De ‘Ethica Nicomachea’ van Aristoteles behoort zonder twijfel tot de allerbelangrijkste filosofische werken. Centraal in de Ethica Nicomachea staat de vraag hoe de mens een gelukkig en geslaagd leven kan realiseren. Vanuit deze vraagstelling maakt Aristoteles een diepgaande en scherpe analyse van het menselijk gedrag, het menselijk karakter en zijn intellectuele vermogens. Met een groot psychologisch inzicht bespreekt hij de goede en slechte eigenschappen van de mens, de emoties en de fundamentele waarden in het menselijk leven, zoals verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en vriendschap.
Aristoteles laat op indringende wijze zien dat er op het gebied van de moraal geen absolute normen bestaan en dat elke ethische theorie moet uitgaan van de menselijke natuur en de manier waarop mensen zich in alledaagse situaties gedragen. In de ontwikkeling van de Europese cultuur heeft de Ethica Nicomachea een belangrijke rol gespeeld. Door de geschiedenis heen heeft het werk een zeer grote invloed gehad op filosofen, kerkvaders, schrijvers, geleerden en politici. Eeuwenlang was het de autoriteit op het gebied van de moraal.
De laatste decennia staat de Ethica van Aristoteles met name in de vakkringen volop in de aandacht. Deze vertaling van Charles Hupperts en Bartel Poortman en is voorzien van een uitgebreide inleiding in de filosofie van Aristoteles in het algemeen en de Ethica Nicomachea in het bijzonder, van verklarende aantekeningen, een uitgebreide bibliografie en een begrippenindex. In de gebonden editie is daarnaast ook de Griekse tekst afgedrukt.
INLEIDING
1. Leven
Aristoteles werd geboren in het jaar 384 voor Christus in het stadje Stagira, dat op het schiereiland Chalcidice ligt in het noorden van Griekenland. Over zijn jeugd is weinig bekend. Zijn vader, Nicomachus, stamde af van een oud geslacht van geneesheren en was zelf lijfarts van Amyntas III, de koning van Macedonië. Nicomachus stierf vroeg, zodat Aristoteles onder het voogdijschap van zijn oom Proxenus kwam te staan. Toen Aristoteles zeventien jaar oud was, vertrok hij naar Athene, waarschijnlijk met de bedoeling zich verder te ontwikkelen.
Hij ging studeren aan de Academie van Plato. Deze filosoof was in zijn tijd een beroemdheid. Van alle uithoeken van de Griekse wereld trok zijn school leerlingen aan. In principe was de Academie een religieus-culturele vereniging, een thiasos genaamd. De school was gewijd aan de Mousai, de beschermvrouwen van de algemene ontwikkeling, en was gelegen buiten de stadsmuren in een lommerrijke omgeving op het terrein van een gymnasium, een open plaats waar sport werd bedreven. Dus geestelijke ontwikkeling werd gecombineerd met lichamelijke training. Het ging waarschijnlijk om dagonderwijs, dat wil zeggen: de studenten woonden in de stad, maar kwamen voor de training of voor het onderricht naar het gymnasium. Wel was er sprake van gemeenschappelijke maaltijden, sussitia.
Het onderwijs bestond voor een deel uit een soort hoorcolleges, die ook voor een breder publiek toegankelijk waren, en voor een deel uit discussies in kleinere groepen. De opleiding aan dit instituut was nogal theoretisch georiënteerd en vakken als wiskunde en astronomie vormden de kern van het curriculum. Boven de ingang van de Academie stond dan ook de spreuk te lezen: ‘niemand zonder meetkundige scholing mag hier binnenkomen’.
Aristoteles moet een briljante en kritische leerling zijn geweest. Tijdens deze periode maakt hij grondig kennis met de filosofie van Plato, maar ook met die van de Presocraten, van de sofisten en van Socrates, die in 399 terecht was gesteld. Na enkele jaren had Aristoteles al verscheidene publicaties op zijn naam staan en werd hij ingeschakeld bij het onderwijs. Hij stond bekend om zijn scherpe kritiek op belangrijke punten van de leer van zijn meester.
Na de dood van Plato in 347, toen de leiding van de school in handen van Speusippus, een neef van Plato, kwam, verliet Aristoteles Athene. Het is onzeker waarom, maar meestal wordt zijn vertrek uit Athene in verband gebracht met politieke ontwikkelingen. Toen Philippus van Macedonië de stad Olynthus, die hulp had gezocht bij Athene, veroverd en verwoest had, won in Athene de anti-Macedonische partij veld, die door Demosthenes werd aangevoerd. Aristoteles was geen Atheens burger en de situatie werd waarschijnlijk voor hem met zijn Macedonische achtergrond en connecties gevaarlijk.
Op uitnodiging van een vroegere medestudent, Hermias, die op dat moment tiran was van Atarneus en Assus in Mysië, een streek in Klein-Azië, begaf hij zich naar Assus. Hermias had daar een Platonische kring om zich heen verzameld, waarvan Aristoteles drie jaar lang deel uitmaakte. Hier trouwde hij met Hermias’ nicht Pythias, bij wie hij een dochter kreeg. In 344 stak Aristoteles over naar Mytilene op Lesbos. Daar ontmoette hij Theophrastus, die zijn beroemdste leerling zou worden. Het is overigens waarschijnlijk dat Aristoteles zich tijdens zijn verblijf in Assus en in Mytilene vooral met biologische onderzoekingen heeft beziggehouden.
In 343 werd hij door Philippus uitgenodigd om naar het Macedonische hof in Pella te komen om ‘tutor’ te worden van diens dertienjarige zoon Alexander. Helaas weten we weinig af van Aristoteles’ verblijf in Pella en zijn contact met Alexander. Tevergeefs hebben mensen geprobeerd de Aristotelische invloed op Alexander te reconstrueren aan de hand van Alexanders bliksemcarrière. Ook in Aristoteles’ politieke werken vinden we niets dat verwijst naar zijn omgang met de troonopvolger van het Macedonische huis.
Het verblijf in Pella duurde niet erg lang. Waarschijnlijk in 340, toen Alexander gedurende de veldtocht van zijn vader tegen Byzantium regent werd, vestigde Aristoteles zich voor korte tijd in Stagira en keerde vervolgens in 335 naar Athene terug. De Academie bloeide onder de leiding van Xenocrates. Maar Aristoteles gaf er de voorkeur aan zelf een school te stichten.
Hij huurde aan de noordoostkant van de stad een gymnasium, het zogenaamde Lukeion, dat gewijd was aan Apollo Lukeios, de beschermer tegen wolven. Gewoonlijk wordt deze school het Lyceum genoemd of ook wel de Peripatos, de Wandelgang. Deze laatste naam kreeg de school pas na de dood van Aristoteles. De leden werden de Peripatetici, ‘de rondwandelenden’, genoemd, maar dat deze naam erop zou wijzen dat er al wandelend onderwijs werd gegeven, berust op een misvatting. Bovendien werden colleges doorgaans in een zuilenhal, die de gymnasia omgaf, gehouden. De naam duidt dus niet op een speciaal karakter van het Aristotelische onderwijs.
’s Ochtends behandelde Aristoteles de meer ‘technische’, abstracte onderdelen voor kleinere kring, terwijl hij ’s middags voordrachten gaf voor een groter publiek. Hij hield zich naast het geven van deze colleges en lezingen, ook bezig met onderzoek op zeer uiteenlopende gebieden. Hij legde materiaalverzamelingen aan op het terrein van de biologie ter bevordering van de studie der planten en dieren, maar hij bracht ook talrijke gegevens bijeen voor de beschrijving van bijvoorbeeld 158 staatsinrichtingen. Hij bestuurde archieven, zoals die van de Olympische Spelen en bouwde zelf een bibliotheek op. Het Lukeion was dus naast een onderwijsinstituut ook een plaats voor research. Op veel gebieden was nog nooit onderzoek verricht en Aristoteles was, zeker op het terrein van de biologie, een ware pionier.
Waarschijnlijk in deze jaren stierf zijn vrouw Pythias. Aristoteles kreeg daarna een verhouding met de vrijgelatene Herpyllis, die hem een zoon schonk, Nicomachus genaamd. Zij bleef waarschijnlijk tot zijn dood bij hem. Het nieuws van de dood van Alexander de Grote in 323 deed in Athene de anti-Macedonische gevoelens weer opleven en Aristoteles werd aangeklaagd wegens zijn contacten met het Macedonische hof. De aanklacht luidde: gebrek aan respect in religieuze aangelegenheden (asebeia). Aristoteles verliet Athene op tijd om, naar wordt verteld, de Atheners een tweede vergrijp tegen de filosofie te besparen. Hij vluchtte naar Chalcis, de geboorteplaats van zijn moeder, waar hij binnen het jaar in 322 op de leeftijd van drieënzestig jaar aan een ziekte overleed.
2. Werk
Diogenes Laërtius, een auteur uit de eerste helft van de derde eeuw na Christus, die een biografisch werk heeft geschreven over een groot aantal Griekse filosofen, somt een reusachtige lijst van boeken op die Aristoteles geschreven zou hebben. De lijst telt 150 titels verspreid over 550 boeken. Deze aantallen zijn omstreden, maar ze maken in ieder geval duidelijk dat Aristoteles over een ongelofelijk groot aantal onderwerpen heeft geschreven. Wij bezitten van het oorspronkelijke corpus zo’n dertig werken, die in moderne druk ca. 2000 bladzijden beslaan. Het is opvallend dat de overgeleverde werken de belangrijkste aspecten van zijn filosofische belangstelling weergeven en we mogen ervan uitgaan dat het totaal aan teksten dat tot onze beschikking staat, ons een goed beeld geeft van Aristoteles’ filosofie.
INHOUDSOPGAVE
Woord vooraf
Inleiding
I. Hoofdzaken van het leven en werk van Aristoteles
II. De filosofie van Aristoteles
III. Ethica 53
Selecte bibliografie
Ethica Nicomachea
Boek I Het laatste doel van het menselijk handelen en het hoogste goed: geluk
Boek II Het optimaal functioneren in moreel opzicht: deugd
Boek III Verantwoordelijkheid voor het handelen; de deugden moed en gematigdheid
Boek IV Andere deugden die met de emoties te maken hebben
Boek V Rechtvaardigheid
Boek VI Het optimaal functioneren in intellectueel opzicht
Boek VII Zelfbeheersing en gebrek aan zelfbeheersing; genot
Boek VIII Vriendschap
Boek IX Vriendschap (vervolg)
Boek X Bespreking van genot; de uiteindelijke opvatting van geluk
Toelichting
De tekst
Index
Index Griekse termen
