Martin Heidegger is niet alleen een van de invloedrijkste denkers, maar ook de meest omstreden filosoof van de twintigste eeuw. De originaliteit en de kracht van zijn denken vonden binnen, maar vooral ook buiten het vakgebied grote weerklank. Rüdiger Safranski slaagt erin Heideggers weerbarstige filosofie uiteen te zetten en plaatst diens nazistische verleden onverbloemd in het juiste licht.
VOORWOORD
Het is een lang verhaal met Heidegger, met zijn leven en zijn filosofie. De hartstochten en catastrofen van heel de eeuw zitten erin. Filosofisch komt Heidegger van ver. Met Heraclitus, Plato en Kant ging hij om alsof het zijn tijdgenoten waren. Hij kwam hun zo na dat hij kon horen en ter sprake brengen wat bij hen ongezegd was gebleven. Bij Heidegger is nog de hele wonderbaarlijke metafysica aanwezig, maar op het ogenblik dat zij op het punt staat te verstommen. Je kunt ook zeggen: op het ogenblik dat zij zich voor iets anders openstelt.
Heideggers passie was het vragen, niet het antwoorden. Waar hij naar vroeg en wat hij zocht, noemde hij — het zijn. Een filosofisch leven lang stelde hij steeds weer die ene vraag naar het zijn. De zin van die vraag is geen andere dan het leven het geheim terug te geven dat in de moderne tijd verloren dreigt te gaan.
Heidegger begon als katholiek filosoof. Hij nam de uitdaging van de moderne tijd aan. Hij ontwikkelde de filosofie van een bestaan dat zichzelf aantreft onder een lege hemel, beheerst door een alles verslindende tijd, geworpen en toegerust met de gave het eigen leven te ontwerpen. Een filosofie die de enkeling op zijn vrijheid en verantwoordelijkheid aanspreekt en de dood serieus neemt. De zijnsvraag in Heideggeriaanse zin betekent, het bestaan lichten zoals je een anker licht, om bevrijd de open zee op te varen. Het is een treurige ironie van de receptie van Heideggers werk dat zijn zijnsvraag die bevrijdende, lichtende trek meestal heeft verloren en het denken eerder heeft geïntimideerd en verkrampt. Het zal zaak zijn zich van die krampachtgheid te bevrijden. Dan zullen we misschien ook vrij genoeg zijn om met de lach van de Thracische maagd te antwoorden op veel mislukte diepzinnigheid van dit filosofische genie.
Nog altijd leidt Heideggers politieke verstrikking tot verkrampte reacties. Om filosofische redenen werd hij tijdelijk een nationaal-socialistische revolutionair, maar zijn filosofie hielp hem ook zich weer van zijn politieke activiteiten te bevrijden. Hij heeft lering getrokken uit wat hij had gedaan. Voortaan cirkelde zijn denken ook rond het probleem van de verlokking van de geest door de wil tot macht. Heideggers filosofische weg leidt van de resoluutheid via de metafysica van het grote historische ogenblik ten slotte tot de gelatenheid en tot een denkwijze waarin de behoedzame omgang met de wereld centraal staat.
Hij was echt een ‘meester’ uit de school van de mysticus meester Eckhart. Als geen ander heeft hij in een a-religieuze tijd de horizon voor de religieuze ervaring opengehouden. Hij heeft een denkwijze gevonden die dicht bij de dingen blijft en bescherming biedt tegen een afglijden in de banaliteit.
Hij was echt zeer ‘Duits’, even Duits als Adrian Leverkühn van Thomas Mann. De geschiedenis van Heideggers leven en denken is nogmaals een geschiedenis van Faust. Wat aan het licht komt is het innemende, fascinerende en afgrondelijke van een typisch Duitse weg in de filosofie, die een Europese gebeurtenis zou worden. En ten slotte: door zijn politieke activiteiten heeft hij ook iets van die ‘meester uit Duitsland’ van wie in het gedicht van Paul Celan sprake
is. Zo symboliseert de naam Martin Heidegger het opwindendste hoofdstuk uit de geschiedenis van de Duitse geest in onze eeuw. Er moet over worden verteld, zowel over het goede als over het kwade en voorbij goed en kwaad.
EERSTE HOOFDSTUK
Geworpenheid. De hemel boven Meßkirch. Het plaatselijke schisma. Een sleutelrol. Klokkenluidertjes. Voor mijn unieke broer. Da-da-dasein. De ouders. Onder de hoede van de Kerk. Konstanz. De wereldlijken en de anderen. Op het gymnasium in Freiburg. Bijna een jezuïet.
In 1928 schrijft de inmiddels beroemde Martin Heidegger aan het voormalige hoofd van het seminarie in Konstanz waar hij een paar jaar op school had gezeten: Misschien bewijst de filosofie het meest nadrukkelijk en aanhoudend hoezeer de mens telkens opnieuw moet beginnen. Filosoferen wil uiteindelijk niets anders zeggen dan beginneling zijn. Heideggers lof van het beginnen, van de ‘aanvang’, is voor meer dan één uitleg vatbaar. Hij wil een meester van de aanvang zijn. In de aanzetten van de filosofie in Griekenland zocht hij naar de voorbije toekomst en in het heden wilde hij het punt ontdekken waar midden in het leven de filosofie telkens opnieuw ontspringt. Dat gebeurt in de stemming. Hij kritiseert de filosofie die doet alsof ze met gedachten begint. In werkelijkheid, zegt Heidegger, begint zij met een stemming, met verbazing, angst, bezorgdheid, nieuwsgierigheid, jubel.
Voor Heidegger is het de stemming die leven en denken verbindt, en het is niet gespeend van ironie dat hij in zijn eigen geval zo afwijzend stond tegenover het uitdiepen van de samenhang tussen leven en denken. Een college over Aristoteles begon hij eens met de lapidaire uitspraak: Hij werd geboren, werkte en stierf. Zo wilde Heidegger dat er ook over hem zou worden gesproken, want dat was vermoedelijk zijn grote droom: voor de filosofie leven en misschien zelfs in de eigen filosofie verdwijnen. Ook dat heeft met zijn stemming te maken, die, misschien wat al te snel, in het aanwezige het hinderlijk-opdringerige ontdekt en daarom op zoek is naar het verborgene. Het leven zelf kan hinderlijk-opdringerig zijn.
Heideggers stemming legt hem de volgende woorden in de mond: het menselijke bestaan (Dasein) is geworpen en het zijn heeft zich als last geopenbaard, want: Heeft ooit een menselijk bestaan er als zichzelf vrij over beslist, en zal het er ooit over kunnen beslissen of het al dan niet in het ‘bestaan’ wil komen?).
Heidegger hield van het grote gebaar en daarom weet je nooit zeker of hij over het avondland of over zichzelf spreekt, of het zijn in het algemeen of zíjn zijn ter discussie staat. Maar als we van het beginsel uitgaan dat de filosofie niet aan de gedachte, maar aan de stemming ontspringt, mogen we de gedachten niet uitsluitend zoeken in het handgemeen met andere gedachten, dus op de hoogvlakte van de geestelijke traditie. Natuurlijk sloot Heidegger bij tradities aan, maar om redenen die op zijn leven zijn terug te voeren. Die staan hem kennelijk niet toe het eigen ter-wereld-komen als een geschenk of als een veelbelovende aankomst te ervaren. Het moet een val geweest zijn, zo wil zijn stemming het.
Maar de wereld waarin hij zich geworpen voelt is niet die van Meßkirch aan het eind van de vorige eeuw, waar hij op 26 september 1889 werd geboren, waar hij zijn kindertijd doorbracht en waarnaar hij telkens graag terugkeerde. Geworpen voelde hij zich pas toen hij uit de vertrouwde wereld die hem tegen de beproevingen van de moderne tijd beschutte, werd geworpen. We moeten niet vergeten dat het ter-wereld-komen met de geboorte nog niet is afgedaan. In een mensenleven zijn meerdere geboorten nodig, en het kan gebeuren dat je nooit helemaal bij de wereld aankomt.
Maar laten we om te beginnen bij de eerste geboorte stilstaan. Zijn vader, Friedrich Heidegger, is meesterkuiper en koster van de katholieke Sint Martinus-kerk in Meßkirch. Hij sterft in 1924. Hij moet meemaken dat zijn zoon breekt met het katholicisme, maar diens filosofische doorbraak mag hij niet meer beleven. De moeder sterft in 1927. Martin Heidegger legt een handexemplaar van de pas verschenen editie van Sein und Zeit op haar doodsbed.
Zijn moeder komt oorspronkelijk uit het naburige dorp Göggingen. Als de koude winden van de hoogvlakten van de Zwabische Alp komen vallen, zeggen ze in Meßkirch: ‘De wind komt uit Göggingen […]’. De voorouders van zijn moeder bewoonden daar al generaties lang een statige hofstede, de Lochbauernhof geheten. Een voorvader, Jakob Kempf, had de hoeve in 1662 van het cisterciënzerklooster Wald bij Pfullendorf gepacht om een boerderij te beginnen. Heideggers grootvader kon de pacht in 1838 voor de som van 3800 gulden afkopen. Maar in de geest bleven ze onder de hoede van de Kerk.
De voorouders van vaders kant waren kleine boeren en ambachtslieden. Ze kwamen uit Oostenrijk en hadden zich in de 18e eeuw in de streek gevestigd. Heemkundigen in Meßkirch zijn erachter gekomen dat zij in de verte verwant waren met de Mägerles en de Kreutzers. Uit de ene familie stamt de beroemdste kanselredenaar van de 17e eeuw, Abraham a Sancta Clara, uit de andere decomponist Konradin Kreutzer. Ook met Conrad Gröber, Martins geestelijk leidsman op het internaat in Konstanz, die later aartsbisschop van Freiburg werd, waren de Heideggers in de verte verwant.
Meßkirch is een provinciestad, gelegen tussen de Bodensee, de Zwabische Alp en de bovenloop van de Donau. Een schrale, vroeger arme streek op de grens van het Alamaanse en het Zwabische. De Alamaanse volksaard is nogal zwaarmoedig, melancholisch, zelfs tobberig. De Zwaben zijn van nature opgewekter, opener, ook dromeriger. De Alamannen neigen naar sarcasme, de Zwaben naar pathos. Martin Heidegger heeft van beiden wel iets, en het zijn Johann Peter Hebel, een Alaman, en Friedrich Hölderlin, een Zwaab, die hij als zijn schutspatronen heeft uitverkoren. Beide mannen zijn in zijn ogen gevormd door de streek terwijl ze toch oprijzen in de grote wereld. Zo zag hij zichzelf ook: zich openstellen voor de weidsheid van de hemel en tevens wortelen in het duister van de aarde (D, 38).
In een college uit 1942 interpreteert Heidegger Hölderlins Donau-hymne ‘Der Ister’. Aan het collegemanuscript heeft hij een notitie toegevoegd die in de gedrukte tekst ontbreekt: Misschien moet Hölderlin, de dichter, beslissend worden voor het lot van een denker wiens grootvader in de ontstaanstijd van de “Isterhymne’ […] werd geboren in een schaapskooi van een meierij die in het dal van de bovenloop van de Donau dicht bij de oever van de rivier onder de rotsen ligt.
Zelfmythologisering? In elk geval de poging zichzelf een herkomst te verschaffen die hij zich wenste. De glans van Hölderlin over het huis aan de Donau, aan de voet van kasteel Wildenstein, onder Meßkirch. Daar leefden de Heideggers in de 18e eeuw. Het huis staat er nog en de bewoners vertellen dat de professor met het alpinopetje steeds weer op bezoek kwam.
In de nabijheid van het huis aan de Donau en het kasteel Wildenstein ligt Beuron met zijn benedictijnenklooster, eertijds een kanunnikenseminarie van de augustijnen. Die stille monnikenwereld met haar grote bibliotheek, veestallen en schuren trok Martin Heidegger aan, ook nog toen hij zich van de Kerk had losgemaakt. In de jaren twintig bracht hij in de collegevrije perioden meermaals enige weken in de kloostercel door. Tussen 1945 en 1949, in de tijd van zijn doceerverbod, was het klooster van Beuron de enige plaats waar hij in het openbaar optrad.
Meßikirch telde aan het eind van de 19e eeuw tweeduizend inwoners. De meesten van hen waren werkzaam in de landbouw en de ambachtelijke nijverheid. Er was ook enige industrie, een brouwerij, een spoelen- en een zuivelfabriek. In Meßkirch bevonden zich de ambtelijke burelen van het district, nijverheidsscholen, een telegraafkantoor, een station, een postkantoor tweede klasse, een kantongerecht, hoofdkantoren van coöperatieve verenigingen en de administratie van de domeinen en het kasteel. Meßkirch hoorde bij Baden, wat voor de geestelijke atmosfeer van het stadje van belang was.
In Baden bestond sinds het begin van de 19e eeuw een sterke liberale traditie. In 1815 werd een stelsel van volksvertegenwoordiging ingevoerd en in 1831 de perscensuur opgeheven. Baden was een bolwerk van de revolutie van 1848. Hecker en Struve riepen in april van dat jaar vanuit het naburige Konstanz op tot de gewapende opstand. De revolutionaire contingenten verzamelden zich bij Donaueschingen; ze werden verslagen, een jaar later veroverden ze voor korte tijd de macht en nam de groothertog de wijk naar de Elzas; alleen met behulp van de Pruisische troepen kon de orde worden hersteld. In Baden dacht men niet welwillend over Pruisen en na 1871 hield alles wat met het Duitse Rijk te maken had altijd een nare Pruisische bijsmaak. Het Badense liberalisme gooide het ten slotte toch op een akkoordje met het Rijk, mede omdat het een andere tegenstander had gevonden: de katholieke Kerk.
Sinds 1848 had de Kerk het liberalisme, dat ze anders heftig bestreed, handig ten eigen bate aangewend; ze eiste de vrije Kerk in de vrije staat, opheffing van de staatsbevoogding op scholen en universiteiten, vrije hand in de verdeling van kerkelijke baantjes en vrij beheer van het kerkelijk vermogen. Men diende God meer te gehoorzamen dan de mens. Het conflict spitste zich toe op het moment dat de staatsregering in 1854 de aartsbisschop van Freiburg in hechtenis liet nemen. Ten slotte draaide de regering bij, want de Kerk was kennelijk te sterk in de denk- en levensgewoonten van de bevolking verankerd, vooral op het platteland en in de kleine provinciesteden.
Dat katholieke populisme in het zuidwesten was schijnvroom, maar stond onverschillig tegenover de staat, het was hiërarchisch, maar pochte tegenover de staatsmacht op zijn autonomie. Het was anti-Pruisisch, eerder regionalistisch dan nationalistisch gezind, antikapitalistisch, agrarisch, antisemitisch en verknocht aan de geboortestreek, en het had zijn wortels voornamelijk in de onderste lagen van de bevolking.
De conflicten tussen Kerk en staat laaiden weer op toen het Vaticaans concilie in 1870 het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid afkondigde. Als in het tijdperk van het nationalisme de universele heerschappij van de Kerk niet opnieuw gevestigd kon worden, diende op zijn minst de katholieke wereld zo effectief mogelijk van de staat en de geseculariseerde maatschappij te worden afgeschermd. Daartegen vormde zich een oppositie, de zogenaamde “oud-katholieke’ beweging, die haar sociale wortels voornamelijk in het ontwikkelde nationaal-liberale en katholieke burgerdom van Zuid-Duitsland had. In dat milieu wilde men niet al te ‘rooms’ worden en het katholieke met het nationale verbinden.
Menig oud-katholiek streefde bovendien naar een modernisering van de Kerk in haar ge-
heel: afschaffing van het celibaat, beperking van de heiligenverering, zelfbeschikking van de parochies, gekozen priesters. De beweging riep een eigen kerkelijke organisatie in het leven,
koos een bisschop, maar bleef numeriek klein; nooit kwam het ledental boven de honderdduizend, ondanks het feit dat ze van regeringswege werd gesteund, vooral in Baden, waar de oud-katholieke beweging zich sterk ontwikkelde. Meßkirch was in de jaren zeventig en tachtig een van haar bolwerken. Bij tijden was daar bijna de helft van de bevolking oud-katholiek.
Conrad Gröber, een geëngageerde vertegenwoordiger van het roomse katholicisme, schetst een somber beeld van het Meßkirch ten tijde van de ‘Kulturkampf’ (strijd tussen de Pruisische regering en de rooms-katholieke Kerk 1872-78, vert.), die nog tot in Martins kindertijd doorwerkt: “We weten uit eigen bittere ervaring hoezeer jeugdig geluk in die barre jaren werd verstoord, toen de rijke oud-katholieke kinderen de arme katholieke kinderen wegduwden, hun en hun geestelijken allerlei spotnamen gaven, hen aftuigden en in drinktroggen onderdompelden om hen te herdopen.
We weten helaas ook uit eigen ervaring hoe zelfs de oud-katholieke leraren de schapen van de bokken scheidden, de katholieke leerlingen de koosnaam “roomse bleekscheten” gaven en hen met harde hand lieten voelen dat ze niet ongestraft roomse paden konden bewandelen. Ze waren immers allen op een enkeling na afvallig geworden en moesten zich aansluiten bij de oud-katholieken, wilden ze in Meßkirch kans maken op een vaste betrekking. Ook veel later is nog gebleken dat je in het stadje aan de Ablach alleen een baantje kon krijgen door je tot een ander geloof te bekeren.”
Tot de standvastigen behoorde Heideggers vader. Hij bleef bij de ‘roomsen’, hoewel hij daar aanvankelijk alleen nadeel van ondervond. De regering had de oud-katholieken van Meßkirch het medegebruiksrecht van de stadskerk van Sint Martinus beloofd. Voor de roomsen betekende dat een ontwijding van het godshuis, en dus trokken zij eruit. Niet ver van de stadskerk verbouwden zij in 1875 met de nijvere hulp van de monniken van Beuron een oud graanpakhuis tot ‘noodkerk’. Daar was ook de kuiperswerkplaats ondergebracht van de koster, Friedrich Heidegger, en daar werd Martin gedoopt.
De tegenstelling tussen de ‘roomsen’ en de oud-katholieken verscheurde de stedelijke gemeenschap in twee kampen. De oud-katholieken, dat waren de ‘betere kringen’, de ‘liberalen’, de ‘modernen’. In hun ogen waren de “‘roomsen’ de jakobsgangers van de vooruitgang, beperkte, achterlijke kleine luiden die aan verouderde kerkelijke gebruiken vasthielden. Als de roomsen in voor- en najaar naar buiten trokken om de zegen over de gewassen af te smeken, bleven de oud-katholieken thuis, en de kinderen uit hun families gooiden stenen naar demonstranten.
Bij die conflicten leerde de kleine Martin voor het eerst de tegenstelling tussen de traditie en de moderne tijd aan den lijve kennen. Hij ervoer het krenkende van die moderne tijd. De oud-katholieken behoorden tot “die daar boven’, en de roomsen, hoewel in de meerderheid, moesten zich de minderen voelen. Des te hechter sloten ze zich binnen hun gemeenschap aaneen.
Toen tegen het eind van de eeuw het aantal oud-katholieken ook in Meßkirch drastisch terugliep en het klimaat van de Kulturkampf ontspande, kregen de roomsen de stadskerk inclusief alle bezittingen terug. De Heideggers konden het kostershuis aan het kerkplein weer betrekken. Op 1 december 1895 bezegelde een godsdienstige plechtigheid deze overwinning op de ‘afvalligen’. Daarbij kreeg de kleine Martin onverhoopt een sleutelrol toebedeeld: voor de oud-katholieke koster was het pijnlijk de sleutel van de kerk aan zijn opvolger te overhandigen, dus gaf hij hem gewoon aan de kleine kosterszoon die daar juist op het kerkplein aan het spelen was.
De wereld van de kindertijd — dat is het bescheiden kostershuis aan het kerkplein tegenover de imposant oprijzende Sint Martinus-kerk. Het plein biedt uitzicht op het 16e-eeuwse kasteel van Fürstenberg. De kinderen konden door het grote portaal op de binnenplaats en vervolgens in het kasteelpark komen tot aan het hek van de kasteeltuin aan het andere eind, waar de vrije natuur met de veldweg begint: Hij loopt van het tuinhek van het kasteel naar Ehnried. De oude linden van de kasteeltuin kijken hem over de muur na, of hij nu in de paastijd duidelijk afsteekt tegen het opkomende gewas en de groenende weiden of rond de kerst onder sneeuwverstuivingen achter de dichtstbijzijnde heuvel verdwijnt (D, 37).
De jongens van de koster’, Martin en zijn jongere broer Fritz, moesten in de kerk helpen. Ze waren misdienaars, plukten bloemen ter versiering van de kerk, deden boodschappen voor de pastoor en moesten de klokken luiden. In de toren hingen zeven klokken, zo herinnert Heidegger zich in Vom Geheimnis des Glockenturms, en elke klok had een naam, een eigen klank en een eigen tijd.
LEES OVER DE BOVENSTAANDE BIOGRAFIEËN DOOR RÜDIGER SAFRANSKI
INHOUDSOPGAVE
Eerste hoofdstuk
Geworpenheid. De hemel boven Meftkirch. Het plaatselijke schisma. Een sleutelrol. Klokkenluidertjes. Voor mijn unieke broer. Da-da-dasein. De ouders. Onder de hoede van de Kerk. Konstanz. De wereldlijken en de anderen. Op het gymnasium in Freiburg. Bijna een jezuïet.
Tweede hoofdstuk
Onder de antimodernisten. Abraham a Sancta Clara. De bovenaardse waarde van het leven. De hemelse logica. Heidegger ontdekt Brentano en Husserl. Het filosofische erfgoed van de 19e eeuw. De drooglegging van het Duitse idealisme. Filosofie van het als-of. Toevlucht tot de culturele waarden. Het gelden en het geld.
Derde hoofdstuk
Olijfbergstonden. Carrièreplanning. Disseratie. Bestaat het niets? ‘Het barst los’. Smeekbeden bij de hoogeerwaarden. Voorbij de levensfilosofie. De inbreuk van het leven op de filosofie. Diltheys ‘beleven’ en Nietzsches ‘zich uitleven’. Bergsons grote stroom. Max Schelers bloeiende tuin.
Vierde hoofdstuk
De oorlog breekt uit. De ideeën van 1914. Heideggers filosoferen in weerwil van de geschiedenis. Het vloeibaar maken van de scholastiek. Duns Scotus. Habilitatie. Krijgsdienst. De snelle carrière mislukt. De mannenbond. Huwelijk.
Vijfde hoofdstuk
De triomf van de fenomenologie. De open zintuigen. De wereld in het hoofd. Husserl en zijn parochie. De krankzinnige horlogemaker. Werk aan de fundamenten. De poëzie als het geheime verlangen van de filosofie. Proust als fenomenoloog. Husserl en Heidegger, vader en zoon. Elisabeth Blochmann. Heideggers lust om te leven en de “waanzinnige toestanden’.
Zesde hoofdstuk
Revolutietijd. Max Weber tegen de kathederprofeten. Inflatieheiligen. Heideggers katheder. Uit de vroege geschiedenis van de zijnsvraag. Beleven en ontleven. Het wereldt. Kaalslagfilosofie. Heideggers dadaïsme. De transparantie van het leven. Het duister van het geleefde ogenblik. Verwante geesten: Heidegger en de jonge Ernst Bloch.
Zevende hoofdstuk
Afscheid van het katholicisme. Het factische leven’ en de bandopheffing tegen God’. Destructiewerken. De God van Karl Barth. Hoe je vallend de valwetten bestudeert. Het begin van de vriendschap met Karl Jaspers. Het Ontologiecollege van 1923. De prelude tot ‘Sein und Zeit’.
Achtste hoofdstuk
Benoeming in Marburg. Wapenbroederschap met Jaspers. De geesten van Marburg. Onder theologen. Hannah Arendt. De grote passie. Hannab’s gevecht om zichtbaarheid. Heideggers zege in het verborgene. ‘Het leven ligt zwiver, eenvoudig en groots vóór de ziel”. Het ontstaan van ‘Sein und Zeit’. Op moeders sterfbed neergelegd.
Negende hoofdstuk
‘Sein und Zeit’. De proloog in de hemel. Welk zijn? Welke zin? Waar te beginnen? Het bestaan als algenkolonie: alles hangt samen. Het in-zijn. De angst. De zorg steekt de rivier over. Hoeveel eigenlijkheid verdraagt de mens? De alternatieven van Plessner en Gehlen. Heideggers moraalfilosofie. Het lot en de vrijheid. Collectief bestaan: gemeenschap of samenleving?
Tiende hoofdstuk
De stemming van de tijd: het wachten op het grote ogenblik. Carl Schmitt, Tillich en anderen. Tegenwoordigheid van geest. De vastbeslotenheid en het niets. Bevrijding van de schoolse dwang. Bezwering van het bestaan. De nachtmis van Beuron. Gebed en vermetelheid. Het kwade. Het grote debat van Davos: Heidegger en Cassirer op de Toverberg. De nacht en de dag.
Elfde hoofdstuk
Een verkapt hoofdwerk: het metafysicacollege van 1929/30. Over de verveling. Het geheim en de schrik ervoor. Heideggers poging een natuurfilosofie te ontwerpen. Van steen tot bewustzijn. De geschiedenis van een opening.
Twaalfde hoofdstuk
De balans aan het einde van de republiek. Plessner. Instortende ‘overkoepelingen’. Vriend en vijand. Heideggers ambiguïteit: de enkeling of het volk? Het eerste aanbod voor een leerstoel in Berlijn. Karl Mannheim. De strijd om de kennissociologie. Reddingspoging van het liberalisme. Leven met de ‘onbemiddelbaarheden’. Heidegger in Plato’s grot. De idee van de ‘machtiging’. Hoe het zijnde zijnder wordt.
Dertiende hoofdstuk
Winter 1931/32 in de hut: ‘Bij een grof stuk hout hoort een grove wig.’ De nationaal-socialistische revolutie. Collectieve uitbraak uit de grot. Het zijn is aangekomen. Het verlangen naar een apolitieke politiek. Het bondgenootschap tussen gepeupel en elite. Hitlers ‘prachtige handen’. Heidegger schakelt zichzelf in. Tot rector gekozen. Rectoraatsrede. Exploderende oudheden. De priester zonder boodschap.
Veertiende hoofdstuk
De rectoraatsrede en de uitwerking ervan. De hervorming van de universiteit. Heidegger een antisemiet? Heideggers revolutionaire activiteiten. Overeenkomsten met de beweging van ’68. Het volk dienen. Het wetenschapskamp.
Vijftiende hoofdstuk
De afstemming van de filosofie op de politiek. De mens in het enkelvoud en in het meervoud. Het verdwijnen van de verscheidenheid. Geen ontologie van de differentie. Het tweede aanbod voor een leerstoel in Berlijn. Heideggers strijd om de zuiverheid van de beweging. De revolutionair als verrader.
Zestiende hoofdstuk
Waar zijn we als we denken? Todtnauberg in Berlijn: het plan voor een docentenacademie. Afscheid van zijn politieke activiteiten. “Ik geef college over logica…’ Heidegger kiest zijn helden: van Hitler naar Hölderlin. De ‘wereldverduistering’ en het reëel bestaande nationaal-socialisme.
Zeventiende hoofdstuk
De tijd van het wereldbeeld en de totale mobilisering. Heidegger op de terugtocht. Over het in-het-werk-stellen van de waarheid. Het plechtig pragmatisme. Grondleggers van de staat, kunstenaars, filosofen. Kritiek op het machtsdenken. Nietzsche en Heidegger: wie overwint wie? Over het bouwen van vlotten op open zee.
Achttiende hoofdstuk
Heideggers filosofische dagboek: ‘Beiträge zur Philosophie’. Heideggers filosofische rozenkrans. Het grote draaiorgel. Kleine hemelvaarten. Het breedsprakige zwijgen.
Negentiende hoofdstuk
Heidegger in de gaten gehouden. Het filosofiecongres in Parijs in 1937. Heidegger mokt. Ideeën voor een Duits-Franse toenadering. Heidegger en de oorlog. ‘De planeet staat in brand’. Het denken en het Duitse.
Twintigste hoofdstuk
Heidegger bij de landstorm. Freiburg verwoest. Panische idylle: kasteel Wildenstein. Heidegger voor de zuiveringscommissie. Het rapport van Jaspers: ‘onvrij, dictatoriaal, non-communicatief’. Doceerverbod. Frankrijk ontdekt Heidegger. Kojève, Sartre en het niets. Heidegger leest Sartre. Gelegenheid om elkaar te ontmoeten voorbij laten gaan. Bezoek bij de aartsbisschop. Instorting
en genezing in het Winterwald.
Eenentwintigse hoofdstuk
Wat doen we als we denken? Antwoord aan Sartre. ‘Brief über den Humanismus’. Renaissance van het humanisme. Hoge tonen. Bevindelijkheden in het naoorlogse Duitsland. Van de plaatsbekleder van het niets tot de hoeder van het zijn. Heideggers zelfinterpretatie: de ommekeer. Geen beeltenis maken, niet van de mens, niet van God.
Tweeentwintigste hoofdstuk
Martin Heidegger, Hannah Arendt en Karl Jaspers na de oorlog. Het verhaal van een persoonlijke en filosofische relatie.
Drieentwintigste hoofdstuk
De andere openbaarheid. Heideggers kritiek van de techniek: gestel en gelatenheid. Op de plek van de dromen: Heidegger in Griekenland. De dromen van een plaats: de studiebijeenkomsten in Le Thor, Provence. Medard Boss. De studiebijeenkomsten in Zollikon: bestaansanalyse als therapie. De eindexamendroom.
Vierentwintigste hoofdstuk
Cassandra-voorspellingen. Adorno en Heidegger. Amorbach en veldweg. Van het jargon van de eigenlijkheid naar het eigenlijke jargon van de jaren zestig. Over het spreken en zwijgen over Auschwitz. Het Spiegel-interview. Paul Celan in Freiburg en Todtnauberg.
Vijfentwintigste hoofdstuk
Levensavond. Nog één keer Hannah. Heidegger en Franz Beckenbauer. Het loof, de lasten, zwanezangen. Wat niet zal worden vergeten. De zin van de zijnsvraag en het zijn: twee Zen-verhalen. De brug. De tatoeage. De oehoe. De dood. Terug onder de hemel van Meftkirch.
Afkortingen
Noten
Beknopte biografie
Geciteerde werken van martin Heidegger
Noten van de vertaler
Zaakregister
Namenregister
Geraadpleegde
Aanvullende literatuur
LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN VAN EN OVER MARTIN HEIDEGGER