De jaarbaan van de zon: lente-equinox, zomersolstitium, herfstevening en winterzonnewende

BESTEL ODE AAN DE ZON

AANMELDEN VOOR DE LEZING VAN WILLEM BEEKMAN OP 24 MAART IN HAARLEM

Op maandag 20 maart 2023 om 22.24 uur onze tijd valt de lente-evening. Dan nemen we astronomisch gezien afscheid van de winter en heten we lente, zomer en zon welkom. De dagen worden aanzienlijk snel langer, de nachten korter. We zitten in een versnelling van de daglengte. Tegelijk met deze snelle toename van het licht komt ook de plantenwereld in hoog tempo de grond uit en barsten de knoppen van de bomen open. Op vrijdagmiddag 24 maart 2023 komt Willem Beekman een lezing geven over ‘Ode aan de zon’ voor Pentagram boekwinkel. Hieronder volgt een gedeelte uit hoofdstuk 14 over de jaarbaan van de zon.

Waar komt de zon op en waar gaat hij onder? Ik dacht als kind altijd: in het oosten en in het westen. Later kreeg ik door dat dit maar op twee dagen in het jaar opgaat. De zon komt precies in het oosten op als de lente aanbreekt op 21 maart en als de herfst begint op 23 september. Op die dagen gaat hij ook precies in het westen onder. Alle andere dagen van het jaar wijkt de zon daarvan af, soms wat meer, soms wat minder. In de bovenstaande afbeelding zie je de banen van de zon in de belangrijke momenten van het jaarverloop. De horizon heb ik gebogen getekend om het noordoosten en noordwesten tegelijk te kunnen weergeven. In werklijkheid liggen deze windstreken buiten je gezichtveld als je naar het zuiden kijkt.

Ik begin in de winter, op het moment dat de zon het laagste punt in zijn baan heeft bereikt, op 21 december. In de afbeelding zie je de kleine dagbaan van de zon op die dag, vanaf de opkomst in het zuidoosten tot de ondergang in het zuidwesten. Het is een bescheiden baan en de zon komt niet hoog aan de hemel, zoals je kunt zien. De zon is op die dag – het is bijna Kerstmis – 8 uur op en 16 uur onder. Dit zijn de kortste dag en de langste nacht van het jaar.

Vanaf dat moment gebeuren er twee dingen tegelijk. Het eerste is dat de zon met zijn punten van opkomst en ondergang over de horizon steeds een stukje opschuift. De baan van de zon wordt iedere dag een stukje breder. Het gaat heel langzaam, voetje voor voetje, maar in de loop van enkele weken gaat dat wel optellen. Het tweede is dat de zon ietsje hoger klimt aan de hemel. Aanvankelijk lijken de dagen allemaal op elkaar en verandert er maar weinig. Pas in januari gaat het opvallen dat de dagen nu toch echt langer worden. Het licht groeit. En die groei gaat steeds sneller.

We maken nu een sprong in de tijd en gaan naar de baan van de zon op 21 maart, het moment dat de lente aanbreekt. In de tekening zie je deze baan, die precies oost-west verloopt. De zon verdeelt het etmaal in twee gelijke helften. Vanwege deze gelijkheid heet dit moment dan ook de lente-evening (in het Engels betekent even gelijk aan).  In de tijdsduur is de dag gelijk aan de nacht. Een ander woord is lente-equinox, om aan te geven dat de nacht (nox) gelijk (equi) is aan de dag. De dagen worden aanzienlijk snel langer, de nachten korter. We zitten in een versnelling van de daglengte. Tegelijk met deze snelle toename van het licht komt ook de plantenwereld in hoog tempo de grond uit en barsten de knoppen van de bomen open. Licht en plantengroei gaan hand in hand. Dat geldt in het bijzonder voor onze streken, de gematigde gebieden van de aarde.

Dat gaat zo door tot aan het moment van de zomer op 21 juni. Dan breikt de zon het hoogste punt in zijn baan en komt dan op in het noordoosten en gaat onder in het noordwesten, hij is ongeveer 16 uur op en 8 uur onder, precies andersom als in de winter. Dit moment heet ook wel de zomerzonnewende, om aan te geven dat er een keerpunt is waarbij de zon niet meer klimt aan de hemel en vanaf nu weer gaat dalen, een wending neemt. Dit heet ook het zomersolstitium, letterlijk ‘zomerstilstand’ en dat is heel goed te merken: de dagen worden tot an dat moment nauwelijks langer en erna nauwelijks korter. De beweging van de zon lijkt tot stilstand (solstitium) te zijn gekomen. Vanaf nu worden de dagen korter en gaat de zon zakken in zijn baan. Dag na dag komt hij wat lager te staan en ook de punten van opkomst en ondergang gaan weer terugschuiven over de horizon.

Nu is er iets bijzonders met de verhouding tussen het licht en de warmte van de zon. Op dit moment van het jaar gaat het licht krimpen, maar de warmte neemt dan juist toe. De warmste periode van het jaar breekt aan als het licht alweer op zijn retour is. Deze ‘scheve’ verhouding tussen licht en warmte is in het voorjaar precies andersom. Dan neemt het licht snel toe, terwijl het nog koud is. De warmte ijlt na. Dat hangt samen met het fewit dat licht een directe werking heeft, terwijl de warmte eerst opgenomen moet worden in de aarde, en in het water, om daarna weer afggegeven te worden. Dat heeft tijd nodig en die tijd is voor het licht niet van belang, dat werkt in het moment. Er zijn dus twee soorte warmte aan het werk: een primair warmte-effect (indirect en vertraagd) zoals we dat ook bij tegelkachels kennen.

We maken weer een sprong in de tijd en komen bij het herfstmoment aan, meestal op 23 september. De baan van de zon is dan dezelfde als op 21 maart. Hij komt in het oosten op, gaat in het westen onder, is 12 uur op en 12 uur onder. Dit is de herfst evening (of herfstequinox). Het vberschil is nu het dalende licht, want de dagen worden in zeer snel tempo korter, de nachten langer. Dit gaat door tot de winterzonnewende, het wintersolstitium. Ervoor zijn de dagen heel langzaam korter geworden en erna worden ze heel langzaam langer. Het is de tijd van de vertraging.

Je ziet dat er twee periodes in het jaar zijn, lente en herfst, waarbij het licht snel verandert en twee periodes, zomer en winter, waarbij het licht van dag tot dag nauwelijks merkbaar verandert.

We hebben nu de zon in zijn jaarverloop gevolgd en daar vier momenten in gemarkeerd, waarbij we steeds een sprong in de tijd maakten. Maar de zon self maakt geen sprongen. Hij glijdt vloeiend over de hemel, zonder haperingen of onderbrekingen. Als de zon iedere dag verschijnt, zien wij een klein sprongetje ten opzichte van de horizon, maar zelfs dat sprongetje maakt de zon niet. Dat komt zalleen maar omdat wij steeds in de nacht de zon moeten missen en in onze waarneming ontstaast dus een onderbroken beweging. Als we daar met ons denken een vloeiende beweging van maken, dan ontdekken we dat de zon een spiraalbaan beschrijft.

Hij spiraliseert vanaf de winterzonnewende omhoogtot aan de zomerzonnewende en daarna spiraliseert hij weer omlaag tot het winterpunt. Dat is een spiraal met 365 windingen, één winding per etmaal. Het jaarverloop kun je dus vergelijken met een zich uitwikkelende en daarna weer inwikkelende spiraal. Anders gezegd: een uitademing en een inademing, het jaarverloop als een ademtocht. Met daarin vier seizoenen, net zoals we in ons lichaam bij iedere ademtocht vier hartslagen hebben.

Uit: Ode aan de zon, verhalen over de relatie tussen aarde en zon door Willem Beekman, het begin van hoofdstuk 14 met de titel: De jaarbaan.

BESTEL ODE AAN DE ZON

AANMELDEN VOOR DE LEZING VAN WILLEM BEEKMAN OP 24 MAART IN HAARLEM