproces wil beschermen, dan moet hij zich voortdurend overgeven aan zuivere, naar het spirtuele tenderende gedachten. Het ging om de hogere ontwikkeling van zijn gedachten.

De middeleeuwse rozenkruiser wist dat hij, als hij in de ene incarnatie zijn hartstochten niet bevocht, in de volgende incarnatie met een aanleg tot ziekte zou worden geboren, maar dat hij, als hij zijn hartstochten louterde, in de volgende incarnatie met een aanleg tot gezondheid zou binnenkomen. Het proces van overwinning van de tot ontbinding leidende krachten door middel van spiritualiteit, dàt is microkosmische zoutvorming!

Zo kunnen we begrijpen hoe zo’n natuurproces voor de middeleeuwse rozenkruiser tot het vroomste gebed kon worden. Bij het bestuderen van de zoutvorming ervoeren de middeleeuwse rozenkruisers met een gevoel van de zuiverste vroomheid: hier hebben goddlijk-geestelijke krachten sinds duizenden jaren net zo gewerkt als er in mij zuivere gedachten werken. Ik aanbid achter de maya van de natuur de gedachten van de goden, van de goddelijk-geestelijke wezens. – Dat wist de middeleeuwse rozenkruiser en hij zei tot zichzelf: als ik me door de natuur laat inspireren om zulke gevoelens te koesteren, dan zorg ik ervoor dat ik op de macrokosmos ga lijken. Bestudeer ik dit proces alleen maar uiterlijk, dan scheid ik me van God af, dan word ik de macrokosmos ontrouw. – Dat ervoer de middeleeuwse theosoof of rozenkruiser. 

Een andere ervaring was het proces van het oplossen: een ander natuurproces waardoor de middeleeuwse rozenkruiser evenzeer tot het gebed kon worden gebracht. Alles wat iets anders kan oplossen noemde de middeleeuwse rozenkruiser kwik(zilver) of mercuur. Nu deed zich aan de middeleeuwse rozenkruiser weer de vraag voor: wat is de overeenkomstige eigenschap in de ziel van de mens? Welke ziele-eigenschap werkt net zoals in de natuur buiten kwik of mercuur? De middeleeuwse rozenkruiser wist dat wat in de ziel overeenkomt met dit kwik, alle vormen van liefde in de ziel betekent. Hij maakte onderscheid tussen lagere en hogere oplossingsprocessen, net zoals er lagere en hogere vormen van liefde bestaan. Zo werd het waarnemen van het oplossingsproces weer tot een vroom gebed, en de middeleeuwse theosoof zei dan: daar buiten heeft de liefde van God duizenden jaren lang net zo gewerkt als de liefde in mijn innerlijk werkt.

Het derde belangrijke natuurproces was voor de middeleeuwse theosoof de verbranding, datgene wat er gebeurt wanneer een uitelijke stof in vlammen opgaat. En ook bij deze verbranding zocht de middeleeuwse rozenkruiser weer naar het overeenkomstige innerlijke proces. Hij zag dat ineerlijke zieleproces in vurige overgave aan de Godheid. En hij noemde alles wat in vlammen kan opgaan, zwavel of sulfur. In de ontwikkelingsfasen van de aarde zag hij het proces van een geleidelijke loutering dat lijkt op een verbrandingsproces of zwavelproces. Net zoals hij wist dat de aarde eens door het vuur gereinigd wordt, zo zag hij in en vurige overgave aan de godheid ook een verbrandingsproces. 

In de aardeprocessen zag hij het werk van de goden, die tot nog hogere goden opzagen. En zo doordrongen van een grote vroomheid en diep religieuze gevoelens zei hij tot zichzelf bij het waarnemen van het verbrandingsproces: nu offeren er goden aan de hogere goden. – En als de middeleeuwse theosoof dan zelf in zijn laboratorium het verbrandingsproces tot stand bracht, dan beleefde hij daarbij: ik doe wat de goden doen wanneer ze zich aan de hogere goden offeren. – Hij vond zichzelf pas waardiog om tot zo’n verbrandingsproces in zijn laboratorium te komen als hij voelde dat hij doordrongen was van een dergelijke offervaardigheid, als hij de wens in zichzelf voelde om zich offerend aan de goden over te geven. De macht van de vlammen vervulde de middeleeuwse theosoof met grote, diep religieuze gevoelens en hij zei dan tot zichzelf: als ik buiten in de macrokosmos de vlammen zie, dan dan zie ik in gedachen, de liefde, de offervaardigheid van de goden. 

De middeleeuwse rozenkruiser voltrok zelf deze processen in zijn laboratorium en al experimenterende gaf hij zich over aan het waarnemen van die zoutvormingen, van de oplossingen en de verbrandingen, waarbij hij zich steeds overgaf aan diep religieuze ervaringen, en hij voelde de samenhang met alle krachtren in de macrokosmos. Deze zieleprocessen riepen bij hem het volgende op: ten eerste gedachten aan de goden, ten tweede liefde voor de goden, ten derde offerbereidheid voor de goden. 

Dan ontdekte de middeleeuwse rozenkruiser dat er in hem zelf, wanneer hij een zoutvormingsproces voltrok, zulke zuivere louternde gedachten opstegen. Bij een oplossingsproces voelde hij dat er bij hem liefde werd opgewekt, dat hij doordrongen werd van de goddelijke liefde; in het verbrandingsproces voelde hij zich aangevuurd tot de offerdienst, voelde hij de drang om zich te offeren op het altaar van de wereld. 

Dat was wat de experimentator beleefde. En als je zelf als helderziende zo’n experiment had bijgewoond, dan had je een verandering waargenomen in de aura van de betreffende mens die het experiment uitvoerde. De aura die voor het experiment heel gemengd was, die misschien vervuld was met begeerten en driften waaraan de betreffende zich had overgegeven, werd door het experiment meer eenkleurig. Allereerst bij het experiment van de zoutvorming.: koper – zuivere godsgedachten-, vervolgens bij het experiment van het oplossen: zilver – godenliefde – , en tenslotte goudglanzend – een goden-offerliefde of goden-offerdienst – bij het verbranden. De alchemisten zeiden dan dat ze uit de aura het subjectieve koper, het subjectieve zilver en het subjectieve gouden hadden gemaakt. 

Het gevolg daarvan was dat wie zoiets doorgemaakt had, wie zo’n experiment werkelijk innerlijk beleefde, helemaal doordrongen werd van goddelijke liefde. Dus er kwam daarbij een van zuiverheid, liefde en offervaardigheid doordrongen mens tevoorschijn, en door deze offerdient bereidden de middeleeuse theosofen een bepaalde vorm van helderziendheid voor. 

Zo kon de middeleeuwse theosoof naar binnen kijken in de wijze waarop geestelijke wezens achter de maya de dingen lieten ontstaan en weer vergaan. Daardoor zag hij dan ook in, welke strevende krachten in de ziel ons vooruit helpen en welke niet. Hij leerde onze eigen krachten van ontstaan en vergaan kennen. De middeleeuwse theosoof Heinrich Khunrath heeft dit proces, in een verlicht ogenblik, de wet van ontstaan en vergaan genoemd. 

Uit het waarnemen van de natuur werd voor de middeleeuwse theosoof de wet van de opwaartse en neerwaartse ontwikkeling duidelijk. De wetenschap die hij zich daardoor eigen maakte, drukte hij in bepaalde tekens, in imaginatieve beelden en figuren uit. Het was een soort imaginatieve kennis. De publicatie Die Geheime Figuren der Rosenkreutzer is daar een resultaat van. 

Zo werkten de beste alchemisten vanaf de 14e tot de 18e en nog tot begin 19e eeuw. Over dit echt morele, ethische, intellectuele werk is niets gedrukt. Wat er over alchemie is gedrukt, gaat alleen maar over puur uiterlijke experimenten; het is slechts geschreven door lieden die de alchemie als doel op zich bedreven. 

De valse alchemist was er op uit om stoffen te vormen. In de experimenten bij het verbranden van stoffen zag hij alleen maar de winst van het materiële resultaat. Maar de echte alchemist gaf niets om de stof die hij tenslotte verkreeg. Hem kwam hem slechts aan op innerlijke zieleprocessen tijdens de vorming van de stof, op de gedachten die in hem leefden, de ervaringen die hij in zich doormaakte. Daarom was het een strenge wet dat de middeleeuwse theosoof die bij de experimenten goud en zilver voortbracht, daaruit nooit winst voor zichzelf mocht maken. Hij mocht de geproduceerde metalen alleen maar wegschenken.

De mens van nu heeft niet meer de juiste voorstelling van deze experimenten. Hij heeft er geen idee van wat de experimentator kon ervaren. De middeleeuwse theosoof kon hele zieledrama’s in zijn laboratorium meemaken, bivoorbeeld wanneer antimoon werd gewonnen zagen de experimentatoren heel belangrijke morele dingen in die processen. 

Waren deze dingen toen niet gebeurd, dan zouden we nu niet in geesteswetenschappelijke zin rozenkruiserij kunnen bedrijven. Wat de middeleeuwse rozenkruiser bij het waarnemen van natuurprocessen beleefde, is een heilige vorm van natuurwetenschap. Wat hij ervaarde aan geestelijke offervaardigheden, aan grote vreugden, grote natuurprocessen, ook aan smart en verdriet, aan verheffende en verblijdende gebeurtenissen tijdens de experimenten die hij uitvoerde, dat werkte allemaal verlossend en bevrijdend op hem in. Maar dat alles rust nu in de innerlijkste diepten van de mens, alles wat daar destijds in hem werd gelegd. 

Hoe vinden we deze verborgen kracht terug die toen tot helderziendheid leidde? We vinden ze doordat we geesteswetenschap bestuderen en ons door serieuze meditatie en concentratie helemaal overgeven aan het innerlijk leven van de ziel. Door zo’n innerlijke ontwikkeling wordt het bestuderen van de natuur langzamerhand weer tot offerdienst. daarom moeten de mensen heengaan door wat wij tegenwoordig geesteswetenschap, antroposofie noemen.   

Duizenden mensen moeten zich aan de geesteswetenschap wijden, een innelijk leven leiden opdat in de toekomst weer de geestelijke waarheid achter de natuur kan worden waargenomen, opdat men weer het geestelijke achter maya leert begrijpen. Dan zal in de toekomst een weliswaar aanvankelijk nog klein groepje mensen de gebeurtenis van Paulus voor Damascus mogen beleven en de etherische Christus waarnemen, die bovenzinnelijk onder de mensen zal komen. 

Maar eerst moet de mens weer komen tot een geestelijk waarnemen van de natuur. Wie de gehele innerlijke betekenis van het werk van de rozenkruisers niet kent, kan denken dat de mensheid nog op dezelfde trap zou staan als tweeduizend jaar geleden. Voor dit proces, dat slechts door middel van de geesteswetenschap mogelijk is, zal zijn doorgemaakt, zal de mens niet tot geestelijk schouwen komen. Er zijn veel mensen die goed en vroom zijn, die niet tot de geesteswetenshcap komen, maar die in de grond van de zaak toch antroposoof zijn. 

Door het gebeuren bij de doop in de Jordaan, toen de Christus afdaalde in het lichaam van Jezus van Nazareth, en door het mysterie van Golgotha werd de mensheid geschikt om de Christus later –  nog in deze eeuw, ongeveer vanaf 1930 – in het etherlichaam te schouwen en te beleven. Christus heeft slechts éénmaal op aarde in een fysiek lichaam rondgelopen en dat moeten we kunnen begrijpen. 

De wederkomst van Christus betekent: de Christus bovenzinnelijk in het etherlichaam schouwen. Daarom moet een ieder die de juiste loop van de ontwikkeling wil doormaken, zich het vermogen verwerven om met het geestesoog te kunnen schouwen. Het zou geen vooruitgang betekenen voor de mensheid als de Christus nog eens in een fysiek lichaam moest verschijnen. De volgende keer zal hij zich in het etherlichaam openbaren.  

Wat de diverse religieuze stromingen te bieden hadden, is samengebracht door Christian Rosenkreutz en het college van de twaalf. De uitwerking daarvan zal zijn: om wat de afzonderlijke religies hebben geboden, wat hun aanhangers hebben nagestreefd en hevig verlangd hebben, te vinden in de Christus-impuls. Dit zal de ontwikkeling zijn van de komende drie millennia: begrip te doen ontstaan en te wekken voor deze Christus-impuls.

Vanaf de twintigste eeuw zullen alle religies verenigd zijn in het rozenkruis-mysterie. En dat zal gedurende de volgende 3000 jaar mogelijk worden, omdat het niet meer nodig zal zijn om de mensen te onderwijzen uit wat de documenten bevatten, maar door middel van het aanschouwen van de Christus zullen ze zelf de gebeurtenis leren begrijpen die Paulus voor Damascus meemaakte. De mensheid zelf zal door het Paulus-gebeuren heen gaan. 

Bron: Christian Rosenkreutz en de rozenkruisers, voordracht Neuchatel 28 september 1911

 

BESTEL CHRISTIAN ROSENKREUTZ EN DE ROZENKRUISERS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *